uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoekster,
en
het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche A, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond/kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond/kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoekster heeft daarbij onder meer haar bijstandsspecificatie over de uitkeringsperiode 1 juli 2026 tot en met 31 juli 2026 meegezonden. De voorzieningenrechter leest in de door verzoekster ingediende ‘Aanvullende verklaring ten behoeve van het lopende spoeddossier’ dat zij bezwaar maakt tegen de bijstandsspecificaties vanaf 2003. De voorzieningenrechter merkt de door verzoekster overgelegde specificatie van juli 2026 aan als een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt en connex is aan het door verzoekster ingediende verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft bij brief van 18 augustus 2026 aangegeven dat er bij het Werkplein Drensche A geen (lopende) bodemprocedure bekend is. De voorzieningenrechter draagt verweerder op om het bezwaar van verzoekster tegen de uitkeringsspecificatie over de uitkeringsperiode 1 juli 2026 tot en met 31 juli 2026 als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
3. Verzoekster stelt een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening, onder meer omdat bij de uitkering geen rekening wordt gehouden met de medische status en de fysiologische overmacht.
4. Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is voor het treffen van een voorlopige voorziening slechts plaats indien sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang maakt dat het voor betrokkene onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing in de hoofdzaak – in dit geval het bezwaar – te moeten afwachten.
5. Nu verzoekster een bijstandsuitkering ontvangt, is de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
6. De voorzieningenrechter komt op grond van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Het verzoek is daarom in zoverre kennelijk ongegrond.
7. De voorzieningenrechter leest niet dat het verzoek samenhangt met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure tegen verweerder over bijzondere bijstand of zaken tegen DUO. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek, voor zover het is gericht tegen andere besluiten van verweerder en besluiten van DUO, kennelijk niet-ontvankelijk verklaart.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is kennelijk ongegrond voor zover dat samenhangt met het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie over juli 2026. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen besluiten van verweerder met betrekking tot aanvragen voor bijzondere bijstand. Het verzoek is eveneens kennelijk niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen besluiten van DUO. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- draagt verweerder op om het bezwaar van verzoekster tegen de uitkeringsspecificatie over
de uitkeringsperiode van 1 juli 2026 tot en met 31 juli 2026 als bezwaarschrift in
behandeling te nemen:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af voor zover dat samenhangt met het
bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie over juli 2026;
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige kennelijk
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: