RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/258504 / KG ZA 26-317
Vonnis in kort geding van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.I. Meijers,
tegen
RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN,
te Groningen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: RUG,
advocaat: mr. J. van der Meer.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 tot en met 11);- de producties (12, 13 en 14) van [eiser] ;- de producties (1 tot en met 4) van de RUG;- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van [eiser] ;- de pleitnota van RUG.
2. De feiten
[eiser] is sinds 1973 werkzaam geweest voor de RUG. Na zijn pensionering in 2015 is hij op vrijwillige basis betrokken gebleven bij het verzorgen van onderwijs, met name binnen de [cursus] ( [vak] ).
In 2021 zijn bij het faculteitsbestuur klachten binnengekomen over opmerkingen die [eiser] tijdens de colleges heeft gemaakt richting studenten. Over de klachten heeft in november 2021 een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en het faculteitsbestuur (vice-decaan). Nadien is [eiser] bij het onderwijs betrokken gebleven.
In november 2025 zijn volgens de RUG wederom klachten binnengekomen over de [cursus] en concreet over gedragingen en opmerkingen van [eiser] . Op 1 december 2025 is in dat kader het volgende bericht verzonden aan alle studenten die waren ingeschreven voor de [cursus] :
“Dear all,
With this message we would like to provide you with some clarity on the
state of the course and the changes you have undoubtably observed in the
recent weeks.
The situation is as follows: a number of concerns were raised by students
in the preceding course to this one ( [cursus] ) related to the
professional conduct of one of the lecturers for the course, and
specifically [eiser] . These concerns reached the management of the
Bernoulli programmes, formally known as the Mathematics Cluster, and
together with me as the programme director, a decision was made on removing
Dr. [eiser] from the course without waiting for an inquiry into the raised
concerns.
This decision was based on two facts. First, the confidentiality of the
nature of the complaints makes difficult to effectively and objectively
assess their validity in the span of the block. Second, and more
importantly, this is not the first time that concerns of similar nature
have been raised by students. Guardrails were meant to be in place to
protect students from these behaviors; apparently these were not as
effective as required. The decision is therefore unavoidable, despite its
severity.
I understand that this might not track with your personal experience with
the course. [naam 1] and [eiser] have been doing an excellent work teaching a
notoriously difficult topic that it is highly appreciated by a number of
students. This decision does not reflect in any way the quality of teaching
with respect to content.
At the same time, your lived experience is not necessarily the same with
this of other students, and teaching also extends to professionalization
and interaction with students. The priority of the programme, and of the
University as a whole, is to ensure the well being of _all_ students in
addition to giving them the knowledge, skills, and attitudes required for
moving forward. In this respect, the negative experiences outweigh the
positive ones.
Together with [naam 1] , in the last weeks we are working towards ensuring
that the necessary resources for completing this course are available.
After this is has been achieved, then we will need to assess whether the
follow up course in the next block ( [cursus] ) also has
If you were planning to take the [cursus] would advise
you to have a discussion with your academic advisor for possible
replacements for the course in case it gets canceled. This is far from
optimal, but it might turn out to be impossible to avoid. We will keep you
posted.
Kind regards,
[naam 2] , [functie]”
Vervolgens heeft [eiser] bij bericht van 28 januari 2026 verzocht om inzage in de aard van de klachten, zodat hij daarop zou kunnen reageren en om een eerlijke en transparante procedure, waaronder de mogelijkheid van een hoorzitting, om duidelijkheid te krijgen over (de voorwaarden van) zijn verwijdering van de cursus.
Na meerdere herinneringsberichten van [eiser] heeft de RUG daarop bij brief van 1 april 2026 als volgt gereageerd:
“Verzoek om inzage in klachten en een hoorzitting
(…)
De RUG ziet geen rechtsgrond voor deze verzoeken. Er bestaat immers geen contractuele relatie of andere rechtsverhouding tussen uw cliënt en de RUG die maakt dat hij aanspraak kan maken op voortzetting van onderwijsactiviteiten, toepassing van interne personeelsprocedures of een hoorprocedure in de door u bedoelde zin. De kennisgeving om uw cliënt niet langer bij het onderwijs te
betrekken betreft een organisatorische aangelegenheid, dat binnen de autonomie en bevoegdheid van de RUG valt. De RUG bepaalt wie onderwijs verzorgt en wie toegang heeft tot haar onderwijsactiviteiten en faciliteiten.
Voor zover u verzoekt om inzage in klachten wordt bovendien opgemerkt dat de RUG gehouden is de belangen, veiligheid en privacy van studenten te beschermen. Om die reden zal de RUG geen inhoudelijke informatie over individuele meldingen of klagers verstrekken.”
Bij brieven van 15 van 30 april 2026 heeft [eiser] op de brief van de RUG van
1 april 2026 gereageerd. In de brief van 30 april 2026 heeft [eiser] de RUG verzocht om binnen tien werkdagen een geanonimiseerde verstrekking te doen van alle klachten en meldingen die (mede) aan de beslissing hem van de cursus te verwijderen ten grondslag zijn gelegd. Daarbij heeft [eiser] aangegeven dat indien de RUG nalaat om binnen deze termijn geanonimiseerde inzage te verstrekken, zij wordt gesommeerd om binnen tien werkdagen na het verstrijken van de termijn een rectificatie te plaatsen.
Op 17 juni 2026 heeft [eiser] de RUG gesommeerd om binnen tien dagen na
dagtekening van de brief de daar genoemde informatie inzake het handelen van de RUG te verstrekken en schriftelijk te bevestigen dat een rectificatie zal worden verstrekt aan dezelfde kring van personen aan wie eerder mededelingen over [eiser] zijn gedaan.
De RUG heeft niet op de onder 2.7 bedoelde sommatiebrief gereageerd, de genoemde informatie niet verstrekt en rectificatie heeft niet plaatsgevonden. Ook is de RUG - ondanks verzoeken daartoe van [eiser] - niet met [eiser] in gesprek gegaan over de (aard van de) door de RUG genoemde klachten.
3. Het geschil
[eiser] vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de RUG te bevelen om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis iedere mededeling waarin [eiser] in verband wordt gebracht met grensoverschrijdend gedrag en/of sociale onveiligheid, voor zover nog toegankelijk of reproduceerbaar, in te trekken en ingetrokken te houden;
II. de RUG te bevelen om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan alle personen, zoals opgenomen in productie 11 bij de dagvaarding, per e-mail een rectificatie te sturen, onder gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de advocaat van [eiser] , met de navolgende tekst, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tekst:
"Rectificatie
"Op 1 december 2025 heeft de Rijksuniversiteit Groningen aan studenten van de
faculteit bericht dat de samenwerking met de heer [eiser] is beëindigd wegens
meldingen van grensoverschrijdend gedrag en sociale onveiligheid.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat deze mededeling onrechtmatig
was. De universiteit had deze kwalificatie niet mogen communiceren zonder
voorafgaand hoor en wederhoor en zonder dat sprake was van een deugdelijk
onderzoek waaruit de juistheid van deze beschuldigingen is gebleken.
Met de eerdere mededeling is de indruk gewekt dat vaststaat dat de heer [eiser]
zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. Daarvan is geen
sprake.
De Rijksuniversiteit Groningen betreurt dat door de eerdere communicatie een
voor de heer [eiser] nadelige en onjuiste beeldvorming is ontstaan."
III. de RUG te verbieden om [eiser] jegens derden - waaronder begrepen studenten, medewerkers of andere bij de universiteit betrokkenen - nog langer in verband te brengen met grensoverschrijdend gedrag en/of sociale onveiligheid, dan wel dergelijke kwalificaties als feitelijk vaststaand te presenteren, zonder dat daarvoor een deugdelijke feitelijke grondslag bestaat, een en ander op straffe van het hierna te bepalen;
IV. te bepalen dat de RUG een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van
€ 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met een of meer van de onder 1 t/m 3 uitgesproken veroordelingen, tot een maximum van € 25.000,-;
V. de RUG te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan, alsmede in de nakosten.
De RUG voert verweer. De RUG concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
[eiser] heeft wat betreft het spoedeisend belang ter zitting - onder verwijzing naar ECLI:NL:RBROT: 2025:4655 - gesteld dat in dit soort zaken de spoedeisendheid een gegeven is, omdat dit soort zware beschuldigingen boven de markt blijven hangen. Enkel tijdsverloop neemt volgens [eiser] de spoedeisendheid niet weg. [eiser] heeft ter zitting ook toegelicht dat hij nog altijd last ondervindt van de beschuldigingen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, ook al betreft het een uiting (e-mail) van 1 december 2025.
Vordering rectificatie
Ter zitting is gebleken dat het [eiser] hoofdzakelijk gaat om rectificatie van de
e-mail van 1 december 2025. De voorzieningenrechter zal daarom eerst het onder II. gevorderde beoordelen. De vraag die daarbij voorligt is of de door de RUG gedane uitlatingen in de e-mail van 1 december 2025 zodanig zijn dat er aanleiding is om rectificatie van dat e-mailbericht te bevelen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van artikel 6:167 BW een veroordeling tot rectificatie kan worden uitgesproken indien er sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard. De vraag of van een dergelijke publicatie sprake is, zal beoordeeld moeten worden binnen het kader waarin de publicatie werd gedaan, met oog voor plaatselijke opvattingen en omstandigheden en de overige context. Het begrip publicatie wordt hierbij ruim opgevat en kan zien op iedere openbaarmaking, ook als die niet in de pers is gedaan, waaronder zoals in dit geval per e-mail.
De vraag of de gevorderde rectificatie toewijsbaar is, moet worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging van het recht van [eiser] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van de goede naam en reputatie (artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 EVRM), door niet op lichtvaardige wijze te worden blootgesteld aan ernstige verdachtmakingen en beschuldigingen die gebaseerd zijn op onjuiste dan wel onvolledige feiten of suggestie en het recht van (medewerkers van) de RUG op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM).
Bij de beantwoording van de vraag of de uitlatingen van de RUG al dan niet onrechtmatig zijn geweest tegenover [eiser] , dienen de wederzijdse belangen te worden afgewogen. Deze belangenafweging dient in één keer te geschieden, waarbij het oordeel dat één van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 dan wel artikel 10 lid 2 EVRM. In het kader van de belangenafweging zijn onder meer de volgende omstandigheden relevant:
i) de inhoud van uitlatingen, ii) de ernst van de daarin opgenomen beschuldigingen en de gevolgen daarvan voor [eiser] , en iii) de feitelijke juistheid van die beschuldigingen.
Wat betreft de inhoud van de e-mail van 1 december 2025 overweegt de voorzieningenrechter dat deze - anders dan de RUG heeft aangevoerd - niet alleen mededelingen van feitelijke aard bevat, maar ook (impliciete) beschuldigingen. Weliswaar is de gebruikte terminologie dat bezwaren zijn geuit “met betrekking tot het professionele gedrag” op zich neutraal, maar deze terminologie wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ingekleurd door de inhoud van de rest van het e-mailbericht. Daarin wordt een verband gelegd met eerdere klachten (van gelijke aard) over [eiser] , wordt in dat kader vermeld dat waarborgen om studenten te beschermen tegen dit soort gedrag kennelijk niet voldoende hebben gewerkt en wordt opgemerkt dat de beslissing (tot verwijdering van [eiser] ) onvermijdelijk is, ondanks de ernst daarvan. Daar wordt in het
e-mailbericht nog aan toegevoegd dat het niet ligt aan de kwaliteit van de inhoud van het onderwijs en dat onderwijs ook professionaliteit en interactie met studenten omvat, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de indruk versterkt dat het gaat om problemen in de omgang met studenten. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat ook zonder voorafgaande kennis het voorgaande het beeld oproept van betrokkenheid van [eiser] bij ernstige misstanden en wel zodanig dat een onmiddellijke maatregel zijn verwijdering uit de cursus noodzakelijk is.
Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat de gevolgen van de onder 4.7 bedoelde beschuldigingen voor [eiser] ernstig zijn, mede gezien het feit dat hij sinds 1973 werkzaamheden heeft verricht voor de RUG en daar abrupt en op deze manier een einde aan is gekomen.
Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat naar de juistheid van de (volgens de RUG) in 2025 ontvangen klachten geen enkel onderzoek is gedaan, ook ten tijde van de zitting nog niet. Dit terwijl onbetwist door [eiser] is aangegeven dat er video-opnamen zijn van de colleges die de RUG had kunnen onderzoeken. Ook staat vast dat geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden en [eiser] dus geen gelegenheid heeft gehad de klachten van context of uitleg te voorzien.
De RUG heeft in dit kader naar voren gebracht dat bij de belangenafweging (zwaar) moet worden meegewogen dat [eiser] in 2025 niets te zoeken had bij het [cursus] , omdat hij al in 2021 bij wijze van maatregel van het vak afgehaald is. Daarbij heeft de RUG verwezen naar een e-mail van 15 oktober 2021. Volgens de RUG was [eiser] ongeautoriseerd college aan het geven en had zij alle recht en de plicht om daar een einde aan te maken. [eiser] heeft betwist dat in 2021 is afgesproken dat hij niet meer betrokken zou zijn bij het onderwijs. Volgens [eiser] is toen afgesproken dat hij geen examinator meer zou zijn, maar wel onderwijs zou blijven geven. Dit strookt volgens [eiser] ook met de door hem overgelegde e-mail van 3 november 2021.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat het [eiser] in 2021 verboden is nog onderwijs te geven, anders dan in afwachting van het onderzoek en een door het bestuur te nemen besluit, zoals volgt uit de e-mail van 15 oktober 2021. De verklaring van de vice-decaan van de RUG (Prof. dr. [naam 3] ) van 20 augustus 2026 dat een dergelijk verbod in een gesprek begin november 2021 aan [eiser] is meegedeeld en nadien ook aan de opleiding is meegedeeld dat [eiser] niet meer als docent en examinator in het onderwijs mocht worden ingezet, heeft de RUG op geen enkele manier (met stukken) onderbouwd, terwijl [eiser] deze stelling wel gemotiveerd heeft betwist. De voorzieningenrechter zal gelet daarop uitgaan van de door [eiser] gestelde (arbeids)verhouding, waarin hij op vrijwillige basis onderwijs gaf en onderzoek deed. Dit strookt ook met het feit dat hij een RUG-account en toegangspas had, dat zijn naam in het rooster stond en dat hij - zoals de RUG zelf ter zitting naar voren heeft gebracht - als expert op de website van de RUG stond vermeld. Als [eiser] in 2021 de toegang tot het onderwijs zou zijn ontzegd zoals de RUG stelt, dan ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor de hand dat hij nog vier jaar lang op de aangegeven wijze bij de opleiding betrokken heeft kunnen zijn en daarover jaarlijks overleg met de programma-directeur heeft kunnen voeren, zoals door [eiser] onweersproken is gesteld.
Gelet op het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat het e-mailbericht van 1 december 2025 (impliciete) beschuldigingen aan het adres van [eiser] bevat en dat de gevolgen van dergelijke beschuldigingen voor [eiser] ernstig zijn, terwijl de feitelijke juistheid van de beschuldigingen niet is komen vast te staan. De aard en inhoud van de door de RUG genoemde klachten in 2025 is immers onbekend (behoudens de suggestie dat deze vergelijkbaar waren met in 2021 geuite klachten) en deze zijn niet onderzocht. Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien geeft het e-mailbericht naar het oordeel van de voorzieningenrechter een diffamerend en daarmee onrechtmatig karakter. Dit alles afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 6:167 BW rectificatie geboden is. De voorzieningenrechter acht een bevel tot rectificatie van de
e-mail van 1 december 2025 dan ook toewijsbaar.
De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding tot aanpassing van de tekst van de door [eiser] gevorderde rectificatie. Ten eerste omdat daarin wordt vermeld dat de RUG zou hebben bericht over grensoverschrijdend gedrag en sociale onveiligheid. Zoals ook ter zitting is besproken komen die termen in het e-mailbericht van 1 december 2025 niet voor. Ook acht de voorzieningenrechter het aan de RUG om de gang van zaken al dan niet te betreuren en kunnen dergelijke gevoelens niet door de voorzieningenrechter worden bepaald De voorzieningenrechter zal gelet daarop de tekst van de rectificatie als volgt vaststellen:
“Rectificatie
Op 1 december 2025 heeft de Rijksuniversiteit Groningen aan studenten van de
faculteit bericht dat de samenwerking met de heer [eiser] is beëindigd wegens geuite bezwaren met betrekking tot het professionele gedrag van de heer [eiser] .
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 september 2026 geoordeeld dat het bericht onrechtmatig was en dat de universiteit dit bericht niet had mogen sturen zonder voorafgaand hoor- en wederhoor en zonder onderzoek naar de juistheid van de beschuldigingen.”
Dwangsom
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan het bevel tot rectificatie een dwangsom te verbinden, gegeven de naar het oordeel van de voorzieningenrechter afwachtende en afwerende houding van de RUG in deze zaak, zoals ook gebleken ter zitting. Het onder IV. gevorderde acht de voorzieningenrechter in zoverre dan ook toewijsbaar. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als vermeld in het dictum.
Overige vorderingen
Het onder I. gevorderde ziet erop de RUG te bevelen om iedere mededeling waarin [eiser] in verband wordt gebracht met grensoverschrijdend gedrag en/of sociale onveiligheid, voor zover nog toegankelijk of reproduceerbaar, in te trekken en ingetrokken te houden. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat [eiser] op geen enkele wijze heeft toegelicht om welke mededelingen het dan zou gaan, zoals de RUG ook ter betwisting van deze vordering heeft aangevoerd. De voorzieningenrechter overweegt dat nu niet duidelijk is op welke mededeling(en) deze vordering van [eiser] ziet, de vordering dermate onbepaald is dat de voorzieningenrechter deze niet kan toewijzen. Daar komt nog bij dat ook niet is toegelicht dat en waarom [eiser] (nog) belang heeft bij deze vordering als het onder II. gevorderde bevel tot rectificatie wordt toegewezen. Het onder I. gevorderde zal dan ook worden afgewezen.
[eiser] vordert onder III. om de RUG te verbieden om hem jegens derden nog langer in verband te brengen met grensoverschrijdend gedrag en/of sociale onveiligheid, dan wel dergelijke kwalificaties als feitelijk vaststaand te presenteren, zonder dat daarvoor een deugdelijke feitelijke grondslag bestaat. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat [eiser] niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat de RUG voornemens is dergelijke uitlatingen te doen, hetgeen door de RUG is betwist. Ook staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet vast dat dergelijk handelen in alle gevallen onrechtmatig zal zijn. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het gevorderde verbod om [eiser] “in verband te brengen met” grensoverschrijdend gedrag en/of sociale onveiligheid dusdanig ruim is, dat het ook onmogelijk zou zijn eventuele daarop betrekking hebbende klachten te onderzoeken. De voorzieningenrechter zal deze vordering dan ook afwijzen.
Proceskosten
De RUG is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,75
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.863,75
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
beveelt de RUG om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan alle personen, zoals opgenomen in productie 11 bij de dagvaarding, per e-mail een rectificatie te sturen, onder gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de advocaat van [eiser] , met de navolgende tekst:
“Rectificatie
Op 1 december 2025 heeft de Rijksuniversiteit Groningen aan studenten van de
faculteit bericht dat de samenwerking met de heer [eiser] is beëindigd wegens geuite bezwaren met betrekking tot het professionele gedrag van de heer [eiser] .
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 september 2026 geoordeeld dat het bericht onrechtmatig was en dat de universiteit dit bericht niet had mogen sturen zonder voorafgaand hoor- en wederhoor en zonder onderzoek naar de juistheid van de beschuldigingen.”
veroordeelt de RUG om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
veroordeelt de RUG in de proceskosten van € 1.863,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de RUG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt de RUG tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. C.S. Huizinga op 9 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
964