ECLI:NL:RBNNE:2026:3947

ECLI:NL:RBNNE:2026:3947

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer K/4302/12279215
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Gefixeerde schadevergoeding en schadevergoeding wegens wanprestatie

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer / rekestnummer: 12279215 \ AR VERZ 26-61

Beschikking van 15 september 2026

in de zaak van

POUW RENT B.V.,

te Groningen,

verzoekende partij,

hierna te noemen: Pouw Rent,

gemachtigde: mr. E.W. Kingma,

tegen

[verweerder] ,

te [plaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. M. Seinen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 16,

- het verweerschrift, met producties 1 en 2,

- een aanvullende productie 3 van de zijde van [verweerder] ,

- de producties 3 en 4 van de zijde van Pouw Rent,

- de producties 5, 6 en 7 van de zijde van Pouw Rent,

- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026. Namens Pouw Rent is de heer [bestuurder] , bestuurder, tezamen met haar gemachtigde voornoemd, verschenen. [verweerder] is aldaar tezamen met zijn gemachtigde verschenen. De gemachtigden van beide partijen hebben de standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen en hun gemachtigden verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

Gelijktijdig is behandeld het door [verweerder] indiende verzoekschrift ex artikel 7:681 BW en het daarop door Pouw Rent gevoerde verweer. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder nummer 12281446\AR VERZ 26-62.

De beschikking is (in beide zaken) bepaald op vandaag.

2. De feiten

[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1996, is sinds 1 oktober 2017 in dienst bij Pouw Rent. De functie van [verweerder] is sinds 1 februari 2026 [functie 1] met een loon van € 3.350,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

Pouw Rent exploiteert een verhuurbedrijf voor zowel autoverhuur en shortlease voor de particuliere en zakelijke markt. De heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is [functie 2] van Pouw Rent.

Op 9 februari 2026 heeft mevrouw [naam 1] , medewerker van Pouw Rent, tijdens haar werkzaamheden een opvallende boeking in het systeem CarWise gevonden. Een Mercedes Sprinter stond geregistreerd als verhuurd en teruggebracht, maar er bleek geen factuur aanwezig te zijn. Bij controle van de kilometerstand bleek dat het voertuig gedurende de huurperiode niet had gereden. Naar aanleiding hiervan heeft Pouw Rent intern nader onderzoek laten verrichten. Uit het onderzoek is gebleken dat na de dagafsluiting in CarWise fictieve huurovereenkomsten, facturen en debiteuren waren aangemaakt, terwijl de verhuren in werkelijkheid nooit hadden plaatsgevonden en de betreffende huurauto’s ook geen kilometers hadden gemaakt. Daarnaast is gebleken dat waarborgbedragen via een batchbetaling naar verschillende rekeningnummers werden uitbetaald, terwijl deze bedragen niet vooraf waren voldaan.

Op zondag 15 februari 2026 heeft er op verzoek van [verweerder] bij [bestuurder] thuis een gesprek tussen hen plaatsgevonden. Tijdens het gesprek is gesproken over de onregelmatigheden in de administratie die door Pouw Rent waren ontdekt. [verweerder] ontkende betrokkenheid bij de fraude en gaf aan dat hij de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), voormalig aandeelhouder van Pouw Rent, verdacht van betrokkenheid. Verder gaf [verweerder] aan dat hij zijn rekening had gecheckt en dat er eenmalig een bedrag van € 750,00 vanuit Pouw Rent naar zijn spaarrekening was overgemaakt. [bestuurder] heeft [verweerder] verzocht om het geld terug te boeken.

Op 16 februari 2026 heeft [verweerder] aan [bestuurder] medegedeeld dat zijn telefoon waterschade had opgelopen en daarom kapot was.

Op 17 februari 2026 heeft [bestuurder] aangifte gedaan van computervredebreuk, oplichting, valsheid in geschrifte en gekwalificeerde diefstal. Op het moment van de aangifte waren 120 valse facturen geïdentificeerd. Daaraan gekoppeld zaten ongeveer 50 valse debiteuren en 10 tot 12 verschillende rekeningnummers uit zowel binnen- en buitenland. De hierbij behorende stukken heeft [bestuurder] aan de politie overhandigd.

Op 21 februari 2026 heeft [verweerder] een bedrag van € 2.250,00 aan Pouw Rent overgemaakt. Ter toelichting gaf [verweerder] aan dat er niet eenmalig maar driemaal een bedrag op zijn rekening was gestort.

Bij e-mailbericht van 17 april 2026 heeft de heer [naam 3] van de politie een terugkoppeling gegeven over de stand van het onderzoek. In de e-mail staat onder meer:

Onderzoek logbestanden

In de door jullie aangeleverde logbestanden van 8, 9 en 10 februari valt mij een sessie op en komt overeen met het datum/tijdstip waarop de valse overeenkomsten zijn gemaakt:

Op zondag 08-02-2026 vanaf 18:51:57 vanaf IP-adres [nummer] , wellicht kunnen jullie dit IP-adres zelf duiden door nader intern onderzoek (2FA, recente Inlogpogingen etc.).

Wij doen hier uiteraard ook nader onderzoek naar, vanuit het strafrechtelijke onderzoek. Van de overige momenten van het opstellen van valse overeenkomsten zijn geen logbestanden, dus deze kunnen wij ook niet onderzoeken.

Uitbetalingen

In de door jullie aangeleverde overeenkomsten en facturen zien wij ook de (in de aangifte) bekende uitbetaling op de spaarrekening van medewerker [verweerder] :

“-Er is op 26 januari een overboeking gedaan naar de spaarrekening van [verweerder] , die dit volledig uit zichzelf bij ons heeft gemeld afgelopen zondag. Hij geeft aan dit niet te hebben uitgevoerd. Wij kunnen deze transactie niet vinden, hij geeft zelf aan dat het op zijn Raborekening is uitbetaald maar heeft dit rekeningnummer niet.”

Jullie waren zelf recent al tot de ontdekking gekomen dat dit meer dan één keer is gebeurd, volgens ons vier (4) keer als we de door jullie aangeleverde documenten nader bekijken.”

Op 21 april 2026 heeft [bestuurder] [verweerder] op kantoor gehoord. Tijdens het gesprek heeft [bestuurder] [verweerder] geconfronteerd met de bevindingen van de politie. Vervolgens heeft hij [verweerder] op staande voet ontslagen.

De gemachtigde van Pouw Rent heeft het ontslag op staande voet in een brief gedateerd 22 april 2026 aan [verweerder] bevestigd. In de brief staat onder meer:

“U bent als medewerker van cliënte betrokken geweest bij handelingen waarbij valse transacties zijn gecreëerd teneinde te bewerkstellingen dat gelden zijn overgemaakt naar rekeningen van anderen zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat. U bent betrokken geweest bij het creëren van de fictieve huurovereenkomsten. Er is immers gebruik gemaakt van uw IP-adres terwijl u ook bekendheid had met de wijze van administratie van cliënte. Dit heeft ertoe geleid dat u in ieder geval in vier gevallen ook gelden op uw rekening hebt ontvangen terwijl u wist dat deze gelden afkomstig waren van criminele activiteiten, althans niet aan u toebehoorden. U hebt in ieder geval een handelswijze vertoond waardoor u het vertrouwen van mijn cliënte onwaardig bent geworden. Cliënte mag van haar werknemers verwachten dat deze zorgvuldig omgaan met bedrijfseigendom-men van de werkgever. Cliënte heeft als gevolg van de hiervoor omschreven frauduleuze handelswijze ruim € 80.000,- schade geleden. U bent hierbij betrokken geweest, onder andere doordat vanuit uw IP-adres is ingelogd in onze administratie, althans pogingen daartoe zijn gedaan. Daarnaast kan ook worden vastgesteld dat er tot viermaal toe bedragen op uw rekeningen zijn overgemaakt. Daarmee hebt u duidelijk laten zien dat u de geschiktheid mist voor de arbeid waartoe u zich verbonden heeft. U heeft grovelijk de plichten veronachtzaamd die de arbeidsovereenkomst u oplegt.”

Op 26 mei 2026 heeft [verweerder] een bedrag van € 750,00 op de rekening van Pouw Rent gestort.

Bij brief van 27 mei 2026 heeft de gemachtigde van [verweerder] het standpunt ingenomen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en geen stand zal houden.

In een proces-verbaal van aanvullend verhoor van 19 juni 2026 van aangever [bestuurder] is onder meer het volgende opgenomen:

“V: [naam 4] verklaarde dat als hij vrienden had die een auto contant wilde betalen, dat hij ze dan naar [naam 5] , [verweerder] of jouw stuurde voor het huren van een voertuig? Worden veel voertuigen gehuurd binnen Pouw Rent B.V. met contant geld?

A: Nee, niet. Je mag mijn administratie openen, ik ben zo blij dat ik van dit soort 'klanten' af ben. De zoon van [naam 6] heeft heel lang in een auto van ons rondgereden, dat klopt.

(…)

V: Verder verklaarde [naam 6] dat hij destijds door [verweerder] benaderd werd met de vraag of hij rekeningnummers kon aandragen aan [verweerder] . Dit zou in overleg met jou zijn geweest. Hij zou contant geld binnen moeten halen en [verweerder] zou er dan voor zorgen dat de gelden teruggestort werden in de vorm van borg op hun rekeningnummer. Zegt dit jou iets?

A: Nee tuurlijk niet.

(…)

Kort samengevat verklaart [naam 7] het volgende:

- Hij kent [verweerder] binnen Pouw Rent B.V. en zijn baas [naam 8]

- Hij had een schuld bij [verweerder] van 30.000 - 40.000 euro omdat hij een auto totalloss gereden heeft en wel eens geld van [verweerder] had geleend.

- Hij dacht dat [verweerder] of Pouw Rent B.V. contant geld nodig had

- Hij verklaart dat de uitbetalingen op zijn bankrekeningen contant naar [verweerder] zijn

overgedragen om zijn schuld af te betalen.

(…)

V: Zijn er nog vragen? Ook evt. vanuit de advocaat?

Antwoord advocaat: Wij delen het verweer van de advocaat van [verweerder] , daarin benoemen zij dat [naam 5] [naam 2] hierachter zou kunnen zitten. Hebben jullie dit meegenomen in het onderzoek?

O: Wij nemen dit mee in het onderzoek, wij hebben tot nu toe uit alle verklaringen geen aanleiding om [naam 5] [naam 2] als verdachte aan te merken in ons onderzoek. Wij ronden het einddossier vermoedelijk deze zomer af en dragen het over aan het openbaar ministerie.”

Op 9 juli 2026 is [verweerder] voor het laatst door de politie gehoord.

Het politieonderzoek loopt nog.

3. Het verzoek en het verweer

Pouw Rent verzoekt de kantonrechter [verweerder] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding op de voet van artikel 7:677 lid 2 jo. lid 3 BW van € 4.769,18 bruto, te vermeerderden met de wettelijke rente, vanaf 21 april 2026 tot en met het tijdstip van betaling. Aan dit verzoek legt Pouw Rent ten grondslag – kort gezegd – dat [verweerder] op terechte gronden op staande voet is ontslagen. Omdat Pouw genoodzaakt was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, vordert zij in deze procedure een vergoeding die gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Pouw Rent heeft met de vergoeding reeds verrekend het nog niet aan [verweerder] betaalde salaris over de periode 1 t/m 21 april van € 2.284,09 bruto en een groot gedeelte van de eindafrekening van € 2.994,97 bruto. Het resterende gedeelte van de eindafrekening (€ 509,88) wordt verrekend met de schade die Pouw heeft geleden door toedoen van [verweerder] .

Met inachtneming van artikel 7:686a lid 3 BW vordert Pouw Rent in deze procedure tevens schadevergoeding op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad. Pouw Rent stelt dat de schade die zij heeft geleden doordat [verweerder] frauduleuze handelingen heeft gepleegd door hem dient te worden vergoed. De hoogte van deze schade is met de wetenschap van nu vastgesteld op een bedrag van € 86.962,73, maar Pouw Rent sluit niet uit dat de schade uiteindelijk nog hoger blijkt te zijn. Pouw vordert voornoemd schadebedrag geheel en al in deze procedure terug.

Voorts verzoekt Pouw Rent om [verweerder] te veroordelen betaling aan haar van de integrale advocaatkosten, welke tot op 16 juni 2026 worden begroot op € 6.500,- exclusief BTW, en in de kosten van het geding (de nakosten daaronder begrepen).

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [verweerder] voert aan – samengevat – dat geen rechtsgeldige opzegging ex artikel 7:677 BW heeft plaatsgevonden, waardoor Pouw Rent ook geen recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding. Verder betwist [verweerder] dat er sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst dan wel onrechtmatig handelen. Hij is niet betrokken geweest bij handelingen waarbij valse transacties zijn gecreëerd teneinde te bewerkstelligen dan gelden zijn overgemaakt naar rekeningen van anderen zonder deugdelijke grond. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat wel sprake is van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad dan merkt [verweerder] op dat Pouw Rent heeft nagelaten te bewijzen dat de schade door [verweerder] is veroorzaakt. Daarnaast voert [verweerder] verweer tegen de hoogte van de gevorderde schade.

Voor zover van belang zal bij de beoordeling nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

4. De beoordeling

De gefixeerde schadevergoeding

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of [verweerder] gehouden is om aan Pouw Rent een gefixeerde schadevergoeding te voldoen. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is. Dat wordt als volgt toegelicht.

Op grond van artikel 7:677 lid 2 BW is de werknemer die door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven aan de werkgever om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, op het moment dat werkgever van die bevoegdheid ook gebruik heeft gemaakt, een vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding is op grond van lid 3 onder a van datzelfde artikel gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging door de partij die reden gaf voor het ontslag had behoren voort te duren.

In de beschikking van de kantonrechter van dezelfde datum in de zaak met nummer 12281446\AR VERZ 26-62 is geoordeeld dat het door Pouw Rent aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen, kort gezegd dat er valse transacties zijn gecreëerd teneinde te bewerkstellingen dat gelden zijn overgemaakt naar rekeningen van anderen zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat, vormen de dringende redenen voor een ontslag op staande voet. Het ontslag is ook onverwijld gegeven en de dringende redenen zijn onverwijld meegedeeld. Hierom is [verweerder] op grond van artikel 7:677 lid 2 in verbinding met lid 3 onderdeel a BW de gevorderde gefixeerde schadevergoeding verschuldigd.

Tegen de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding heeft [verweerder] geen verweer gevoerd. Indien [verweerder] zelf de arbeidsovereenkomst zou hebben opgezegd, zou de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van een maand opzegtermijn en tegen het einde van de maand, zijn geëindigd op 1 juni 2026. Pouw Rent heeft een gefixeerde schadevergoeding gevorderd van € 4.769,18, zijnde het salaris inclusief vakantietoeslag over de periode 21 april 2026 tot 1 juni 2026. Het verzoek zal dus worden toegewezen.

Schadevergoeding wegens wanprestatie en/of onrechtmatige daad

Pouw Rent heeft een met het ontslag verband houdend verzoek ingesteld op de voet van artikel 7:686a lid 3 BW en de kantonrechter verzocht om [verweerder] te veroordelen tot betaling van vermogensschade, zijnde een schadevergoeding van € 86.962,73. Pouw Rent maakt aanspraak op verschillende schadeposten, omdat [verweerder] volgens haar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst (artikel 6:74 BW) en/of onrechtmatig jegens Pouw Rent heeft gehandeld (artikel 6:162 BW) nu de door [verweerder] gepleegde fraude een gedraging vormt die in strijd is met goed werknemerschap. Met het voorgaande staat de aansprakelijkheid die zij lijdt ten gevolge van de overboeking vast, aldus Pouw Rent.

Allereerst maakt Pouw Rent aanspraak op een schadevergoeding van € 78.552,73, bestaande uit € 70.250,07 aan frauduleus uitgekeerde waarborggelden, een bedrag van € 6.861,79 aan niet ontvangen omzet en een bedrag van € 1.440,87 aan niet ontvangen btw. Ter toelichting heeft Pouw Rent, onder verwijzing naar een Exceloverzicht, gesteld dat er in totaal 116 frauduleuze overeenkomsten en facturen zijn aangemaakt. Aan deze overeenkomsten waren borgbetalingen gekoppeld die door klanten niet werden voldaan en via de geautomatiseerd aangemaakte betaalbatch werden uitbetaald.

[verweerder] betwist de verschuldigdheid en de hoogte van dit bedrag.

De kantonrechter heeft, zoals hiervoor is overwogen, in de zaak met nummer 12281446\AR VERZ 26-62 geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.

Het ontslag is gebaseerd op de betrokkenheid van [verweerder] bij handelingen waarbij valse transacties zijn gecreëerd teneinde te bewerkstelligen dat gelden zijn overgemaakt naar rekeningen van anderen zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat. Pouw Rent heeft geconstateerd, en dit ook uit het politieonderzoek is gebleken, dat er op zondagavond 8 februari 2026 in het CarWise-systeem fictieve huurovereenkomsten en facturen zijn aangemaakt en dat daarvoor gebruik is gemaakt van het IP-adres dat is gekoppeld aan het adres van [verweerder] . De kantonrechter is van oordeel dat Pouw Rent voldoende heeft aangetoond dat [verweerder] zijn kennis en kunde, opgedaan tijdens het dienstverband bij Pouw Rent, heeft gebruikt om op 8 februari 2026 de genoemde handelingen te verrichten. Dit brengt mee dat [verweerder] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:661 BW leidt dit pas tot aansprakelijkheid voor de door [verweerder] geleden schade indien er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Daarvoor is ook voldoende aanleiding.

[verweerder] is gehouden de schade die Pouw Rent als gevolg van zijn handelen aan Pouw Rent te vergoeden, indien de tekortkoming hem kan worden toegerekend. Aan de hand van de handelingen die op zondagavond 8 februari 2026 zijn gepleegd (en de waarborgsommen die aan hem zijn voldaan), is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. In elk geval zijn deze valse transacties te herleiden naar het handelen van [verweerder] . Of en in hoeverre de overige door Pouw Rent genoemde transacties zijn te herleiden naar gedragingen en of het handelen van [verweerder] staat naar het oordeel van de kantonrechter nog niet voldoende vast. Het politieonderzoek heeft daarover nog geen uitsluitsel gegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter staan daarom alleen de handelingen die op 8 februari 2026 zijn gepleegd in voldoende nauw verband met het ontslag van [verweerder] , zodat [verweerder] deze schade aan Pouw Rent dient te vergoeden. Het gaat daarbij, zoals blijkt uit het door Pouw Rent overgelegde overzicht, om de huurovereenkomsten en facturen met nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Dit komt neer op 9 x een bedrag van € 750,00 ex btw = € 6.750,00 ex btw. Voor toewijzing van de niet ontvangen omzet en btw over dit bedrag ziet de kantonrechter geen aanleiding. Gelet op het voorgaande zal een bedrag aan schadevergoeding van € 6.750,00 worden toegewezen.

Anders dan [verweerder] ziet de kantonrechter geen reden om het bedrag van € 3.000,00 op de vordering in mindering te brengen. Dit betreft het bedrag dat ten onrechte op de rekening van [verweerder] is gestort en vervolgens is terugbetaald maar staat los van de valse transacties op 8 februari 2026.

Over het toe te wijzen bedrag zal de wettelijke rente, zoals verzocht, worden toegewezen vanaf 21 april 2026 tot en met het tijdstip van betaling.

Kosten ter vaststelling van de (omvang van de) schade en aansprakelijkheid

Pouw Rent maakt daarnaast aanspraak op de redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Zij heeft kosten gemaakt in verband met het onderzoek naar de omvang van de schade; zij heeft daarvoor externe en interne onderzoekskosten gemaakt. De kosten bedragen € 8.410,00. Pouw Rent maakt aanspraak op betaling van dit bedrag.

[verweerder] vindt dat de kosten van Pouw Rent moeten worden afgewezen, onder meer omdat het door hem gemaakte overzicht aantoonbaar onjuist is.

Pouw Rent verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 8.441,00 exclusief btw aan gemaakte onderzoekskosten. Die kosten komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking indien er sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW). Het bepaalde in artikel 6:96 BW vereist een dubbele redelijkheidstoets. De kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang van de kosten moet redelijk zijn.

De kantonrechter is van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden redelijk is geweest dat Pouw Rent deze onderzoekskosten heeft gemaakt. Uit het onderzoek volgde immers de bevestiging dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband valse transacties heeft aangemaakt. De door Pouw Rent gemaakte onderzoekskosten dienen dan ook in beginsel door [verweerder] te worden betaald. Met [verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat Pouw Rent de gestelde onderzoekskosten evenwel niet voldoende heeft onderbouwd doordat zij enkel een opsomming van uren heeft gemaakt, maar geen facturen zijn overgelegd van de gemaakte (externe) kosten. Dat Pouw Rent veel tijd en energie heeft besteed aan het onderzoek van de valse transacties staat voor de kantonrechter evenwel wel vast. Naar het oordeel van de kantonrechter staan de totale kosten voor het onderzoek niet in verhouding met het toewijsbare deel van de schadevordering. Nu slechts een beperkt deel van de schadevordering toewijsbaar is, namelijk € 6.750,00, is de kantonrechter van oordeel dat de gemaakte kosten in redelijkheid niet in zijn geheel aan [verweerder] kunnen worden toegerekend.

Gelet op het feit dat van de ingestelde schadevordering ad € 78.552,73 slechts een bedrag ad € 6.750,00 toewijsbaar is, zijnde 8,5%, zal in dezelfde verhouding een bedrag ad € 717,49 aan onderzoekskosten worden toegewezen (8,5% van € 8.441,00). Dat deel van de onderzoekskosten kan naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid aan [verweerder] worden toegerekend.

Het bedrag is dan ook tot een bedrag van € 717,49 toewijsbaar. Over het toe te wijzen bedrag zal de wettelijke rente, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf 21 april 2026 tot en met het tijdstip van betaling.

Advocaatkosten

Tot slot heeft Pouw Rent verzocht om [verweerder] integraal te veroordelen in de advocaatkosten die zij als gevolg van de gebeurtenissen heeft moeten maken. [verweerder] heeft de verschuldigdheid van de kosten betwist.

Voor de onderhavige procedure komt een vordering tot schade in de vorm van de werkelijk gemaakte (advocaat)kosten slechts voor toewijzing in aanmerking indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. Pouw Rent heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat daarvan sprake is. Het stond [verweerder] vrij om tegen de vorderingen van Pouw Rent verweer te voeren zoals hij in deze procedure heeft gedaan. Er is dan ook geen reden om [verweerder] te veroordelen in de werkelijk gemaakte advocaatkosten van Pouw Rent. Deze kosten liggen dan ook voor afwijzing gereed.

De proceskosten

De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Pouw Rent worden begroot op € 2.225,00 (€ 1.504,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Pouw Rent van de gefixeerde schadevergoeding van € 4.769,18 bruto te vermeerderden met de wettelijke rente, vanaf 21 april 2026 tot en met het tijdstip van betaling;

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Pouw Rent van een schadevergoeding van € 7.467,49, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 2.225,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

552

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand