[X] , uit [Z] , belanghebbende
(gemachtigde: R.M.T.C. van Maassen-Bolsenbroek),
en
de inspecteur van de Belastingdienst CAP/kantoor Doetinchem, de inspecteur
(gemachtigde: [persoon 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Minister van Justitie en Veiligheid (de Minister).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 januari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ten bedrage van € 4.419.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 3.191. Daarbij heeft de inspecteur een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op een zitting van de enkelvoudige belastingkamer behandeld. Namens belanghebbende is diens gemachtigde verschenen, bijgestaan door F.T.M. Bolsenbroek. Namens de inspecteur is [persoon 2] verschenen, bijgestaan door [persoon 3] . Op de zitting is met partijen besproken dat de rechtbank de zaak mogelijk naar de meervoudige belastingkamer zal verwijzen in verband met een principieel beslispunt.
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat.
Belanghebbende heeft nadere stukken overgelegd.
De rechtbank heeft naar aanleiding van het nadere stuk (zie 1.7) de inspecteur in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de meervoudige belastingkamer (zie 1.5.). De meervoudige belastingkamer heeft in raadkamer geen aanleiding gezien tot een nadere zitting. Voor dat geval hadden partijen aangegeven dat de meervoudige kamer zonder nadere zitting kon beslissen.
Bij bericht van 16 juni 2026 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij het onderzoek heeft gesloten.
Feiten
2. Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan voor een uit Duitsland afkomstige Mercedes-Benz E-klasse 400 d 4matic AMG LINE (diesel) (de auto). In de aangifte is een CO2-uitstoot vermeld van 185 gr/km (WLTP), een datum eerste toelating van 27 juni 2022 (Duitsland) en een bruto bpm van € 28.634. De tellerstand van de auto is 37.109 kilometer volgens het bij de aangifte gevoegde taxatierapport (opname 30 augustus 2023). De verschuldigde bpm heeft belanghebbende aan de hand van een taxatierapport berekend op
€ 9.525. In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) van de auto vermeld van € 39.374 en een historische nieuwprijs van € 118.357. De handelsinkoopwaarde is de door de taxateur bepaalde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 53.390 op basis van een koerslijst van XRay (rental: ja), verminderd met een bedrag van € 10.466 (100%) wegens schade en een bedrag van € 3.550 wegens ‘geen oordeel kilometerstand’. De historische nieuwprijs van € 118.357 is tot stand gekomen door de historische nieuwprijs van € 112.476 van de referentieauto met een
CO2-uitstoot van 174 gr/km (WLTP) te vermeerderen met het verschil in hogere bruto bpm van de auto van belanghebbende, te weten € 5.881. In de door de taxateur gehanteerde koerslijst van XRay is dit als volgt tot uitdrukking gebracht:
‘Consumenten prijs incl. opties € 112.476
Prijs bijtelling grondslag € 118.357’
3. De auto is door de RDW gekeurd op 6 september 2023.
4. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd om de auto op 13 september 2023 bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) te tonen. Belanghebbende heeft de auto getoond. DRZ heeft een verslag van haar bevindingen gemaakt.
5. Op 24 november 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 4.419, waarbij de afschrijving is bepaald aan de hand van de taxatiemethode. Wat betreft de handelsinkoopwaarde is de inspecteur uitgegaan van de door DRZ bepaalde waarde van € 54.785. Dit is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 55.543 op basis van een koerslijst van XRay (rental: nee) verminderd met een bedrag van € 758 wegens schade (31% van € 2.446). Deze koerslijst heeft betrekking op een Mercedes-Benz E-klasse 400 d 4matic AMG LINE met een CO2-uitstoot van 174 gr/km (WLTP). De inspecteur heeft de historische nieuwprijs van € 112.476 van dit referentievoertuig net als belanghebbende als uitgangpunt genomen in zijn berekening van het afschrijvingspercentage.
6. De inspecteur heeft bij het doen van uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 3.191. Hierbij heeft de inspecteur zich gebaseerd op een koerslijst van XRay (rental: ja) van een Mercedes-Benz E-klasse 400 d 4matic AMG LINE met een CO2-uitstoot van 174 gr/km (WLTP). De inspecteur heeft – ten opzichte van de aan de naheffingsaanslag ten grondslag gelegde berekening – een hogere historische nieuwprijs van € 118.355 gehanteerd in verband met de hogere CO2-uitstoot van de auto. Omdat in de koerslijst is uitgaan van een referentievoertuig met een huurverleden is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat lager ten opzichte van de aan de naheffingsaanslag ten grondslag gelegde berekening, te weten € 53.321. Verminderd met het schadebedrag van € 758 leidt dit tot een handelsinkoopwaarde van € 52.563. De inspecteur gaat net als belanghebbende uit van een bruto bpm van € 28.634. Verder heeft de inspecteur een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting).
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag, zoals verminderd bij de uitspraak op bezwaar, terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat de taxatiemethode kan worden toegepast, omdat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Wel is de omvang van de schade en de doorwerking hiervan in de waarde in geschil.
8. Belanghebbende betoogt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Daartoe voert hij aan dat alle schadeposten in het door hem overgelegde taxatierapport (inclusief de correctie wegens ‘geen oordeel kilometerstand’) een waardeverminderend effect hebben ten opzichte van de als basis gehanteerde koerslijst. Bovendien dient de gecalculeerde schade volledig in mindering te komen, en niet voor slechts 31%, zoals volgt onderdeel 3.5 van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Bijlage I). Volgens belanghebbende is dit waardeverliespercentage niet deugdelijk onderbouwd, is tegenbewijs praktisch gezien onmogelijk en zijn de nadelige gevolgen voor belastingplichtigen onvoldoende meegewogen. Dit alles is in de ogen van belanghebbende strijdig met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met algemene rechtsbeginselen, zodat dit onderdeel van Bijlage I buiten toepassing moet blijven. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de schade voor 72% in aanmerking moet komen, omdat de auto een datum eerste toelating heeft die is gelegen voor 1 januari 2023. De 31%-regeling van Bijlage I is pas op die datum in werking getreden en geldt dus hoe dan ook niet voor deze auto, aldus belanghebbende.
9. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken en daarbij gewezen op het door DRZ opgestelde rapport. Verder betoogt de inspecteur dat er diverse materiële en formele gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende kleven. Ten slotte beroept de inspecteur zich op interne compensatie omdat volgens hem bij het doen van uitspraak op bezwaar ten onrechte de zogeheten ex rental koerslijst van XRay is gebruikt (zie 6.), wat heeft geleid tot een (onterechte) afslag van € 2.222 op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Ook beroept de inspecteur zich op interne compensatie omdat volgens hem de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat achteraf bezien ten onrechte niet (ook) is verhoogd als gevolg van de hogere CO2-uitstoot die is verwerkt in de historische nieuwprijs (die op zichzelf niet ter discussie staat), zodat het afschrijvingspercentage de facto niet wijzigt.
Bruikbaarheid taxatierapport belanghebbende
10. De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet bruikbaar is, omdat er diverse formele en materiële gebreken aan kleven.
11. De rechtbank overweegt als volgt. In hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport als geheel terzijde te schuiven. De rechtbank zal de standpunten van de inspecteur wel betrekken bij de beoordeling van de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt.
Hoogte schadebedrag
12. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende de gestelde waardevermindering wegens schade aannemelijk dient te maken, nu hij een beroep doet op de aanwezigheid van (meer) waardeverminderende schadeposten en de inspecteur gemotiveerd heeft betwist dat een hoger bedrag wegens schade in aanmerking moet komen. Belanghebbende heeft verwezen naar het taxatierapport dat hij ten behoeve van de aangifte heeft laten opstellen. De inspecteur heeft onderbouwd waarom er volgens hem niet nóg meer schade meegerekend mag worden. Hij verwijst daarbij naar het rapport van DRZ.
13. De rechtbank overweegt het volgende. De taxateur van DRZ heeft voor een bedrag van € 2.446 schade in aanmerking genomen. Uit de tot het rapport van DRZ behorende foto’s (A4-formaat en in kleur) kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat sprake is van meer of hogere schadeposten die de waarde (verder) verminderen. Dit valt evenmin af te leiden uit de foto’s die zijn opgenomen in het taxatierapport dat belanghebbende heeft overgelegd. Op deze foto’s is weliswaar te zien dat de auto vuil is en dat sprake is van oppervlakkige krasvorming, maar dat is het dan ook. Bovendien kan naar het oordeel van de rechtbank lang niet alle krasvorming worden aangemerkt als schade die ten opzichte van de als uitgangspunt gehanteerde koerslijst de waarde vermindert, omdat de auto ten tijde van de taxatie 14 maanden oud is en een kilometrage heeft van ongeveer 37.000. Met de verwijzing naar het overgelegde taxatierapport en de daarbij behorende foto’s heeft belanghebbende zijn standpunt dat meer schade in aanmerking moet komen dan dat DRZ in aanmerking heeft genomen, onvoldoende onderbouwd, zodat belanghebbende niet in zijn bewijslast is geslaagd.
14. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om een bedrag van € 3.550 in aanmerking te nemen omdat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de kilometerstand van de auto. In algemene zin kan gesteld worden dat een oordeel van de RDW gezaghebbend is. Het ontbreken van een positief oordeel is dan ook niet gunstig. Van belang is evenwel dat niet is komen vast te staan dat de RDW de mededeling ‘geen oordeel’ geeft als de RDW daadwerkelijk twijfels heeft aan de juistheid of plausibiliteit van de kilometerstand, al dan niet op basis van enig onderzoek. De enkele mededeling ’geen oordeel’ betekent niet meer of minder dan dat de RDW zich er niet over uitspreekt. Het ontbreken van een dergelijk oordeel zou (ten opzichte van auto’s die een positief RDW-oordeel hebben) niettemin een waardedrukkend effect kunnen hebben, maar belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom deze omstandigheid voor deze auto een waardevermindering van € 3.550 met zich brengt. De enkele verwijzing naar de in het taxatierapport opgenomen tabel vindt de rechtbank – in het licht van de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – onvoldoende, omdat de in de tabel opgenomen bedragen onvoldoende herleidbaar zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat de in de tabel opgenomen bedragen, blijkens de toelichting daarop, zijn gebaseerd op een rapport betreffende auto’s waarvan vast staat dat de kilometerstand is teruggedraaid. Ook als de beprijzing van dat effect aannemelijk zou zijn, kan die niet zomaar worden doorgetrokken naar de auto van belanghebbende, aangezien er geen enkel bewijs is dat er in dit geval tellerfraude is gepleegd. Dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de kilometerstand is wezenlijk iets anders. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Het waardeverliespercentage van 31% van onderdeel 3.5 van Bijlage I
15. De rechtbank verwijst voor de toepasselijke wet- en regelgeving naar de Bijlage, die aan deze uitspraak is gehecht en daarvan integraal deel uitmaakt.
Toetsing schadeverliespercentage aan algemene rechtsbeginselen
16. De rechtbank stelt voorop dat de Uitvoeringsregeling Bpm een algemeen verbindend voorschrift is, niet zijnde een wet in formele zin, zodat de rechtbank kan en mag toetsen of de regeling van het schadeverliespercentage van 31% zoals vermeld in onderdeel 3.5 van Bijlage I (de regeling) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel (exceptieve toetsing).
17. Belanghebbende betoogt dat de regeling strijdig is met het evenredigheidbeginsel. Daartoe voert hij aan dat sprake is van een ernstige belemmering in de levering van het tegenbewijs dat meer dan 31% van de schade als waardevermindering in aanmerking moet komen. Deze belemmering zit in het gegeven dat taxateurs wat betreft de onderbouwing van de schadeaftrek volgens de regeling geen beroep mogen doen op in ieder geval de factoren autosegment, leeftijd en kilometrage van de auto. Hierdoor is het volgens belanghebbende praktisch gezien onmogelijk om dergelijk tegenbewijs te leveren.
18. Volgens de inspecteur is het wel degelijk mogelijk om dit tegenbewijs te leveren. Zo wijst de inspecteur onder andere op het voorbeeld van het overleggen van een inkoopfactuur waaruit een lagere waarde dan de taxatiewaarde volgt. Daarnaast stelt de inspecteur dat er een duidelijke aanleiding is voor de voorwaarde dat het tegenbewijs niet in algemene zin betrekking kan hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van de auto, omdat uit het (mede) aan het waardeverliespercentage ten grondslag gelegde onderzoek van VMS | Insight volgt dat deze eigenschappen van een motorrijtuig het waardeverlies als gevolg van schade niet of nauwelijks beïnvloeden. Ook heeft de inspecteur verwezen naar de conclusie van A-G Wattel betreffende het tot 1 januari 2023 geldende waardeverliespercentage van 72%.
19. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 12 juli 2024 heeft de Hoge Raad de exceptieve toetsing van lagere regelgeving (niet zijnde wetten in formele zin) in fiscale zaken uitgewerkt. Uit de overwegingen van de Hoge Raad leidt de rechtbank een stappenplan af, dat als volgt kan worden samengevat:
Stap 1: toetsing aan de formele rechtsbeginselen (van zorgvuldigheid en motivering):
Eerst moet worden bekeken of de regelgever de te toetsen bepaling zorgvuldig heeft voorbereid en voldoende heeft gemotiveerd. Het moet op basis van die motivering voor de rechter mogelijk zijn om te toetsen aan de materiële rechtsbeginselen waarop een beroep wordt gedaan, zoals het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of – zoals in dit geval – het evenredigheidsbeginsel. Als blijkt dat de rechter door een gebrekkige motivering en/of een onzorgvuldige voorbereiding niet in staat is om die inhoudelijke toetsing uit te voeren, moet de regel buiten toepassing worden verklaard (waardoor deze regel in het concrete geval gelding mist). Dat rechtsgevolg is aan de orde omdat in zo’n geval niet kan worden uitgesloten dat de regel in strijd is met een materieel rechtsbeginsel. Als de voorbereiding en motivering voldoende is, kan de rechter inhoudelijk toetsen aan het materiële rechtsbeginsel waarop een beroep wordt gedaan (stap 2).
Stap 2: toetsing aan de materiële rechtsbeginselen (zoals het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel):
In deze stap toetst de rechter aan de hand van de gegeven motivering en onderbouwing van de regelgever of de regel in strijd is met een materieel rechtsbeginsel. Als blijkt dat daarvan sprake is, moet de regel onverbindend worden verklaard (waardoor deze regel in alle gevallen gelding mist).
Stap 1: Toetsing aan de formele rechtsbeginselen van zorgvuldigheid en motivering
20. De rechtbank stelt vast dat de motivering kan worden opgemaakt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Eindejaarsregeling 2022 van 2 december 2022 (Eindejaarsregeling 2022). Raadpleging van de toelichting bij de Eindejaarsregeling 2022 leert dat de (wijziging van de) hoogte van het waardeverliespercentage per 1 januari 2023 en verschillende aspecten van de mogelijkheid tot tegenbewijs uitdrukkelijk aan de orde zijn gekomen en van een onderbouwing zijn voorzien (en dus zijn gemotiveerd). Verder is voorafgaand aan de Eindejaarsregeling 2022 de Tweede Kamer bij Kamerbrief van 30 september 2022 door de Staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) geïnformeerd over het onderzoek van VMS | Insight (het onderzoek) naar onder meer forfaits in de bpm.
Dit onderzoek is vervolgens ten grondslag gelegd aan het per 1 januari 2023 geldende waardeverliespercentage.
21. Omdat de hoogte van het vaste waardeverliespercentage en het leveren van tegenbewijs tegen dat waardeverliespercentage door de regelgever beargumenteerd is meegewogen in de besluitvorming, is de rechtbank van oordeel dat onderdeel 3.5 van Bijlage I zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. De rechtbank merkt op dat in deze stap de onderbouwing nog niet op haar inhoudelijke merites wordt beoordeeld. Of de gegeven motivering ook steekhoudend is en de toets der kritiek kan doorstaan, speelt in dit stadium nog geen rol.
22. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de onderbouwing inhoudelijk kan toetsen aan het materiële evenredigheidsbeginsel.
Stap 2: Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel
23. Bij een inhoudelijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat het om een toetsing van de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt toen hij de regel invoerde. De rechter toetst die belangenafweging terughoudend en waakt ervoor daarbij niet te varen op zijn eigen inzichten over de wenselijkheid van de regel of zijn eigen (rechtspolitieke) voorkeuren. Het is niet de bedoeling dat de rechter de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast stelt. De nadelige gevolgen voor belastingplichtigen mogen evenwel niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de regel te dienen doelen. Waar het op neerkomt, is dat de rechter moet bekijken of de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regel heeft kunnen komen.
24. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Eindejaarsregeling 2022 leidt de rechtbank af dat het sinds 1 januari 2014 geldende waardeverliespercentage van 72% naar beneden is bijgesteld om het werkelijke schadeverliespercentage beter te benaderen. Uit het onderzoek volgt namelijk dat het waardeverlies door schade in veel gevallen lager is dan 72% van de begrote schadeherstelkosten. De mediaan uit het onderzoek ligt op een waardeverlies van 31%. De Staatssecretaris merkt op dat het waardeverliespercentage van 72% dus vaak veel te hoog is en dat dit percentage bovendien een reden kan zijn voor de (ongewenste) toename van het gebruik van taxatierapporten voor de afschrijving in de bpm. Om recht te doen aan het werkelijke schadeverliespercentage, zal het waardeverliespercentage daarom worden verlaagd. Tegelijkertijd heeft de Staatssecretaris zich rekenschap gegeven van de nadelige gevolgen van de toepassing van een mediaan percentage als waardeverliespercentage, te weten dat het waardeverlies in de helft van de gevallen te laag is. Om die reden is volgens de Staatssecretaris een praktische en laagdrempelige mogelijkheid tot tegenbewijs van belang, waarbij evenwel het tegenwijs niet mag worden gebaseerd op algemene gronden zoals het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig, omdat uit het onderzoek volgt dat het waardeverliespercentage hierdoor niet wordt beïnvloed.
25. Gelet op het voorgaande houdt toetsing aan het evenredigheidbeginsel in dit geval in dat moet worden beoordeeld of de hiervoor in 24. bedoelde nadelige gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen (minder waardevermindering door schade, meer moeite doen om tegenbewijs te leveren) onevenredig zijn in verhouding tot de met onderdeel 3.5 van Bijlage I te dienen doelen (beter aansluiten op de werkelijkheid, te lage heffing van bpm voorkomen).
26. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van onderdeel 3.5 van Bijlage I blijkt dat de regelgever heeft beoogd het werkelijke schadeverliespercentage te benaderen. Wat betreft de hoogte van dit percentage, heeft hij de uitkomsten gevolgd van het onderzoek. De uitkomst hiervan is een forfaitair schadeverliespercentage van 31%, gebaseerd op het mediane schadeverliespercentage dat uit het onderzoek naar voren komt. Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijke forfaitaire regeling ter vaststelling van het waardeverlies als gevolg van schade op zichzelf evenredig zijn, mits de regeling in verreweg de meeste gevallen de werkelijkheid vrij aardig benadert, volledig optioneel is (en dus slechts dient als bewijsrechtelijke tegemoetkoming) of ten minste is voorzien van een reële tegenbewijsregeling aan de hand waarvan belastingplichtigen aannemelijk kunnen maken dat het waardeverlies groter is. Aan deze (rand)voorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
27. Het onderzoek is gebaseerd op een dataset van voertuigen die zijn gekwalificeerd als ‘economisch total-loss’. Dit houdt volgens het onderzoek in dat het economisch gezien niet interessant is om het voertuig te herstellen, bijvoorbeeld omdat de herstelkosten hoger zijn dan de restwaarde. Gelet op de aard van deze dataset aan voertuigen, is het volgens de auteurs van het onderzoek niet vast te stellen of de dataset representatief is voor alle voertuigen. De rechtbank merkt op dat de regelgever zich bewust was van deze omstandigheid, maar hij desondanks de uitkomsten van het onderzoek heeft gebruikt omdat de inschatting van de auteurs was dat analyse van andersoortige schadevoertuigen tot vergelijkbare resultaten zal leiden. Waar deze inschatting van de auteurs op is gebaseerd, blijft onduidelijk en is in het licht van de opmerking dat de representativiteit niet kan worden vastgesteld, ook lastig te aanvaarden. Er is geen concrete aanwijzing dat de dataset die is gebruikt voor het onderzoek daadwerkelijk representatief is voor nog prima functionerende auto’s die schade hebben die economisch rendabel kan worden hersteld. Door de onderzoeksresultaten één-op-één toe te passen op alle auto’s en tegelijkertijd uit te gaan van het mediane schadeverliespercentage, is de regeling bij voorbaat voor de helft van de gevallen ontoereikend. Voor in elk geval de helft van de belastingplichtigen pakt deze forfaitaire benadering nadelig uit. Het logische gevolg hiervan is dat ook in elk geval de helft van de belastingplichtigen zich gedwongen zal zien om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling, als zij een faire benadering willen van de reële waardevermindering in hun concrete geval. Deze constatering weegt voor de rechtbank zwaar, omdat die reële waardevermindering nu juist het doel was van de regeling, maar de rechtbank nu als tussenconclusie vaststelt dat dit doel in de helft van de gevallen niet kan worden bereikt zonder gebruik te maken van de tegenbewijsregeling.
28. Daarom is van groot belang hoe die tegenbewijsregeling is vormgegeven. De tegenbewijsregeling is ingeperkt omdat tegenbewijsgronden die verband houden met autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig zelf door de regelgever categorisch zijn uitgesloten. Deze uitsluiting is gemotiveerd met de opmerking dat uit het onderzoek volgt dat het waardeverliespercentage daardoor niet wordt beïnvloed. Dat laatste zou wellicht best zo kunnen zijn bij auto’s waarvoor het niet meer economisch rendabel is om de schade te herstellen, maar elke uitleg waarom dat ook (juist) in andere gevallen (dan begrepen in de dataset) zo is, ontbreekt.
29. Het komt erop neer dat de regelgever een regeling heeft ontworpen waardoor op voorhand zeker is dat in minstens de helft van de gevallen in eerste instantie te weinig waardevermindering in aanmerking wordt genomen. Deze aanzienlijke groep is aangewezen op de tegenbewijsregeling, die zodanig is uitgekleed dat mogelijk relevante argumenten om te komen tot een reële waardevermindering, categorisch worden uitgesloten. Hiermee schiet de regeling haar doel voorbij. Het geheel van deze omstandigheden maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de hiervoor in 24. genoemde nadelige gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de met onderdeel 3.5 van Bijlage I te dienen doelen. Dit betekent dat de tegenbewijsregeling uit onderdeel 3.5 van Bijlage I onverbindend moet worden verklaard voor zover het de daarin opgenomen beperkingen betreft.
30. Het forfait dat overblijft, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet onevenredig, omdat dit niet meer is dan een bewijsrechtelijke tegemoetkoming (de eerste 31% waardevermindering hoeft de belastingplichtige daardoor effectief niet meer te bewijzen). De tegenbewijsregeling die overblijft, is er een zonder beperkingen. Het enkele feit dat de helft van de belastingplichtigen daarvan ook daadwerkelijk gebruik zal moeten maken om te komen tot een reële waardevermindering, acht de rechtbank in het licht van het tegemoetkomende karakter van het forfait niet onevenredig. Bovendien kan dat tegenbewijs met alle middelen worden geleverd.
31. Vervolgens komt de vraag aan bod of belanghebbende het door hem voorgestane waardeverliespercentage van 100% aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat niet elke euro aan gecalculeerde schade eveneens leidt tot een euro waardevermindering. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om belanghebbende te volgen in zijn stelling dat de schade voor 72% in aanmerking moet komen, omdat de auto een datum eerste toelating heeft die is gelegen voor 1 januari 2023. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Daartoe overweegt de rechtbank dat het belastbare feit in deze zaak zich niet heeft voorgedaan in een periode waarin dat percentage gold, zodat belanghebbende daarop geen aanspraak kan maken.
32. Nu zowel de belanghebbende als de inspecteur het in aanmerking te nemen waardeverliespercentage niet aannemelijk hebben gemaakt stelt de rechtbank het waardeverliespercentage in deze zaak daarom in goede justitie vast op 50%. Dit betekent dat de schade van € 2.446 voor € 1.223 in mindering komt op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.
33. Omdat de rechtbank de tegenbewijsregeling hiervoor al onverbindend heeft verklaard wegens strijd met het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel, kan een toetsing aan artikel 110 VWEU belanghebbende niet in een betere positie brengen. De rechtbank laat daarom in het midden of de tegenbewijsregeling (ook) in strijd komt met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Interne compensatie
34. De inspecteur heeft betoogd dat bij het doen van uitspraak op bezwaar ten onrechte een zogeheten ex rental koerslijst is gebruikt, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto een huurverleden heeft. Hierdoor is bij het doen van uitspraak op bezwaar uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat die € 2.222 te laag is (zie 5. en 6.). Ter zake van dit bedrag uit de berekening van de afschrijving beroept de inspecteur zich op interne compensatie. Belanghebbende verzet zich hiertegen en vindt dat de inspecteur hier niet meer op terug kan komen.
35. De door belanghebbende ingeschakelde taxateur heeft in het door hem opgestelde taxatierapport vermeld dat sprake is van een voormalige huurauto. Hij heeft ter onderbouwing van deze stelling gewezen op de ‘Zulassungsbescheinigung Teil I’, waarop de voormalige eigenaar van de auto vermeld staat (EMobG Services Germany GmbH) en “Selbstf.mietfzg” en “Mietwagen”.
36. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn van een auto met een verleden van verhuur. Daarbij heeft de inspecteur erop gewezen dat de enkele verwijzing naar de vermeldingen op het kentekenbewijs onvoldoende bewijs vormt dat sprake is van een voormalige huurauto. Verder heeft belanghebbende geen stukken overgelegd waaruit de verhuurhistorie blijkt. De inspecteur betoogt verder dat de auto ook kan zijn gebruikt als leaseauto.
37. Naar het oordeel van de rechtbank verzetten zowel het vertrouwensbeginsel als de goede procesorde zich ertegen dat de inspecteur in beroep terugkomt op zijn eerdere gebruik van een ex rental koerslijst, zodat dit beroep op interne compensatie niet kan worden gehonoreerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Belanghebbende heeft aangifte gedaan aan de hand van een taxatierapport waarbij de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is bepaald middels een ex rental koerslijst. De inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd op basis van een koerslijst betreffende een auto zonder huurverleden. Hierdoor was van meet af aan duidelijk dat dit een geschilpunt vormde tussen belanghebbende en de inspecteur. In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende uitdrukkelijk betoogd dat de auto volgens hem een auto met een huurverleden betreft en dat daarom een ex rental koerslijst gebruikt moet worden. De rechtbank wijst ook op het hoorverslag en de voorgenomen uitspraak op bezwaar. Bij het doen van uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur belanghebbende gevolgd in zijn betoog door eveneens een ex rental koerslijst te gebruiken in zijn berekening van de vermindering van de naheffingsaanslag. Hiermee heeft de inspecteur bij belanghebbende dus in ieder geval de indruk gewekt dat hij het, na heroverweging, wat betreft dit punt met belanghebbende eens is. Gelet op deze gang van zaken verzet het vertrouwensbeginsel zich ertegen dat de inspecteur zich beroept op interne compensatie met betrekking tot het gebruik van de ex rental koerslijst bij het doen van uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank komt dat een en ander ook in strijd met de goede procesorde. Dat laatste geldt ook voor de tweede component waarvoor de inspecteur interne compensatie vraagt (de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat). Hierbij is van belang dat uit de stukken niet duidelijk was wat de inspecteur nu precies bedoelde. Het leek te gaan om de historische nieuwprijs (zie ook het kopje in het verweerschrift), maar dat bleek bij navraag op de zitting niet het geval. Daardoor werd toen pas helder waar de rechtbank over zou moeten beslissen. Deze onduidelijkheid komt voor rekening van de inspecteur. De rechtbank vindt het vervolgens niet acceptabel om in zo’n laat stadium van de procedure nog met dit standpunt te komen (zowel bekeken vanuit de positie van de wederpartij als die van de rechtbank). De inspecteur heeft ook geen goede reden gegeven voor de late verduidelijking en concretisering. Alles afwegend had dit echt eerder gemoeten.
38. Het bedrag aan schade waarmee de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden bedraagt € 465 (€ 1.223 -/- € 758) (zie 32.). Alsdan bedraagt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 52.098 (€ 52.563 -/- € 465). De historische nieuwprijs is € 118.357, zodat de afschrijving uitkomt op 55,982%. De verschuldigde bpm bedraagt € 28.634 x (1 - 0,55982) = € 12.604. Belanghebbende heeft op aangifte bpm € 9.525 voldaan, zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 3.079.
Conclusie en gevolgen
39. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.079.
Vergoeding van immateriële schade
40. Belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep.
41. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende heeft ontvangen op 13 december 2023 en de rechtbank doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met afgerond 11 maanden. Belanghebbende heeft daardoor recht op een vergoeding van € 1.000. De overschrijding is voor acht maanden aan de inspecteur toe te rekenen en voor drie maanden aan de rechtbank. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 727 en de Minister tot vergoeding van een bedrag van € 273.
42. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord.
Proceskosten en griffierecht
43. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
44. Aangezien de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt na 1 januari 2024, moet de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase worden bepaald aan de hand van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv), waarbij artikel 19a aan de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) is toegevoegd.
45. Belanghebbende heeft op de zitting betoogd dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025 (het arrest van 17 januari 2025), zodat de vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing moet blijven.
46. De rechtbank overweegt het volgende. In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze drie kenmerken hebben, zijn aan te merken als een bijzonder geval. Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde ‘kennelijk niet’ alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken.
47. Belanghebbende betoogt dat zijn gemachtigde in deze zaak niet optreedt op basis van no cure no pay omdat zijn gemachtigde de aan hem verrichte diensten in rekening heeft gebracht. In dit kader heeft belanghebbende ter zitting een bewijsaanbod gedaan. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere stukken over te leggen. Belanghebbende heeft op 20 mei 2026 nader stukken overgelegd, te weten een aan hem door zijn gemachtigde uitgereikte factuur, een bewijs van betaling en een toelichting. De rechtbank heeft vervolgens de inspecteur in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt op 27 mei 2026. Het standpunt van de inspecteur komt er – kort gezegd – op neer dat op basis van de door belanghebbende verschafte informatie niet de conclusie kan worden getrokken dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde één of meerdere van de hierboven genoemde kenmerken (zie 44.) niet heeft.
48. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet het bewijs geleverd dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) zijn gemachtigde kennelijk niet voldoet aan een of meer van de hiervoor bedoelde drie kenmerken (zie 44.), zodat geen sprake is van een bijzonder geval. Daartoe overweegt de rechtbank dat de op de zitting door zijn gemachtigde gegeven toelichting, de nadere overgelegde nadere stukken en de daarop gegeven toelichting enkel licht werpen op de in deze zaak gehanteerde werkwijze van de gemachtigde. De rechtbank tast in het duister wat betreft het bedrijfsmodel (van het kantoor van) de gemachtigde, waardoor belanghebbende dus niet in zijn bewijslast is geslaagd.
49. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De hoogte van de vergoeding wordt vermenigvuldigd met 0,25. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing over de toegekende proceskostenvergoeding;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.079;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van (het vernietigde gedeelte van) de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding wegens immateriële schade van € 727;
- veroordeelt de Minister tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding wegens immateriële schade van € 273;
- bepaalt dat de inspecteur het betaalde griffierecht van € 194 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. F. Brekelmans en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van mr. T.R. Bontsema, griffier.
Uitgesproken op 29 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage:
Wet- en regelgeving en enkele daarmee samenhangende parlementaire stukken
Bijlage
2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto's en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. Ter zake van de inschrijving of herinschrijving is voor de hoogte van de vermindering en het tarief het tijdstip bepalend waarop het onderzoek door de Dienst Wegverkeer dat tot de inschrijving of herinschrijving leidt als geregeld bij en krachtens artikel 47 Wegenverkeerswet 1994 is afgerond.
8. De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het motorrijtuig op het tijdstip dat bepalend is voor de hoogte van de vermindering:
Ter verduidelijking van de in geschil zijnde wet- en regelgeving, haalt de rechtbank hieronder enkele bepalingen aan.
Artikel 10 van de Wet Bpm luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘1. Met betrekking tot gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid en twaalfde lid, berekend met inachtneming van een vermindering.
a. meer dan normale gebruiksschade heeft of niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland; en
b. voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde eisen waardoor met dat motorrijtuig mag worden gereden op de weg.’
In artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Bpm is onder meer het volgende vermeld:
‘4. De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde of op basis van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland worden bepaald, indien de opgaaf, bedoeld in artikel 10, achtste lid, van de wet, bestaat uit:
a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, is ontleend; of
b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:
– dat is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I.’
In bijlage I (tekst 2023) is onder meer het volgende vermeld:
‘3.5. De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.’
De Staatssecretaris heeft in zijn Kamerbrief opgemerkt dat:
‘Het onderzoek toont aan dat het huidige waardeverliespercentage in veel gevallen te veel waardeverlies toekent aan schade, en dat in werkelijkheid het waardeverlies kleiner is. Deze omstandigheid kan een reden zijn waarom het gebruik van taxatierapporten voor de afschrijving in de bpm de afgelopen jaren een vlucht heeft genomen. Het onderzoek is daarom aanleiding om het forfaitaire waardeverliespercentage naar beneden bij te stellen, namelijk naar 31%. Met dat percentage wordt bereikt dat voor de helft van de taxatierapporten voldoende waardeverlies wordt toegekend aan de begrote schadeherstelkosten. Voor de andere helft van de taxatierapporten kan het waardeverlies hoger zijn dan 31% van de begrote schadeherstelkosten.’
In de Eindejaarregeling 2022 (de Eindejaarregeling) heeft de Staatssecretaris onder meer de volgende toelichting gegeven op de wijziging van het waardeverliespercentage van 72% naar 31% per 1 januari 2023 (voetnoten weggelaten):
‘Het onderzoeksbureau VMS | Insight is gevraagd om het waardeverliespercentage te herijken, omdat het huidige percentage stamt uit een onderzoek uit 2014. Het onderzoeksbureau stelt vast dat met een waardeverliespercentage van 31% van de getaxeerde herstelkosten aan de helft van de waarnemingen recht wordt gedaan aan de waardevermindering als gevolg van schade (het percentage betreft dus de mediaan). Dit waardeverliespercentage wordt als uitgangspunt opgenomen in de UR BPM 1992. (…)
Waarom is gekozen voor de mediaan als waardeverliespercentage?
De bedoeling van het waardeverliespercentage als forfait in de bpm is tweeledig. Enerzijds moet het een praktisch en toepasbaar handvat bieden aan de belastingplichtige dat recht doet aan de verhouding tussen de getaxeerde herstelkosten en het werkelijke waardeverlies als gevolg van schade aan een motorrijtuig. Het percentage moet daarom niet te laag zijn, omdat de betekenis ervan voor belastingplichtige en de praktijk dan onvoldoende is. Anderzijds moet het forfait ook waarborgen dat aan de getaxeerde herstelkosten niet overmatig veel waardeverlies wordt toegekend. Dat zou immers de prikkel versterken om de herstelkosten bovenmatig te taxeren, teneinde te komen tot een zo hoog mogelijke vermindering van de bpm. Oftewel: het forfait moet geen financiële bonus aan schade toekennen, omdat dat zou namelijk resulteren in een onwenselijke verstoring van de mededinging in de autohandel.
(…)
De omstandigheid dat het vorige waardeverliespercentage – dat vermoedelijk dus veel te hoog was vastgesteld – eraan heeft bijgedragen dat het gebruik van taxatierapporten een onwaarschijnlijke vlucht heeft genomen de afgelopen jaren, toont op zichzelf aan dat een neerwaartse bijstelling noodzakelijk is om het evenwicht in de markt te herstellen. De keuze is gemaakt om op het waardeverliespercentage op de mediaan vast te stellen. Hiermee is gepoogd te balanceren op het enerzijds niet – ten onrechte – blijven toekennen van structurele en omvangrijke schadebonussen (meer waardeverlies toekennen dan werkelijk het geval is) en anderzijds niet – ten onrechte – te weinig waardevermindering toekennen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het percentage van 31% nog altijd hoger is dan de meest voorkomende waarneming in het onderzoek (de modus), welke namelijk een waardeverliespercentage van 23% kent.
De mogelijkheid van tegenbewijs
Het forfaitaire waardeverliespercentage is een weerlegbaar forfait waarbij van belang is dat de belastingplichtige een praktische en laagdrempelige mogelijkheid heeft om tegenbewijs aan te dragen. Daarvoor is een aantal redenen. Ten eerste moet worden onderkend dat met de keuze voor de mediaan in de helft van de waarnemingen te weinig waardeverlies wordt toegekend aan de getaxeerde herstelkosten. Ten tweede is van belang dat het voor de onderzoekers niet mogelijk was om eenduidig vast te stellen of de beschikbare dataset representatief was voor alle voertuigen met schade – hoewel tegelijkertijd de inschatting van de onderzoekers was dat analyse van andersoortige schadevoertuigen tot vergelijkbare resultaten zal leiden. Ten derde is het laagdrempelig en eenvoudig kunnen aandragen van tegenbewijs van belang vanwege het fiscaal discriminatieverbod. Het is daarbij de bedoeling dat het leveren van tegenbewijs specifiek betrekking heeft op het concrete, individuele, motorrijtuig, en tegelijkertijd het niet (te) moeilijk is om dat tegenbewijs te leveren. Hierom is in de regeling opgenomen dat – als laagdrempelige en toegankelijke wijze – het tegenbewijs in elk geval kan worden vormgegeven door de taxatiewaarde te vergelijken met de werkelijke inkoopprijs in het buitenland. Het is daarbij vanzelfsprekend vereist dat het gaat om een reële handelsprijs, die niet kunstmatig laag is gehouden. Voor zover het wettelijke waardeverliespercentage van 31% leidt tot een taxatiewaarde die hoger is dan de inkoopprijs, mag een hoger waardeverliespercentage worden toegepast.
(…)
Het is in elk geval niet voldoende om het tegenbewijs te baseren op algemene gronden zoals het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Uit het onderzoek volgt immers dat het waardeverliespercentage daar niet door wordt beïnvloed. Het tegenbewijs moet concreet zijn en op het individuele motorrijtuig gericht.’