RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 12238347 \ EJ VERZ 26-315
Beschikking van 8 september 2026
in de zaak van
VIGGO EIN SPV,
te Eindhoven,
verzoekende partij,
hierna te noemen: “Viggo EIN SPV”,
gemachtigde: mr. R. Zwanenberg,
tegen
[verweerder] ,
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: “ [verweerder] ”,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever, Viggo EIN SPV, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, [verweerder] . De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten bedrijfseconomische redenen. Met het oog op haar financiële situatie heeft Viggo EIN SPV zich genoodzaakt gezien om een reorganisatie door te voeren. Daarbij is de functie van [verweerder] komen te vervallen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- het verweerschrift,
- aanvullende stukken van Viggo EIN SPV van 19 augustus 2026,
- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden gezamenlijk met twee andere procedures van werknemers tegen Viggo EIN SPV. Dit betreft de procedures met zaaknummers: 12238346 EJ 26-314 en 12238349 EJ 26-316.
In deze procedures wordt daarom op dezelfde datum beschikking gegeven.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. Relevante feiten en omstandigheden
Viggo EIN SPV maakt sinds haar overname door Viggo Eindhoven Airport B.V. op of omstreeks 17 december 2025 onderdeel uit van het Viggo-concern (hierna genoemd: “Viggo”). Voorafgaand aan de overname maakte Viggo EIN SPV onderdeel uit van het
Skytanking-concern (hierna genoemd: “Skytanking”). Skytanking is een Duits concern, dat met Viggo concurrerende activiteiten ontplooit. Viggo EIN SPV was door Skytanking opgericht om met Viggo concurrerende activiteiten op te pakken en uit te voeren op het vliegveld Eindhoven Airport. In dit kader droeg Viggo EIN SPV tot 11 februari 2026 de statutaire naam Skytanking Netherlands B.V.
Viggo, en de afzonderlijke vennootschappen daarvan, verlenen een breed scala aan diensten op het gebied van de luchtvaart, waaronder de grond- en bagageafhandeling van vliegtuigen/vliegvelden. In dat kader zijn deze vennootschappen samenwerkingen aangegaan met vliegvelden (Eindhoven Airport en Schiphol) en luchtvaartmaatschappijen.
Viggo is, op haar beurt, in het voorjaar van 2026 overgenomen door Unifi Aviation, een Amerikaans concern dat zich (eveneens) bezighoudt met dienstverlening in de luchtvaartsector.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1997, is sinds 1 juni 2024 in dienst bij Viggo EIN SPV. De functie van [verweerder] is Passenger Service Duty Manager, met een loon van laatstelijk € 4.028,35 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.
Viggo EIN SPV was voor de overname door Viggo, een concurrent van
Viggo. Met haar komst op Eindhoven Airport (na haar oprichting door Skytanking), had zij
een deel van de activiteiten van Viggo overgenomen. Dit betrof in het bijzonder de
afhandeling van de vliegtuigen van Ryanair. Het is Skytanking niet gelukt om de activiteiten van Viggo EIN SPV goed georganiseerd te krijgen, met als gevolg dat veel aspecten van de bedrijfsvoering niet goed verliepen. De chaos die speelde binnen de bedrijfsvoering van Viggo EIN SPV kwam ook terug in haar financiële situatie. De verliezen waren fors en er was geen vooruitzicht op verbetering. Deze situatie was dusdanig hopeloos dat een faillissement onafwendbaar leek. Als directe concurrent, die niet alleen actief is in hetzelfde werkveld, maar ook feitelijk op dezelfde locatie werkzaam is, ontgingen Viggo deze ontwikkelingen en geluiden niet. In dat kader kwam bij Viggo de keuze voor te liggen om de ontwikkelingen bij (en binnen) Skytanking af te wachten (waarbij een faillissement van Viggo EIN SPV een kwestie van tijd leek), of in gesprek te treden over een (aandelen) overname. Viggo heeft besloten om in gesprek te treden over een overname van Viggo EIN SPV, en uiteindelijk om deze vennootschap over te nemen. Viggo had er namelijk baat bij dat de naam en reputatie van Eindhoven Airport en haarzelf, voor zover dat in haar macht lag, behouden bleef. Tegelijkertijd was een reorganisatie bij Viggo Ein SPV onafwendbaar.
Bij dit alles speelde mee dat de capaciteit op Eindhoven Airport niet alleen relatief
beperkt is, maar ook gemaximeerd is. Eindhoven Airport zit aan zijn max. Er kunnen niet
meer vliegtuigen landen dan de (ene) landingsbaan aankan. Daarbij komt de baansluiting van 1 februari 2027 tot en met 18 juli 2027 (met het oog op de vervanging van de landingsbaan), waardoor de activiteiten van Viggo EIN SPV in dat jaar grotendeels stilliggen. Het gevolg hiervan is dat de te realiseren omzet voor Viggo eveneens gemaximeerd is.
Alles tegen elkaar afwegende vond Viggo een reorganisatie, bestaande uit een inkrimping van het personeelsbestand, noodzakelijk en heeft Viggo EIN SPV besloten om enkele managementfuncties, waaronder de functie van Duty Manager te laten vervallen. De werkzaamheden van deze functies konden namelijk het gemakkelijkst en met de minste
consequenties worden herverdeeld onder collega's. Hierdoor had het vervallen van deze functies de minste impact op- en/of gevolgen voor de bedrijfsvoering van Viggo EIN SPV,
terwijl hiermee wel de beoogde besparingen gerealiseerd konden worden.
In totaal betrof dit een groep van net geen twintig personen. [verweerder] is een van de medewerkers die deze functie vervulde.
Voordat Viggo EIN SPV met de betrokken medewerkers, waaronder [verweerder] , in gesprek was getreden, had zij een Formulier A bij het UWV ingediend.
Nadat [verweerder] had uitgesproken dat zij niet openstond voor een minnelijke regeling, heeft
Viggo EIN SPV de procedure bij het UWV voortgezet.
Bij beschikking van 20 maart 2026 heeft het UWV de ontslagaanvraag afgewezen.
Viggo EIN SPV wendt zich daarom tot de kantonrechter met het verzoek om de
arbeidsovereenkomst met [verweerder] (alsnog) te ontbinden.
3. Het verzoek en het verweer
Viggo EIN SPV verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege bedrijfseconomische redenen (a-grond). Viggo EIN SPV heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd - kort weergegeven - dat Viggo EIN SPV in een dusdanig slechte
financiële situatie verkeert dat een reorganisatie onvermijdelijk was. Daartoe voert zij het volgende aan.
Het UWV heeft in haar beschikking van 20 maart 2026 uitgesproken dat zij "Werkgever [lees: Viggo EIN SPV] [kan] volgen in zijn stelling dat de personeelskosten zwaar drukken op de cijfers en dat er naast overige kostenbesparende maatregelen, ook een besparing van de personeelskosten nodig is."
Het UWV heeft daar vervolgens aan toegevoegd: "[Wij] vinden het aannemelijk dat er op personeelskosten bezuinigd moet worden om het tij te keren en de continuïteit van de onderneming te waarborgen".
Viggo EIN SPV benadrukt dat deze financiële situatie nog steeds niet is verbeterd. Zij lijdt
onverminderd, op dagelijkse basis, zeer substantiële verliezen. Dit wordt voor een wezenlijk gedeelte veroorzaakt doordat Viggo EIN SPV nog niet alle arbeidsovereenkomsten waarvan zij tot een beëindiging wil komen, heeft kunnen beëindigen (deels doordat het UWV een ontslagvergunning heeft geweigerd, deels doordat de betrokkenen ontslagbescherming genieten). Hierdoor loopt Viggo EIN SPV momenteel achter op haar prognoses. Viggo EIN SPV meent dat zij hiermee een redelijke grond heeft om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te kunnen komen, te weten de a-grond van artikel 7:669 lid 3 onder a BW.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] blijft bereid en beschikbaar haar werkzaamheden te hervatten en mee te werken aan een passende herplaatsing binnen de organisatie.
Uitsluitend voor het geval de kantonrechter, ondanks het hiervoor gevoerde verweer, toch tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaat, verzoekt [verweerder] de kantonrechter:
bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor Viggo EIN SPV geldende opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst niet eerder te laten eindigen dan rechtens is toegestaan;
aan [verweerder] de wettelijke transitievergoeding toe te kennen, voor zover deze verschuldigd is;
indien en voor zover de kantonrechter van oordeel is dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Viggo EIN SPV, aan [verweerder] een naar billijkheid vast te stellen billijke vergoeding toe te kennen;
bij de beoordeling van een eventuele billijke vergoeding alle relevante omstandigheden van het geval te betrekken, waaronder de wijze waarop Viggo EIN SPV uitvoering heeft gegeven aan haar herplaatsingsverplichting, de voortdurende beschikbaarheid en bereidheid van [verweerder] om werkzaamheden te verrichten, de personele ontwikkelingen binnen de organisatie en de gevolgen van een beëindiging van het dienstverband voor Viggo EIN SPV;
met veroordeling van Viggo EIN SPS in de proceskosten.
[verweerder] voert - samengevat en voor zover relevant voor de beoordeling van het ontbindingsverzoek- het volgende aan.
Voorop stelt [verweerder] dat zij de stellige conclusie van Viggo Ein SPV dat van een overgang van onderneming geen sprake is geweest, niet zonder meer kan volgen. Zij merkt daarbij op dat na de aandelentransactie de operationele werkzaamheden voor dezelfde opdrachtgever op dezelfde luchthaven zijn voortgezet, een aanzienlijk deel van het personeel is meegegaan en is blijven werken, waarbij gebruik wordt gemaakt van dezelfde bedrijfsmiddelen en machines en in wezen dezelfde activiteiten binnen het Vigo concern worden voortgezet.
Verder stelt [verweerder] dat het UWV bij beschikking van 20 maart 2026 heeft geweigerd om Viggo EIN SPV toestemming te verlenen voor opzegging van haar arbeidsovereenkomst.
Hoewel het UWV de moeilijke financiële situatie van Viggo EIN SPV en de noodzaak tot besparing op personeelskosten aannemelijk achtte, heeft het UWV uitdrukkelijk geoordeeld dat Viggo EIN SPV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom specifiek de arbeidsplaatsen binnen de functiegroep Passenger Service Duty Manager, waaronder de arbeidsplaats van [verweerder] , structureel dienden te vervallen. Het UWV overweegt daarbij dat Viggo EIN SPV onvoldoende heeft toegelicht waarom het doelmatiger zou zijn voor de bedrijfsvoering om specifiek deze functiegroep te laten vervallen. Het UVW concludeert vervolgens dat Viggo EIN SPV zich onvoldoende heeft verantwoord voor de genomen organisatorische beslissing en dat de noodzaak voor het structureel vervallen van de arbeidsplaatsen binnen deze functiegroep onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
Daarnaast heeft het UWV geoordeeld dat Viggo EIN SPV onvoldoende op individueel niveau heeft onderzocht welke passende functies, gelet op de opleiding, ervaring
en capaciteiten van verweerster, beschikbaar waren of binnen de redelijke herplaatsings-termijn beschikbaar zouden komen. Daarbij heeft het UVW onder meer betrokken dat gedurende de procedure bleek dat binnen Viggo werknemers werden opgeleid voor een (coördinator)functie ten behoeve van Ryanair en dat ook deze mogelijkheid bij het herplaatsingsonderzoek van [verweerder] had moeten worden betrokken.
Het UVW heeft voorts vastgesteld dat, hoewel op 17 december 2025 een gesprek met
[verweerder] heeft plaatsgevonden, tijdens dat gesprek geen herplaatsingsmogelijkheden
zijn besproken. Volgens het UVW had Viggo EIN SPV mogelijke passende functies
daadwerkelijk met verweerster moeten bespreken en haar moeten betrekken bij het
herplaatsingsonderzoek, bijvoorbeeld door gezamenlijk de feitelijke mogelijkheden en
onmogelijkheden te inventariseren. Het UVW heeft geoordeeld dat Viggo EIN SPV dit heeft nagelaten en zich daarmee onvoldoende heeft ingespannen voor de herplaatsing van
[verweerder] . Het UWV komt op grond daarvan tot het uitdrukkelijke eindoordeel dat geen redelijke grond voor ontslag aanwezig is en dat het mogelijk is [verweerder] te herplaatsen.
Viggo EIN SPV legt aan het onderhavige ontbindingsverzoek voor een belangrijk deel dezelfde bedrijfseconomische omstandigheden en reorganisatie ten grondslag die reeds door het UWV zijn beoordeeld. Daarbij is van belang dat de ontwikkelingen na de UWV-procedure naar de mening van [verweerder] de eerdere beoordeling van het UWV juist ondersteunen.
Na de beslissing van het UWV zijn binnen de Viggo-organisatie daadwerkelijk functies beschikbaar gekomen en zijn aan [verweerder] tijdens het gesprek van 2 april 2026 twee concrete functies aangeboden. Ook nadien zijn interne vacatures beschikbaar gekomen, hebben personele verschuivingen plaatsgevonden en is medewerkers herhaaldelijk gevraagd extra diensten te verrichten.
Tijdens het gesprek op 2 april 2026 is niet definitief gesproken over de hoogte van het bij deze functies behorende salaris; aangegeven werd dat dit nadien schriftelijk zou worden medegedeeld. Uit het nadien schriftelijk gedane aanbod bleek dat voor beide aangeboden functies een salaris van € 3.161,26 bruto per maand, exclusief toeslagen en vergoedingen, werd aangeboden. Reeds op basis van uitsluitend het basissalaris zou verweerster derhalve € 867,09 bruto per maand minder ontvangen. Dit komt neer op een structurele verlaging van ongeveer 21,5% van haar basissalaris. Daarbij zijn eventuele gevolgen voor toeslagen en vergoedingen nog buiten beschouwing gelaten. [verweerder] stelt zich dan ook op het standpunt dat niet uitsluitend van haar kon worden verlangd dat zij, teneinde haar dienstverband te behouden, ongeacht de aangeboden functie zou instemmen met hetzelfde aanzienlijk lagere salaris. [verweerder] heeft de aangeboden werkzaamheden niet afgewezen omdat zij deze niet wilde
verrichten. Naar aanleiding van het schriftelijke aanbod heeft zij juist opnieuw kenbaar
gemaakt dat zij beschikbaar was voor passende werkzaamheden en haar dienstverband
wilde voortzetten, maar dat zij niet kon instemmen met de voorgestelde forse structurele
salarisverlaging en de aangeboden afbouwregeling.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Het UWV heeft op 20 maart 2026 geweigerd toestemming te geven voor de door Viggo EIN SPV aangevraagde ontslagvergunning op grond van bedrijfseconomische noodzaak.
Op grond van artikel 7:686a lid 4 sub d BW is de werkgever in dat geval bevoegd om binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming is geweigerd een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen als hier aan de orde. Viggo EIN SPV heeft het verzoek op 22 mei 2026 ingediend en kan hierin dus worden ontvangen.
Wettelijk kader: ontbinding vanwege bedrijfseconomische redenen
Uit artikel 7:671b lid 1 sub b en lid 2 BW in verbinding met artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden als daar een redelijke grondvoor is én herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Redelijke grond
Voor het antwoord op de vraag of een redelijke grond voor ontbinding aanwezig is, moet in dit geval worden getoetst of is voldaan aan artikel 7:669 lid 3 onder a BW. Viggo EIN SPV moet aannemelijk maken dat, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, de arbeidsplaats van [verweerder] noodzakelijkerwijs is vervallen als gevolg van de voor een doelmatige bedrijfsvoering getroffen reorganisatie.
Bij de beoordeling van het verzoek om anders te beslissen dan het UWV heeft gedaan kunnen ook nieuwe feiten en omstandigheden worden betrokken, die zich hebben voorgedaan nadat het UWV een besluit heeft genomen. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3) volgt dat i) de rechter het verzoek moet toetsen aan dezelfde (wettelijke) criteria als het UWV doet (dit zijn met name de bepalingen uit de zogenaamde Ontslagregeling), ii) de werkgever aannemelijk zal moeten maken dat de beslissing die aan het verval van arbeidsplaatsen ten grondslag ligt, noodzakelijk is in het belang van een doelmatige bedrijfsvoering en iii) dat er wel ruimte moet zijn voor de werkgever om dergelijke beslissingen te nemen. De werkgever moet zijn onderneming zo kunnen inrichten dat het voortbestaan ervan ook op langere termijn verzekerd is. Bij de toetsing van die beslissing van de werkgever past dan ook een zekere mate van terughoudendheid van de rechter.
In de ontslagaanvraag bij het UWV heeft Viggo EIN SPV aangevoerd dat er sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak, die maakt dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen. Samengevat stelt Viggo EIN SPV in dit verband, dat zij in een dusdanig slechte financiële situatie verkeert dat een reorganisatie, bestaande uit een inkrimping van het personeelsbestand, noodzakelijk was. Viggo EIN SPV heeft besloten om enkele functies, waaronder de functie van Duty Manager, te laten vervallen. Naar de inschatting van Viggo EIN SPV konden de werkzaamheden van deze functies het gemakkelijkst en met de minste consequenties worden herverdeeld onder collega’s. Hierdoor had het vervallen van deze functies de minste impact op en/of gevolgen voor de bedrijfsvoering van Viggo EIN SPV, terwijl daarmee wel de beoogde besparingen gerealiseerd konden worden. Niet enkel de positie van [verweerder] is komen te vervallen, in totaal betrof dit een groep van net geen twintig personen.
Het UWV heeft in haar beschikking van 20 maart 2026 uitgesproken dat zij Viggo EIN SPV kan volgen in haar stelling dat dat de personeelskosten zwaar drukken op de cijfers en dat er naast overige kostenbesparende maatregelen, ook een besparing van de personeelskosten nodig is. Viggo EIN SPV heeft in deze ontbindingsprocedure onweersproken gesteld en tijdens de mondelinge behandeling ook afdoende toegelicht dat noodzaak was - en onverminderd is - om te komen tot een besparing van loonkosten.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat Viggo EIN SPV voldoende heeft onderbouwd dat in het verlengde van de reorganisatie het verval van de functies van Duty Manager, waaronder de functie van [verweerder] als Passenger Service Duty Manager, noodzakelijk is.
Geen overgang van onderneming
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Viggo EIN SPV aannemelijk gemaakt dat met de aandelenoverdracht van de aandelen in Skytanking Netherlands aan Viggo Eindhoven Airport B.V. geen sprake is geweest van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW. De omstandigheid dat na de aandelenoverdracht dezelfde rechtspersoon (met een andere naam) met dezelfde bedrijfsmiddelen en dezelfde werknemers, dezelfde diensten aan de dezelfde opdrachtgever verleent, betekent niet dat daarmee de ondernemingsactiviteiten van Viggo EIN SPV zijn overgedragen. Die activiteiten vinden namelijk nog altijd plaats binnen dezelfde onderneming. Dat Viggo EIN SPV als onderdeel van het Viggo-concern gebruik maakt van faciliteiten van het Viggo-concern, maakt dat niet anders.
Afspiegelingsbeginsel
Nu alle arbeidsplaatsen en functies van Duty Managers vervallen, is de toets of het zogenoemde afspiegelingsbeginsel is nageleefd, niet aan de orde.
Herplaatsingsplicht
Omdat het verweer van [verweerder] zich verder hoofdzakelijk richt op de stelling dat Viggo EIN SPV zich onvoldoende heeft ingespannen voor haar herplaatsing, zal de kantonrechter zijn beoordeling toespitsen op de vraag of Viggo EIN SPV de op haar rustende herplaatsingsplicht jegens [verweerder] is nagekomen.
Vooropgesteld wordt dat geen sprake is van de situatie dat herplaatsing niet in de rede ligt, bijvoorbeeld als gevolg van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
Beoordeeld moet dus worden of herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie mogelijk is.
Daarbij moet worden uitgegaan van de situatie zoals die bestaat op de dag waarop door de kantonrechter wordt beslist op het ontbindingsverzoek van de werkgever (artikel 10 lid 4 Ontslagregeling). De redelijke termijn is gelijk aan de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn (artikel 10 lid 1 Ontslagregeling).
Onder een passende functie wordt een functie verstaan die aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van een werknemer, of waarvoor hij binnen een redelijke termijn met behulp van scholing geschikt zal kunnen zijn (vgl. artikel 9 lid 3 Ontslagregeling). Daarbij zal het in de regel gaan om functies die aansluiten bij het niveau van de werkzaamheden die een werknemer heeft verricht. Hoewel het aan de werkgever is om te beoordelen welke werknemer het meest geschikt is voor het vervullen van een vacature, moet hij die keuze wel kunnen verantwoorden als die ter discussie wordt gesteld.
De kantonrechter is van oordeel dat Viggo EIN SPV de op haar rustende herplaatsingsverplichting van artikel 7:669 lid 1 BW jegens [verweerder] is nagekomen. Daarbij is het volgende in overweging genomen.
Viggo EIN SPV heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zij, nadat Viggo EIN SPV was opgenomen in de Viggo organisatie, concern-breed heeft gekeken naar herplaatsings-mogelijkheden voor de vervallen functies.
Viggo EIN SPV heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat daarvoor, in december 2025, vanuit een chaotische overname is gehandeld, waarbij op 15 december 2025 groepsgesprekken zijn gehouden waarin is medegedeeld dat er gereorganiseerd moest worden. Uit niets bleek dat Viggo EIN SPV plek had voor operationele of coördinerende leidinggevende functies. Daarom is in december 2025 tijdens een (herplaatsings-)gesprek inderdaad aan [verweerder] medegedeeld dat er geen passende functies beschikbaar waren. Viggo EIN SPV heeft daarbij onweersproken opgemerkt dat ‘er niets klopte’ van de functie-beschrijvingen en salarisschalen van Skytanking Netherlands, dat dit door Viggo EIN SPV eerst moest worden uitgezocht en dat daarmee is enige tijd gemoeid geweest.
De vier vacatures voor coördinator bij Viggo EIN SPV, waarvan [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat dit voor haar passende functies betrof, waren volgens Viggo EIN SPV al intern ingevuld vóór de overname van Skytanking Netherlands. Bovendien betwist Viggo EIN SPV dat deze coördinatorfunctie passend was voor [verweerder] .
Viggo EIN SPV heeft verder voldoende aangetoond dat ook nadat zij was opgenomen in de Viggo organisatie er nauwelijks passende vacatures beschikbaar zijn gekomen. Daarbij geldt voor [verweerder] tevens de vraag of vacatures op Schiphol, gelet op haar woonplaats [woonplaats] , überhaupt wel passend zijn vanwege de grote woon-werkafstand en de wisselende werktijden, waarbij een ochtenddienst om 6.00 uur begint en een avonddienst soms pas midden in de nacht eindigt. Bovendien moet Viggo bij vacatures in Eindhoven inmiddels anticiperen op de baansluiting van 2027.
Verder staat onweersproken vast dat tijdens de looptijd van deze ontbindings-procedure twee vacatures beschikbaar zijn gekomen die in de ogen van zowel Viggo EIN SPV als [verweerder] als passend gekwalificeerd konden worden. Dit betroffen functies in een lagere schaal (en daarmee een lager salaris) dan bij Skytanking het geval was, maar niet in geschil is dat het functies waren die overeenkwamen met, of aansloten op de kennis, opleiding en ervaring waarover [verweerder] beschikt.
Alhoewel [verweerder] graag bij Viggo EIN SPV, of een andere Viggo-entiteit is dienst wil blijven, kon zij zich niet verenigen met het door Viggo EIN SPV aangeboden lager salaris, ook niet met een afbouwregeling. Zij was enkel bereid om de aangeboden functie te verrichten met behoud van haar huidige salaris, maar dit salaris past volgens Viggo gewoonweg niet in haar functiehuis. Niet in geschil is dat [verweerder] de vrijheid had om de aangeboden functies te weigeren, maar de keerzijde daarvan is dat Viggo EIN SPV onder die omstandigheid wel degelijk heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting en mag volharden in haar streven om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat Viggo EIN SPV tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat momenteel de (zowel door haar als [verweerder] ) als passend gekwalificeerde functiegroepen vol zijn, dat Viggo geen passende vacatures meer open heeft staan en dat deze binnen afzienbare termijn van tenminste 26 weken ook niet te verwachten zijn, gelet op de sluiting van de enige beschikbare landingsbaan van Eindhoven Airport van 1 februari 2027 tot en met 18 juli 2027.
Conclusie: ontbinding arbeidsovereenkomst
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 november 2026.
Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
Transitievergoeding
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. Deze transitievergoeding bedraagt, gelet op de duur van het dienstverband en het laatstgenoten salaris vermeerderd met 8% vakantiebijslag, € 3.012,31 bruto. Het verzoek van [verweerder] om Viggo EIN SPV te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen.
Billijke vergoeding
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt.
Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, want zoals hiervoor al is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat Viggo EIN SPV in redelijkheid heeft kunnen komen tot de reorganisatie, dat Viggo EIN SPV de noodzaak van het verval van de functie voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat Viggo EIN SPV de herplaatsingsplicht niet heeft geschonden. In dat oordeel ligt besloten dat de verwijten die [verweerder] Viggo EIN SPV in dat kader maakt, niet kunnen leiden tot het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Viggo EIN SPV. De kantonrechter zal het nevenverzoek van [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding daarom afwijzen.
Viggo EIN SPV hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Proceskosten
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.
5. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2026,
veroordeelt Viggo EIN SPV om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 3.012,31 bruto,
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
wijst af het meer of anders verzochte,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026