RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-364468-24
Beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 18 juli 2025 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In de zaak tegen:
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans verblijvende: [instelling] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 6 juni 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van 93.581,46 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18-3644680-24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. De behandeling heeft tegelijkertijd plaatsgevonden met de hoofdzaak op het onderzoek ter terechtzitting van 4 juli 2025.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in haar requisitoir verwezen naar haar schriftelijke vordering tot het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland van 7 april 2025 op pagina 311 e.v. van het procesdossier waarop deze berekening van het wederrechtelijk voordeel is gebaseerd. Zij heeft echter in afwijking van haar schriftelijke vordering gevorderd dat de dagen die de veroordeelde aan vervangende hechtenis heeft vastgezeten gedurende de bewezen periode waarin is gehandeld in verdovende middelen, in mindering wordt gebracht op deze berekening, te weten: de detentieperiode vanaf 29 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024. Deze berekening luidt gelet hierop als volgt:
De officier van justitie vordert dus in afwijking van haar schriftelijke vordering dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op 89.372,77 euro en dat de veroordeelde de betalingsverplichting wordt opgelegd van dit bedrag aan de Staat.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het aantal deals per dag moet worden vastgesteld op 4 in plaats van de 19 deals per dag dat de politie hanteert bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter onderbouwing voert hij aan dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat naast de telefoongesprekken ook op grote schaal drugsdeals tot stand kwamen via WhatsApp. Verder voert hij aan dat uit het dossier niet blijkt dat de klantenkring van de veroordeelde verder reikt dan de harddruggebruikers die de politie heeft gehoord. De raadsman berekent het wederrechtelijk verkregen voordeel gelet hierop als volgt:
De raadsman beargumenteert dat uit moet worden gegaan van een dealperiode van 180 dagen, omdat hij in de hoofdzaak een bewezen dealperiode vanaf 23 juli 2024 tot en met 22 januari 2025 heeft bepleit. Dit levert de volgende berekening op: 19.701,36 euro gedeeld door 378 (= 52,12) en vervolgens vermenigvuldigd met 180 (180 x 52,12) is een totale winst van 9.381,60 euro. De raadsman concludeert
en neemt het standpunt in dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op 9.381,60 euro moet worden vastgesteld.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2025, opgenomen op pagina 311 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer] d.d. 15 april 2025, inhoudend het relaas van verbalisant
[verbalisant] , waarin een berekening wordt gemaakt van het verkregen wederrechtelijke voordeel van de veroordeelde;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2025, opgenomen op pagina 564 e.v. van voornoemd dossier d.d. 15 april 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] : Mevrouw [naam] verklaarde dat zij al een aantal weken cocaïne en heroïne kocht van een [veroordeelde] die zichzelf [veroordeelde] noemt en dat zij ongeveer 3 keer (voor zo'n 200 euro) per week groot inkocht bij hem. Ook hoorde ik [naam] zeggen dat de bestellingen meestal via de applicatie WhatsApp plaatsvonden;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2025, opgenomen op pagina 572 e.v. van voornoemd dossier d.d. 15 april 2025, inhoudend de verklaring van getuige [getuige] : Hij bestelde rook coke (Crack). Hij kocht voor 20 à 50 euro per keer. Hij bestelde zowel telefonisch als via WhatsApp.
Beoordeling
De rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 18 juli 2025 in de zaak met parketnummer 18-364468- 24 onder feit 1 veroordeeld ter zake van handel in cocaïne en heroïne in de periode van 23 juli 2024 tot en met 22 januari 2025.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van het voormelde strafbare feit wordt geschat: het onder nummer 1 van de bewijsmiddelen aangehaalde proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2025.
De rechtbank zal, anders dan de raadsman heeft bepleit, uitgaan van 19 deals per dag en ziet geen aanleiding om het aantal deals per dag op een lager aantal vast te stellen. Meerdere harddruggebruikers hebben namelijk bij de politie verklaard dat de drugsdeals ook door middel van WhatsApp tot stand kwamen.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak een dealperiode van 183 dagen bewezen verklaard in afwijking van de 378 dagen waar de initiële berekening van de politie van uit is gegaan.
De politie hanteert een marktprijs van 80 euro per gram cocaïne. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat de marktprijs van cocaïne 50 euro per gram moet zijn, gelet op de marktprijsindexering van cocaïne van de Nationale Drug Monitor van het Trimbos Instituut.
Dit levert de volgende berekening op:
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 29.269,13 voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op van dit bedrag.
De rechtbank ziet geen redenen de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
(zegge: negenentwintigduizend tweehonderd en negenenzestig euro en dertien eurocent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 585 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 juli 2025.
Mr. H.P. Eckert is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.