RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
parketnummer: 01-149701-26
bevel schorsing voorlopige hechtenis van de meervoudige strafkamer d.d. 9 september 2026
(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [1997] te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
nu gedetineerd in [verblijf plaats].
Raadsman mr. T. Deckwitz.
Procedure
Op 10 juni 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Tijdens de pro-formazitting van heden is door de raadsman een verzoek ingediend dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis teneinde de executie van twee openstaande gevangenisstraffen mogelijk te maken. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord en kennisgenomen van de schriftelijke standpunten van de raadsman en de officier van justitie. De officier van justitie heeft zich verzet tegen het schorsingsverzoek en daarbij – kort gezegd – verwezen naar de lijn die door de hoven wordt gevolgd. De schriftelijke standpunten zijn als bijlage aan dit bevel gehecht.
Beoordeling
Op dit moment wordt er door Nederlandse rechtbanken en hoven wisselend beslist op verzoeken tot schorsing van de voorlopige hechtenis om de executie van een of meerdere openstaande gevangenisstraffen mogelijk te maken. Door de rechtbank Zeeland-West-Brabant zijn inmiddels prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft deze vragen tot op heden nog niet beantwoord, waardoor een vaste lijn in de rechtspraak op dit moment ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de lijn zoals deze is uitgezet door de rechtbank Zeeland-West-Brabant in beslissingen van onder meer 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594) en 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6488 en ECLI:NL:RBZWB:2026:6491) de juiste is, waarbij per geval zal moeten worden beoordeeld of het belang van schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de executie van een of meerdere openstaande gevangenisstraffen dient te prevaleren boven het strafvorderlijk belang van voortduren van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval, waarbij twee openstaande en overzichtelijke gevangenisstraffen dienen te worden geëxecuteerd en er geen onduidelijkheid bestaat over welke (mogelijke andere) vrijheidsstraffen op dit moment openstaan, het subsidiariteitsbeginsel leidend is en het schorsingsverzoek dient te worden toegewezen.
De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.
Beslissing
De rechtbank: schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 16 september 2026 (in elk geval niet voordat de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de zaken met parketnummers 08-080500-24 en 05-377280-24 ten uitvoer worden gelegd) ten behoeve van en voor de duur van de gevangenisstraffen, welke zijn opgelegd in de strafzaken met parketnummers 08-080500-24 en 05-377280-24, en bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na ommekomst van het uitzitten van die gevangenisstraffen is opgeheven, en bepaalt voorts dat de voorlopige hechtenis herleeft indien verdachte tijdens de schorsing om wat voor reden dan ook (tijdelijk) feitelijk in vrijheid wordt gesteld.
1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.
2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.
3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn of haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
Dit bevel is gegeven ter terechtzitting van de rechtbank op 9 september 2026 door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. W. Heijninck en mr. I.C. Meuris, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.