ECLI:NL:RBNNE:2026:3990

ECLI:NL:RBNNE:2026:3990

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 11989173 CV EXPL 26-4948
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Tussenvonnis. Eiser is een periode werkzaam geweest via een v.o.f.. Tussen partijen is sprake van een arbeidsrelatie en geen overeenkomst van opdracht. De rechter stelt een billijk bruto loon vast. Om tot een goede verdere beoordeling te komen van de loonvordering in conventie en de vordering tot terugbetaling van betaalde bedragen in reconventie dienen partijen nadere stukken te overleggen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: 11989173 \ CV EXPL 25-4948

Tussenvonnis van 8 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats],

eisende partij in conventie, verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. D. Eggen,

tegen

1. SALONHUB B.V.,

te Zuidlaren,2. SIGHTS B.V.,

te Zuidlaren,

gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna samen te noemen Salonhub c.s. (vrouwelijk enkelvoud) en ieder afzonderlijk respectievelijk Salonhub en Sights,

gemachtigde: mr. D. Lacevic,

1. Waar gaat deze zaak over

[eiser] heeft gedurende vier jaar werkzaamheden verricht voor Salonhub c.s. In de periode 2020-2024 heeft Salonhub c.s. hiervoor maandelijks een vast bedrag aan een V.O.F. betaald, die vlak voor de werkzaamheden is opgericht en waarvan [eiser] vennoot was. In 2024 heeft [eiser] voor zijn werkzaamheden vanuit zijn eenmanszaak facturen aan Salonhub c.s. gestuurd. [eiser] is van mening dat sprake was van een arbeidsrelatie en vordert achterstallig salaris, vakantietoeslag en vakantiedagen. Salonhub c.s. is het hier niet mee eens. De kantonrechter oordeelt op basis van de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest dat sprake was van een arbeidsrelatie. Deze herkwalificatie leidt vervolgens, omdat geen loon was vastgesteld, tot het vaststellen van een gebruikelijk loon en bij gebreke daarvan tot een billijke vaststelling van het loon op grond van artikel 7:618 BW. De kantonrechter oordeelt dat sprake was van een dienstverband van 40 uur. Salonhub c.s. vordert in reconventie terugbetaling van teveel betaalde bedragen. De kantonrechter draagt partijen op grond van artikel 22 Rv op om nadere informatie te verstrekken over de bedragen die door [eiser] zijn ontvangen en, op grond van de uitgangspunten uit dit vonnis, een berekening te maken van het bruto achterstallig salaris, danwel het teveel betaalde bedrag.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van 21 november 2025;- de conclusie van antwoord in conventie alsmede voorwaardelijke eis in reconventie, op de rol van 20 januari 2026;- de brief van 19 februari 2026 van de griffie waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie met producties 31 tot en met 38;

- de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;

- de pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling aan de zijde van [eiser].

Ten slotte is vonnis (nader) bepaald op vandaag.

3. De feiten

Salonhub houdt zich volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel bezig met het ontwerpen van computerprogramma’s en met de ontwikkeling en het in gebruik geven van software en diensten op het gebied van internetdesign voor de kappersbranche.

De bestuurders van Salonhub zijn Sights en [naam 1] (hierna: [naam 1]). Sights is een financiële holding waarvan [naam 2] en [naam 1] de [functie] zijn.

Sights en [naam 1] waren tot 29 maart 2024 ook de [functie] van de besloten vennootschap Salonlab B.V. Conform het uittreksel van de Kamer van Koophandel is Salonlab B.V. een organisatie- en adviesbureau voor de kappersbranche.

Op 1 juli 2020 hebben [naam 3] (hierna: [naam 3]) (vennoot sub 1) en [eiser] (vennoot sub 2) een contract met elkaar gesloten. In dit door beide partijen ondertekende contract staat opgenomen dat [naam 3] en [eiser] met ingang van 1 juli 2020 met elkaar een vennootschap onder firma zijn aangegaan, teneinde voor gezamenlijke rekening en onder gemeenschappelijke naam een adviesbureau uit te oefenen. Verder staat in voornoemd contract, voor zover van belang, opgenomen:

“(…) Artikel 9: Berekening winst en verdeling

(…)

Lid 4: Aan vennoot Sub 1 wordt een arbeidsvergoeding van € 250 per maand toegekend, Aan vennoot Sub 2 wordt een arbeidsvergoeding van € 2.500 per maand toegekend voor 38 uren direct werk. Indien deze directe uren wijzigen zal de arbeidsvergoeding aangepast worden. De nettowinst wordt met de totale arbeidsvergoeding verlaagd teneinde de overwinst vast te stellen. Deze overwinst zal volgens de verhouding 50/50 worden berekend en verdeeld. (…)”

De vennootschap onder firma [eiser] en [naam 3] V.O.F. (hierna: de V.O.F.) is op 1 juli 2020 ingeschreven in de Kamer van Koophandel met als vennoten [naam 3] en [eiser]. De handelsnamen van de V.O.F. zijn [eiser] en [naam 3] V.O.F. en Salonlab.

Vervolgens heeft Sights een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de V.O.F. In deze samenwerkingsovereenkomst staat opgenomen dat Sights rechtsgeldig eigenaar is van Salonlab en Salonhub en de enige rechtsgeldige eigenaar is van de handelsnaam en huisstijl van Salonlab. Tevens staat in voornoemde samenwerkingsovereenkomst genoemd dat de V.O.F. de handelsnaam Salonlab en huisstijl mag gebruiken voor het uitvoeren van web- en overige dienstverlening in de kappersbranche, voor zolang als de overeenkomst voortduurt.

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1991, heeft in de periode september 2020 tot en met juli 2024 voor Salonhub dan wel Sights werkzaamheden verricht.

[eiser] heeft voor zijn werkzaamheden maandelijks een vergoeding ontvangen. Salonhub betaalde maandelijks een bedrag aan de V.O.F. en vervolgens kreeg [eiser] vanuit de V.O.F. maandelijks een bedrag uitbetaald.

Per 1 januari 2024 is de V.O.F. ontbonden. [eiser] heeft zijn werkzaamheden voor Salonhub met ingang van 1 januari 2024 voortgezet en hiervoor facturen gestuurd.

Op 26 februari 2024 heeft [naam 1] [eiser] per e-mail bericht dat op een werkdag van 9-17 minimaal 1,5 uur als pauzetijd geldt.

Op 22 juli 2024 heeft [eiser] aangekondigd te willen vertrekken bij Salonhub/Sights en op 26 juli 2024 is [eiser] daadwerkelijk vertrokken.

Op 31 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief gestuurd naar Sights t.a.v. [naam 1]. In deze brief heeft de gemachtigde van [eiser] vermeld dat de arbeidsrelatie tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. [eiser] vordert onder andere betaling van achterstallig salaris, vakantietoeslag en vakantiedagen.

Op 13 augustus 2025 heeft de gemachtigde van Salonhub c.s. op de brief van 31 juli 2025 gereageerd en de vorderingen van [eiser] niet erkend.

4. Het geschil

in conventie

[eiser] vordert dat de kantonrechter, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. Voor recht zal verklaren dat:

de overeenkomst tussen Salonhub en [eiser], lopende vanaf september 2020 tot en met juli 2024, althans een gedeelte daarvan, te kwalificeren is als een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW;

het bruto maandloon uit deze arbeidsovereenkomst met ingang van september 2020 een bedrag ter hoogte van € 3.826,00 bruto bedroeg, met ingang van januari 2021 een bedrag ter hoogte van € 3.945,00 bruto bedroeg, met ingang van januari 2022 een bedrag ter hoogte van € 4.334,00 bruto bedroeg, met ingang van 1 januari 2023 een bedrag ter hoogte van € 4.498,00 bruto bedroeg en met ingang van januari 2024 een bedrag ter hoogte van € 6.022,00 bruto bedroeg, althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedragen;

II. Salonhub zal veroordelen:

alsnog aangifte te doen bij de Belastingdienst voor het door haar aan [eiser] verschuldigde loon over de periode september 2020 tot augustus 2024, voor ieder jaar en aangiftetijdvak separaat, overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde maandloon over voornoemde periode, binnen vier weken na vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke Salonhub nalaat aan de veroordeling te voldoen;

tot het betalen van een achterstallig salaris aan [eiser] ter hoogte van € 53.502,72 voor de periode vanaf september 2020 tot en met december 2023 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van iedere salaristermijn, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

tot het betalen aan [eiser] van het salaris en vakantietoeslag over de opgebouwde maar niet genoten verlofdagen vanaf 1 september 2020, te weten een bedrag van € 17.232,40 bruto dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

tot het betalen aan [eiser] van de opgebouwde vakantietoeslag vanaf 1 september 2020, te weten een bedrag van € 16.861,56 bruto dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

tot het overleggen van deugdelijke bruto-netto specificaties van het door haar aan [eiser] verschuldigde loon over de periode september 2020 tot augustus 2024, voor ieder jaar en aangiftetijdvak separaat, overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde maandloon over voornoemde periode, binnen vier weken na vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke Salonhub nalaat aan de veroordeling te voldoen;

tot het overleggen van deugdelijke jaaropgaven van het door haar aan [eiser]

verschuldigde loon over de jaren 2020 tot en met 2024, voor iedere jaar separaat, binnen vier weken na vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke Salonhub nalaat aan de veroordeling te voldoen.

Subsidiair

III. Voor recht zal verklaren dat:

de overeenkomst tussen Sights en [eiser], lopende vanaf september 2020 tot en met juli 2024, althans een gedeelte daarvan, te kwalificeren is als een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW;

het bruto maandloon uit deze arbeidsovereenkomst met ingang van september 2020 een bedrag ter hoogte van € 3.826,00 bruto bedroeg, met ingang van januari 2021 een bedrag ter hoogte van € 3.945,00 bruto bedroeg, met ingang van januari 2022 een bedrag ter hoogte van € 4.334,00 bruto bedroeg, met ingang van 1 januari 2023 een bedrag ter hoogte van € 4.498,00 bruto bedroeg en met ingang van januari 2024 een bedrag ter hoogte van € 6.022,00 bruto bedroeg, althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedragen;

IV. Sights zal veroordelen:

alsnog aangifte te doen bij de Belastingdienst voor het door haar aan [eiser] verschuldigde loon over de periode september 2020 tot augustus 2024, voor ieder jaar en aangiftetijdvak separaat, overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde maandloon over voornoemde periode, binnen vier weken na vonnis, zulks op strafte van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke Sights nalaat aan de veroordeling te voldoen;

tot het betalen van een achterstallig salaris aan [eiser] ter hoogte van € 53.502,72 voor de periode vanaf september 2020 tot en met december 2023 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van iedere salaristermijn, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

tot het betalen aan [eiser] van het salaris en vakantietoeslag over de opgebouwde maar niet genoten verlofdagen vanaf 1 september 2020, te weten een bedrag van € 17.232,40 bruto dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

tot het betalen aan [eiser] van de opgebouwde vakantietoeslag vanaf 1 september 2020, te weten een bedrag van € 16.861,56 bruto dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

tot het overleggen van deugdelijke bruto-netto specificaties van het door haar aan [eiser] verschuldigde loon over de periode september 2020 tot augustus 2024, voor iedere maand separaat, overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde maandloon over voornoemde periode, binnen vier weken na vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke Sights nalaat aan de veroordeling te voldoen;

tot het overleggen van deugdelijke jaaropgaven van het door haar aan [eiser] verschuldigde loon over de jaren 2020 tot en met 2024, voor iedere jaar separaat, binnen vier weken na vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke Sights nalaat aan de veroordeling te voldoen;

Primair en Subsidiair

V. Salonhub en Sights te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de

gemachtigde daaronder begrepen, en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente

over het bedrag van de proceskostenveroordeling, te rekenen vanaf veertien (14) dagen na het in dezen te wijzen vonnis.

Salonhub en Sights voeren verweer. Salonhub en Sights concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de proceskostenveroordeling, te rekenen vanaf veertien (14) dagen na het vonnis.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

Salonhub c.s. vordert dat de kantonrechter, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eiser] zal veroordelen tot betaling van gefixeerde schadevergoeding gelijk aan het gebruikelijk loon zijnde € 2.425,00 danwel ander bedrag aan gebruikelijk loon dat uw rechtbank naar billijkheid heeft mogen vaststellen;

II. [eiser] zal veroordelen tot betaling van te veel ontvangen loon zijnde € 148.087,00 dan wel € 74.206,00 dan wel een bedrag dat uw rechtbank naar billijkheid heeft mogen vaststellen;

III. [eiser] zal veroordelen tot de aangifte tot correctie van zijn persoonlijke belastingaangifte voor het door [eiser] verschuldigde inkomstenbelasting over de periode september 2020 tot augustus 2024, voor ieder jaar en aangiftetijdvak separaat, overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde maandloon over voornoemde periode, binnen 14 dagen na vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke [eiser] nalaat aan de veroordeling te voldoen;

IV. [eiser] zal veroordelen tot de afgifte van de documenten afkomstig van de Belastingdienst waaruit de persoonlijke belastingaangifte van [eiser] kan worden vastgesteld over de periode september 2020 tot augustus 2024 binnen 14 dagen na vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, voor iedere dag gedurende welke [eiser] nalaat aan de veroordeling te voldoen;

V. [eiser] zal veroordelen tot betaling van te veel ontvangen reiskostenvergoeding zijnde € 7.718,00;

VI. [eiser] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de proceskostenveroordeling, te rekenen vanaf veertien (14) dagen na het in dezen te wijzen vonnis.

[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Salonhub c.s. – met uitzondering van (indien nodig) de inzage in de belastingaangiften - met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Salonhub c.s. in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Voor de beoordeling van de vorderingen in conventie en (voorwaardelijke) moet allereerst worden beoordeeld of sprake was van een arbeidsrelatie tussen [eiser] en Salonhub c.s. De kantonrechter komt op grond van het volgende tot het oordeel dat dit het geval is.

Kwalificatie overeenkomst

In artikel 7:610a Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat hij, die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst. Aan deze vereisten is hier voldaan. Uitgangspunt is dan ook dat [eiser] vermoed wordt de werkzaamheden te hebben verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. Dat vermoeden kan door Salonhub c.s. worden weerlegd.

Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.

Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. De Hoge Raad geeft in zijn arrest van 24 maart 2023 (Deliveroo) onder meer de volgende negen (niet limitatieve) gezichtspunten die van belang kunnen zijn:

(1) de aard en duur van de werkzaamheden;

(2) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;

(3) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;

(4) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;

(5) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is

gekomen;

(6) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;

(7) de hoogte van deze beloningen;

(8) en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.

(9) Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

In het arrest van 21 februari 2025 heeft de Hoge Raad bepaald dat tussen voornoemde omstandigheden geen rangorde geldt.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] vanaf september 2020 tot en met juli 2024 werkzaamheden heeft verricht voor Salonhub dan wel Sights. Die werkzaamheden heeft [eiser] in de periode september 2020 tot en met december 2023 verricht vanuit de V.O.F. en vanaf januari 2024 tot en met juli 2024 vanuit zijn eenmanszaak. Salonhub c.s. en [eiser] hebben geen schriftelijke overeenkomst gesloten waarin concreet is bepaald hoe de uitvoering van de werkzaamheden van [eiser] eruit komt te zien en de daartegenover staande beloning. Er ligt enkel een samenwerkingsovereenkomst tussen enerzijds Sigths B.V., rechtsgeldig eigenaar van Salonlab B.V. en Salonhub B.V. en anderzijds [eiser] en [naam 3] V.O.F. waarin staat dat de V.O.F. de toestemming heeft de handelsnaam en huisstijl van Salonlab B.V. te gebruiken voor het uitvoeren van web en overige dienstverlening in de kappersbranche, voor zolang als de relatie voortduurt. Van nadere schriftelijke afspraken tussen partijen is niet gebleken. In het contract dat [eiser] en [naam 3] met elkaar hebben gesloten met betrekking tot de oprichting van de V.O.F. staat wel het een en ander opgenomen over de uitvoering van werkzaamheden en de beloning tussen de vennoten, maar hierbij is Salonhub c.s. geen partij.

De kantonrechter stelt voorop dat het niet aankomt op de vraag welke kwalificatie de meeste “punten” heeft behaald, maar om de vraag wat, gelet op alle omstandigheden van het geval, het meest waarschijnlijk voorkomt. De afweging van met name de gezichtspunten 5 en 6 is naar het oordeel van de kantonrechter doorslaggevend voor de conclusie dat van een overeenkomst van opdracht geen sprake kan zijn.

Gezichtspunt 5: De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen

Ten aanzien van de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, heeft te gelden dat tussen partijen vast staat dat Salonhub c.s. en [eiser] al voor de oprichting van de V.O.F. contact met elkaar hebben gehad. Salonhub c.s. heeft aan [eiser] aangegeven geen personeel in dienst te willen. Ook heeft Salonhub c.s. aangevoerd dat [naam 3] over een organisatie beschikte met ongeveer 30 personeelsleden, 5 V.O.F.’s en een omzet van ongeveer 2 miljoen euro per jaar en dat hij al een langere periode werkzaamheden voor haar verrichtte op het gebied van administratie en advies, terwijl [naam 3] en [eiser] met elkaar via Salonhub c.s. in contact zijn gebracht en elkaar voor die tijd niet kenden. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd volgt dat het initiatief om een V.O.F. met [naam 3] op te richten bij Salonhub c.s. vandaan kwam en dat [naam 3] de documenten die zagen op de V.O.F. heeft opgesteld. Niet gebleken is dat [eiser] enige invloed heeft gehad om op een andere manier dan via de door [naam 3] voorgestelde V.O.F. werkzaamheden te verrichten voor Salonhub c.s. De kantonrechter overweegt in dit kader tenslotte nog dat [eiser] onbetwist heeft aangevoerd dat de V.O.F. geen andere werkzaamheden heeft verricht dan voor Salonhub c.s.

De kantonrechter stelt verder vast dat partijen het erover eens zijn dat de V.O.F. met ingang van 1 januari 2024 is opgehouden te bestaan omdat de relatie tussen [naam 3] en Salonhub c.s. verbroken werd. Kennelijk was het doel van de V.O.F. dus verweven met de werkzaamheden voor Salonhub c.s. Vervolgens heeft [eiser], die zijn werkzaamheden voor Salonhub c.s. voortzette, met ingang van 2024 vanuit de eenmanszaak waarmee hij de V.O.F. voerde aan Salonhub c.s. gefactureerd. Ook hierbij overweegt de kantonrechter dat hij geen zelfstandige onderhandelingen heeft gevoerd met Salonhub en dat uit niets blijkt dat [eiser] de bedoeling heeft gehad om nadien bewust wel een overeenkomst van opdracht te sluiten in plaats van een arbeidsovereenkomst.

Gezichtspunt 6: De wijze waarop de beloning wordt bepaald

Niet is gebleken dat [eiser] op enige wijze heeft kunnen onderhandelen over de inhoud van de overeenkomst of de hoogte van de vergoeding. Salonhub c.s. heeft toegelicht dat [naam 3] ten tijde van de oprichting van de V.O.F., namelijk in de zomer van 2020, met Salonhub c.s. de onderhandelingen heeft gevoerd over de hoogte van de beloning voor de werkzaamheden. Salonhub c.s. betaalde maandelijks een vast bedrag aan de V.O.F. Ook heeft [naam 3] -zoals [eiser] onbetwist heeft betoogd- de verdeling van de vergoedingen binnen de V.O.F. en daarmee de vergoeding die [eiser] zou ontvangen, eenzijdig vastgesteld. Daarbij kwam aan hem een ‘arbeidsvergoeding’ van € 250,- per maand toe en aan [eiser] een ‘arbeidsvergoeding’ van € 2.500,- per maand, hetgeen er naar het oordeel van de kantonrechter op duidt dat het de bedoeling was dat [eiser] het overgrote deel van de werkzaamheden verrichtte. Dat een bedrag van € 500,- hiervan werd besteed aan de aflossing van een lening ten behoeve van een door de partner van [naam 1] aan [eiser] verkochte auto, doet hieraan verder niet af. Het feit dat een vaste vergoeding aan een V.O.F. is uitgekeerd en daarmee twee personen ten goede is gekomen, ziet de kantonrechter in dit licht niet anders dan als een bewust opgetuigde constructie met als belangrijkste doel om een formele arbeidsrelatie tussen Salonhub c.s. en [eiser] te omzeilen.

In 2024 heeft Salonhub c.s. de fixed fee aan de V.O.F. stopgezet en is [eiser] aan Salonhub c.s. facturen gaan sturen. De kantonrechter kan echter uit hetgeen partijen hebben aangevoerd niet duidelijk opmaken of er toen op uurbasis is betaald, of dat [eiser] daarnaast ook nog andere vergoedingen kreeg. Dit maakt de wijze waarop de beloning van [eiser] in 2024 tot stand is gekomen in elk geval niet doorslaggevend om het voormelde rechtsvermoeden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor die periode te kunnen weerleggen.

De overige gezichtspunten

De standpunten van partijen met betrekking tot de overige gezichtspunten leiden naar het oordeel van de kantonrechter niet tot een ander oordeel. De kantonrechter zal hierna op de belangrijkste stellingen hieromtrent nog ingaan.

Ten aanzien van de aard en duur van de werkzaamheden (gezichtspunt 1) overweegt de kantonrechter nog dat Salonhub c.s. erop heeft gewezen dat [eiser] eind juli 2024 aan Salonhub c.s. heeft medegedeeld dat hij zou stoppen en dat hij daarbij geen opzegtermijn in acht heeft genomen. Nog daargelaten dat ook bij een overeenkomst van opdracht op basis van de wet ook een redelijke opzegtermijn in acht genomen zou moeten worden, is de kantonrechter van oordeel dat de wijze van opzegging door [eiser] in het licht van de andere gezichtspunten onvoldoende gewicht in de schaal legt voor de conclusie dat geen sprake is van een arbeidsrelatie.

Ten aanzien van de wijze waarop de werkzaamheden en werktijden worden bepaald (gezichtspunt 2) heeft [eiser] aangevoerd dat [naam 1] nauwgezette instructies gaf. Volgens Salonhub c.s. vielen de door [naam 1] gegeven instructies echter binnen de kaders die passen bij de overeenkomst van opdracht. De kantonrechter is van oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen Salonhub c.s. aanvoert, de berichten van [naam 1] inhoudelijk zagen op het door [eiser] uit te voeren werk en deze instructies niet zagen op een specifieke situatie waarin urgente commerciële noodzaak bestond. Zo heeft [naam 1] [eiser] er in de e-mail van 26 februari 2024 op gewezen dat op een werkdag van 9.00 uur tot 17.00 minimaal anderhalf uur als pauzetijd geldt. Daarnaast wijst [naam 1] in dit e-mailbericht [eiser] erop dat declaraties niet kloppen. Verder heeft [naam 1] aan [eiser] meermaals geïnstrueerd een klant te bellen, of een demo te doorlopen bij een klant. Wanneer [eiser] elders in het land klanten moest bezoeken, bepaalde Salonhub c.s. zijn rijschema. Ook heeft [naam 1] aan [eiser] gevraagd om zijn takenlijst goed bij te houden, zodat [naam 1] goed kan volgen wat er speelt en kan zien of er taken worden vergeten. Verder heeft [eiser] meermaals aan [naam 1] gemeld welke dagen of periode hij afwezig zou zijn en daarop heeft [naam 1] in de meeste gevallen gereageerd met een groen vinkje. Met betrekking tot deelname van [eiser] aan het ICAP weekend in Antwerpen heeft [naam 1], ondanks de door [eiser] aangegeven verhindering, druk gezet op [eiser] om alsnog namens Salonhub c.s. aanwezig te zijn.

Voor wat betreft de inbedding van het werk (gezichtspunt 3) overweegt de kantonrechter het volgende. Niet in geschil is dat geen van de werkzame personen bij Salonhub c.s. een arbeidsovereenkomst heeft. Vaststaat dat [eiser] samen met twee andere personen zorgde voor bezetting van de telefoonlijn van Salonhub c.s. voor vragen van klanten. Daarnaast had [eiser] contact met klanten over onder ander kasopmaak en andere problemen en installeerde [eiser] pinapparaten bij klanten. Uit de door partijen overgelegde stukken en hetgeen is aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat [eiser] op enig moment bij Salonhub c.s. is uitgegroeid tot [functie] en dat hij meedraaide als ware hij daar in dienst. Zo heeft [eiser] van Salonhub c.s. zijn visitekaartje gekregen waarop zijn functie van [functie] staat opgenomen. Tevens had [eiser] een eigen e-mailadres bij Salonhub c.s. ([mailadres]), een zakelijke telefoon, een laptop en een creditcard van Salonhub. Op de offerte van Salonhub c.s. alsmede de sociale media pagina van Salonhub c.s. staat [eiser] met zijn foto, zodat ook hieruit valt af te leiden dat [eiser] is uitgegroeid tot het ‘gezicht’ van Salonhub c.s. Verder blijkt uit een uitnodiging van 11 november 2022 van Salonhub c.s. dat [eiser] werd uitgenodigd voor een interne ontwikkelsessie bij Salonhub c.s. Voornoemde werkzaamheden van [eiser] betreffen kernactiviteiten van Salonhub c.s. en het werk van [eiser] als [functie] is hiermee volledig ingebed in de organisatie.

Dan is er nog het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren (gezichtspunt 4). Niet gebleken is dat [eiser] zich tijdens zijn werkzaamheden heeft laten vervangen door een derde. De kantonrechter wil van Salonhub c.s. aannemen dat het voor het callcenterwerk niet vereist was dat [eiser] zijn werkzaamheden persoonlijk verrichtte. Echter, [eiser] heeft naast het werken op de telefoonlijn ook pinapparaten bij klanten van Salonhub geïnstalleerd en contact gehad met klanten van Salonhub c.s. Salonhub c.s. heeft aan [eiser] visitekaartjes verstrekt waarop staat opgenomen dat hij [functie] is bij Salonhub c.s. Tevens blijkt uit de offerte van Salonhub en de sociale media van Salonhub, waarop [eiser] met zijn foto staat, dat [eiser] het gezicht is van Salonhub c.s. Het verweer van Salonhub c.s. dat [eiser] zich ook had mogen laten vervangen door iemand anders, zoals bijvoorbeeld [naam 3], en hij niet verplicht was de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren is dan ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van de hoogte van de beloningen (gezichtspunt 7) overweegt de kantonrechter dat [eiser] onbetwist heeft aangevoerd dat de maandelijkse € 2.000,- die hij in 2020 vanuit de V.O.F. constructie ontving en de bedragen in de jaren tot en met 2023 neerkomt op een lager uurtarief dan het minimum uurtarief van € 36,- zoals genoemd in het wetsvoorstel Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet VBAR), zodat voor de belastingdienst een rechtsvermoeden van werknemerschap zou bestaan. Hoewel dit geen wetgeving betreft, is de kantonrechter van oordeel dat dit bijdraagt aan de conclusie dat van zelfstandigheid geen sprake kan zijn.

Dat [eiser] enig commercieel risico (gezichtspunt 8) zou lopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Salonhub c.s. is naar het oordeel van de kantonrechter niet aangetoond. Vaststaat dat [eiser] in de periode september 2020 tot en met december 2023 via zijn V.O.F. een vaste maandelijkse vergoeding heeft ontvangen van Salonhub c.s. Daarnaast heeft [eiser] in die periode enkele keren nadere vergoedingen ontvangen voor extra uitgevoerde werkzaamheden. Vanaf 2024 heeft Salonhub c.s. de door [eiser] bij haar gedeclareerde uren uitbetaald. Niet is gebleken dat de uitvoering van het werk door [eiser] van invloed is geweest op de hoogte van de door hem ontvangen vergoeding van Salonhub c.s. Evenmin is gebleken van enige investering in bedrijfsmiddelen door [eiser]. [eiser] gebruikt een laptop en een telefoon die door Salonhub c.s. ter beschikking is gesteld.

Dat [eiser] ondernemerschap (gezichtspunt 9) heeft getoond is evenmin gebleken. Salonhub c.s. heeft erkend dat de website van [eiser] pas in 2025 is opgericht. Weliswaar staat hierop vermeld dat [eiser] sinds 2020 zelfstandig ondernemer is, maar de getoonde pagina wijst niet op andere daadwerkelijk commerciële activiteiten en opdrachtgevers in de periode september 2020 tot en met juli 2024. Uit de verklaring van de voormalig werkgever van [eiser], zijnde B2design, blijkt dat voordat [eiser] werkzaamheden verrichtte voor Salonhub c.s. hij in de periode december 2015 tot en met juli 2020 in loondienst is geweest bij B2design. De stelling van Salonhub c.s. dat [eiser] ten tijde van zijn werk bij Salonhub c.s. als zelfstandige websites verkocht aan klanten van Salonhub, heeft Salonhub c.s. op geen enkele wijze onderbouwd.

Conclusie

Op basis van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de kantonrechter dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat [eiser] in beginsel recht heeft op het loon dat voor zijn werkzaamheden in de organisatie gebruikelijk is, of, indien dat er niet is, een billijk loon. Hierop ziet ook de eis in reconventie van Salonhub c.s. Voordat de kantonrechter hieraan toe komt, wordt eerst ingegaan op de klachtplicht.

Klachtplicht

Salonhub c.s. beroept zich op de klachtplicht en stelt dat [eiser] te laat heeft geklaagd, omdat hij zijn vordering een jaar na afloop van zijn werkzaamheden bij Salonhub c.s. kenbaar heeft gemaakt. [eiser] heeft zich hiertegen verweerd met het standpunt dat in het geheel niet door Salonhub c.s. is gepresteerd en daarom de klachtplicht niet van toepassing is. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij. Hierboven is namelijk vastgesteld dat sprake was van een arbeidsrelatie. Salonhub c.s. heeft niet overeenkomstig gehandeld. De kantonrechter is van oordeel dat daarom sprake is van een gebrekkige prestatie in de zin van artikel 6:89 BW.

De kantonrechter stelt voorop dat een loonvordering volgens de wet niet eerder verjaart dan na vijf jaar. Met het verkorten hiervan moet terughoudend worden omgegaan.

De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van Salonhub c.s. op de klachtplicht niet slaagt. Want hoewel [eiser] weliswaar eerder had kunnen klagen, heeft Salonhub c.s. niet concreet onderbouwd waarom zij door het wachten van [eiser] in haar belangen is geschaad. Weliswaar heeft zij aangevoerd dat het aantal gewerkte uren en de werkzaamheden na zoveel tijd niet meer gecontroleerd kunnen worden, maar dit is door [eiser] betwist en naar het oordeel van de kantonrechter valt niet in te zien waarom dit anders was geweest wanneer [eiser] bijvoorbeeld in 2024 zou hebben geklaagd. Daarnaast heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat en waarom hij vreesde voor het verlies van zijn werk als hij tijdens zijn werkzaamheden zou hebben geklaagd. Salonhub c.s. heeft immers erkend dat het niet de bedoeling was van Salonhub c.s. om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Verder heeft [eiser] onderbouwd dat het eindigen van zijn werk ook gevolgen zou hebben voor zijn studie/scriptie, dat hij vanwege de constructie geen uitkering zou ontvangen en dat hij vreesde dat hij de lening voor de auto dan ineens zou moeten aflossen. Van [eiser] kon daarom naar het oordeel van de kantonrechter niet gevergd worden dat hij nog tijdens zijn werkzaamheden en studie zou klagen.

Gevolgen van de herkwalificatie en overige vorderingen

De kantonrechter stelt een billijk loon vast

Nu is geoordeeld dat sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst, dient de kantonrechter het werknemersloon vast te stellen. Partijen zijn geen loon overeengekomen, zodat dat loon met toepassing van artikel 7:618 BW moet worden bepaald. Aangezien geen cao van toepassing is en in de organisatie geen personeel in dienst is met een vergelijkbaar takenpakket als [eiser], is geen sprake van een gebruikelijk loon en moet de kantonrechter bepalen wat een billijk loon is.

[eiser] heeft in dit kader bedragen genoemd die in zijn ogen per jaar het gebruikelijk, of een billijk loon zouden zijn, beginnend met een bedrag van € 3.826,- bruto per maand over 2020, eindigend met € 4.634,- bruto per maand over 2024.

Namens Salonhub c.s. is aangevoerd dat de werkzaamheden van [eiser] slechts overeen kwamen met een Callcenter medewerker/ Customer Service Representative, met dien verstande dat [eiser] ook pinautomaten rondbracht en installeerde maar dit vereist volgens Salonhub c.s. ook geen bijzondere vaardigheden. Aangezien [eiser] daarnaast nog niet beschikte over een HBO diploma zou hierbij in 2020 een salaris van € 2.100,- bruto per maand passen op basis van een fulltime dienstverband, althans maximaal € 2.800,-.

De kantonrechter is, gelet op het verweer van Salonhub c.s. dat, gelet op zijn leeftijd en het feit [eiser] nog niet over een HBO diploma of brede werkervaring beschikte, van oordeel dat het door [eiser] gevorderde loon niet billijk is. Echter, dat, zoals Salonhub c.s. heeft aangevoerd, [eiser] slechts werkte als Callcenter medewerker volgt de kantonrechter niet. Met name nu sprake was van een vast klantenbestand waarmee relaties moesten worden onderhouden en [eiser] ook na verloop van tijd het gezicht van de onderneming was. Ook weegt zij mee dat [naam 1] in het buitenland verbleef, wat er logischerwijs toe leidde dat ten aanzien van de klanten meer verantwoordelijkheid bij [eiser] lag. De kantonrechter is daarom van oordeel dat over de jaren 2020 tot en met 2024 de volgende bedragen als billijk bruto loon hebben te gelden, uitgaande van een arbeidsomvang van 40 uur per week, exclusief vakantietoeslag:

2020: € 3.000,-

2021: € 3.200,-

2022: € 3.400,-

2023: € 3.600,-

2024: € 3.800,-.

Het aantal gewerkte uren

Partijen verschillen voorts van mening over de omvang van het dienstverband. Het uitgangspunt dat [eiser] hierbij hanteert is dat hij 40 uur heeft gewerkt. Salonhub c.s. betwist dat [eiser] fulltime heeft gewerkt.

De kantonrechter overweegt dat het aan [eiser] is om zijn standpunt dat hij fulltime werkte, te onderbouwen. [eiser] heeft daartoe onder meer een bericht van [naam 1] overgelegd waarin de werktijden werden bepaald van 9 tot 17 uur, pauzes uitgezonderd. Ook heeft [eiser] aangevoerd dat hij, wanneer hij niet onderweg was voor Salonhub c.s. fulltime beschikbaar diende te zijn voor oproepen van klanten. [eiser] was 25 toen hij bij Salonhub c.s. begon en werkte bij zijn voormalig werkgever Be2Design in een dienstverband van 32 uur in de week. Vervolgens is hij een duale opleiding begonnen. Hiervoor hoefde hij in 2020 alleen nog zijn scriptie te schrijven, die hij pas in 2025 heeft afgerond. Salonhub c.s. heeft gemotiveerd betwist dat [eiser] 40 uur per week heeft gewerkt. Zij stelt zich op het standpunt dat [eiser] hooguit 29 uur per week heeft gewerkt. Daartoe heeft Salonhub c.s. enkele uitdraaien uit de agenda van [eiser] en een telefoonoverzicht overgelegd, waaruit zou volgen dat [eiser] die weken niet of nauwelijks werk te doen had. [eiser] was daarnaast vrijwel nooit op kantoor. Ook beroept Salonhub c.s. zich op het feit dat [eiser] de werkzaamheden naast zijn studie verrichte en dat [eiser] mogelijk nog werkzaamheden voor andere opdrachtgevers verrichtte.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] moet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij doordeweeks fulltime beschikbaar was voor de werkzaamheden, ook wanneer er niet gebeld werd en hij niet op kantoor was. Salonhub c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] op die momenten niet beschikbaar hoefde te zijn voor het werk. De kantonrechter overweegt dat, zelfs indien komt vast te staan dat [eiser] niet gedurende 40 uur werkzaamheden verrichtte, ook beschikbaarheid hier in principe telt als werktijd. Indien binnen die tijden niet of nauwelijks werk te doen was, komt dit voor rekening en risico van Salonhub c.s. als werkgever. [eiser] heeft daarnaast voldoende onderbouwd, althans Salonhub c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] pas in november 2025 is afgestudeerd en dat hij tijdens de werkzaamheden nagenoeg geen tijd aan zijn studie heeft besteed. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat de omvang van het dienstverband 40 uur per week bedroeg.

De vorderingen van partijen in conventie en reconventie: overleggen nadere stukken

[eiser] heeft de door hem gevorderde loonbedragen vergeleken met het bedrag dat hij netto ontving uit de V.O.F., dit omgerekend naar een bruto bedrag en het verschil gevorderd. Daarnaast heeft hij op basis van deze berekening over de jaren 2020-2024 vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen gevorderd.

Met betrekking tot de periode januari tot augustus 2024 stelt [eiser] in totaal een bedrag van € 42.153,98 exclusief btw te hebben ontvangen, waarbij hij stelt dat dit omgerekend naar het maandbedrag van € 6.022,- bruto per maand hoger ligt dan het gebruikelijke loon, zodat hij over deze periode geen loon vordert. Wel vordert hij 8% vakantietoeslag, neerkomend op een bedrag van € 3.372,32 en 11,67 vakantiedagen.

In totaal vordert [eiser] een bedrag van € 87.569,78 bruto aan achterstallig loon, vakantietoeslag en vakantiedagen.

Salonhub c.s. heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat zij meer dan genoeg aan de V.O.F. betaalde en dat het haar niet kan worden aangerekend wanneer [eiser] hiervan op grond van zijn afspraken met [naam 3] te weinig ontving.

Bij wijze van voorwaardelijke eis in reconventie vordert Salonhub c.s. onder meer terugbetaling van teveel betaald loon. Daarbij stelt Salonhub c.s. zich op het standpunt dat [eiser] meer heeft ontvangen dan het door haar berekende salaris op basis van het de door haar aangevoerde 29 uur, maar dat ook wanneer wordt uitgegaan van het door [eiser] berekende loon, omgerekend naar 29 uur in totaal teveel aan [eiser] is betaald. Daarbij rekent zij een betaling aan de V.O.F. als een betaling aan [eiser]. Ook zou [eiser] bij zijn opzegging de wettelijke opzegtermijn niet in acht hebben genomen, op grond waarvan Salonhub c.s. de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:672 lid 11 vordert en vordert zij de betaalde reiskosten terug. In totaal vordert Salonhub c.s. (primair) een bedrag van

€ 148.087,- van [eiser].

Salonhub c.s. is verder van oordeel dat de vordering met betrekking tot vakantiedagen moet worden afgewezen, omdat er in de periode 2020-2024 een fixed fee aan de V.O.F. werd betaald die geacht werd ook een compensatie te zijn voor vrije dagen en dat [eiser] ook daadwerkelijk vrije dagen heeft genoten.

Om tot een goede verdere beoordeling van de vorderingen over en weer te kunnen komen, acht de kantonrechter het noodzakelijk dat er nadere stukken worden overgelegd. Op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter partijen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende gegevens over te leggen.

De kantonrechter beveelt [eiser] om het volgende te overleggen:

Een overzicht van alle betalingen (ex btw) die door de V.O.F. zijn ontvangen van zowel Sights als Salonhub in de periode 2020 tot en met 2023;

Een overzicht van alle betalingen die door de V.O.F. aan [eiser] zijn verricht over de periode 2020-2023;

Een overzicht van alle betalingen (ex btw) die [eiser] heeft ontvangen van zowel Sights als Salonhub in de periode 2024;

Voornoemde punten deugdelijk ondersteund door bankafschriften en de aangiften inkomstenbelasting van [eiser] over de betreffende jaren.

- Een berekening van het brutobedrag dat [eiser] te weinig zou hebben ontvangen aan loon, vakantiegeld en vakantiedagen over de periode 2020 tot en met 2024, uitgaande van het door de kantonrechter vastgestelde billijk loon en een arbeidsomvang van 40 uur per week.

De kantonrechter beveelt Salonhub c.s. om het volgende te overleggen:|

- Een berekening van het bedrag dat [eiser] aan Salonhub c.s. in haar visie zou moeten terugbetalen over de periode 2020 tot en met 2024, uitgaande van het door de kantonrechter vastgestelde billijk loon en een arbeidsomvang van 40 uur per week.

Iedere verdere beslissing in conventie en reconventie wordt aangehouden.

6. De beslissing

De kantonrechter

in conventie en reconventie

beveelt [eiser] om de in 5.27 genoemde informatie binnen 14 dagen na dagtekening van het onderhavige tussenvonnis aan de kantonrechter en de wederpartij te verstrekken;

beveelt Salonhub c.s. om de in 5.27 genoemde informatie binnen 14 dagen na dagtekening van het onderhavige tussenvonnis aan de kantonrechter en de wederpartij te verstrekken;

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 6 oktober 2026 voor het nemen van een akte over wat door de andere partij is vermeld, waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.Th. van Wijk en in het openbaar uitgesproken op8 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand