RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [plaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Meppel, het college
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2858
en
(gemachtigde: D. Smit).
Inleiding en procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Verzoeker heeft op 5 augustus 2026 een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) aangevraagd.
Verzoeker heeft op 29 augustus 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om in deze procedure griffierecht te betalen.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit betekent dat naast het verzoek om voorlopige voorziening ook sprake moet zijn van een bezwaar- of beroepszaak (de hoofdzaak). Het ontbreken van connexiteit leidt tot een niet-ontvankelijk verzoek om voorlopige voorziening.
Desgevraagd heeft verzoeker in zijn email van 1 september 2026 bevestigd dat het college nog niet besloten heeft op zijn aanvraag. Zonder besluit ontbreekt de vereiste connexiteit. Dat eiser op 31 augustus 2026 een beroep niet tijdig beslissen heeft ingediend leidt niet tot een andere uitkomst, nu de beslistermijn op zijn aanvraag nog niet is verstreken.
Verzoeker stelt dat hij op 16 januari 2026 een Bbz-uitkering heeft aangevraagd. Het college heeft dit gemotiveerd betwist. Het college is onbekend met een aanvraag van die datum en plaatst vraagtekens bij de door verzoeker overgelegde ontvangstbevestiging. De voorzieningenrechter volgt het college en overweegt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 16 januari 2026 een Bbz-uitkering heeft aangevraagd.
3. Gelet op het bovenstaande is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: