RECHTBANK OOST-BRABANT
Toezicht
rekestnummer: NL:TZ:2605042:R-RK
uitspraakdatum: 3 september 2026
verzoek toepassing schuldsanering: niet-ontvankelijk
In de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker.
1. Procesverloop
Verzoeker heeft op 27 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot
toepassing van de schuldsaneringsregeling. Op 31 maart en 19 mei 2026 zijn aanvullende stukken ingekomen.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 13 augustus 2026. Daarbij is verzoeker gehoord. Ook zijn ter zitting verschenen [A] schuldhulpverlener, en [B] , werkgever van verzoeker.
2. Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient volgens art. 285 lid
1, aanhef en onder f van de Faillissementswet (Fw) vergezeld te gaan van een met redenen
omklede verklaring waarin is vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een
buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden
de verzoeker beschikt.
In dit dossier is niet geprobeerd een buitengerechtelijk schuldregeling tot stand te brengen. De schuldhulpverlener heeft in het verzoekschrift het volgende aangegeven hierover: “De saldo opgaves zijn eind augustus verstuurd en eind oktober was de schuldlijst compleet maar na een gesprek met de inwoner, begeleider van springplank040 en werkgever is de optie van een aanvraag WNSP besproken. Eind november is definitief besloten dat de schuldenlijst niet met zekerheid compleet was. Heer [verzoeker] wilt 100% schuldenvrij zijn en is bang voor lijken in de kast als we het msnp-traject voortzetten.”
Op de zitting heeft verzoeker hier nog desgevraagd aan toegevoegd dat hij bang is dat er nog schulden uit zijn onderneming naar boven komen. De onderneming had hij 16 jaar geleden en is destijds fiscaal afgewikkeld. Ook is hij circa 16 jaar geleden toegelaten tot een Wsnp-traject, maar dit is mislukt.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de schuldenlijst niet compleet zou zijn en daarom een minnelijk traject mag worden overgeslagen gelet op artikel 285 lid 1, aanhef en onder f Fw. De rechtbank is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat zich nog nieuwe schuldeisers uit de periode van de onderneming van betrokkene gaan melden, mede gelet op de verjaringstermijnen van vorderingen. De onderneming van betrokkene dateert van circa 16 jaar geleden, is fiscaal destijds afgerond en er hebben zich geen andere schuldeisers gemeld dan de schuldeisers die op de schuldenlijst staan.. De rechtbank is van oordeel dat een buitengerechtelijke aanbod aan de schuldeisers onder deze omstandigheden niet overgeslagen had moeten worden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient daarom niet ontvankelijk te worden verklaard.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.