[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
gemachtigde: ir. [gemachtigde 1],
en
de heffingsambtenaar van het GBLT,
gemachtigde: [gemachtigde 2].
Inleiding
1. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 21 november 2024 verzocht om terugbetaling van alle door haar betaalde aanslagen watersysteemheffing gebouwd met betrekking tot de objecten [adres 1] en [adres 2].
De heffingsambtenaar heeft op 5 februari 2025 in de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende de aanslag watersysteemheffing 2022 voor beide objecten vernietigd en tevens ambtshalve geweigerd de aanslagen over 2018 tot en met 2021 te verminderen.
Belanghebbende heeft op 14 februari 2025 tegen de ambtshalve weigering bezwaar gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2025 het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag watersysteemheffing gebouwd voor het belastingjaar 2021 niet-ontvankelijk verklaard en niet ambtshalve beoordeeld of de aanslag juist is.
Belanghebbende heeft op 24 maart 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2025.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Feiten
2. Belanghebbende heeft op 18 december 2017 een koopovereenkomst gesloten ten aanzien van het object [adres 1]. Dit object is op 29 december 2017 notarieel aan haar geleverd. Belanghebbende heeft zich vanaf dat moment als eigenaar van het object beschouwd en gepresenteerd.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende over de jaren 2018 en 2019 aangeslagen voor de watersysteemheffing gebouwd voor het object [adres 1]. Dit object betrof een dubbel woonhuis.
Het object [adres 1] is op enig moment gesplitst in de objecten [adres 1] en [adres 2].
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende over de jaren 2020 en 2021 onder meer als eigenaar aangeslagen voor de watersysteemheffing gebouwd voor de objecten [adres 1] en [adres 2].
Rechtens is onherroepelijk komen vast te staan dat door vernietiging van de koopovereenkomst van 18 december 2017 belanghebbende met terugwerkende kracht niet geacht kan worden eigenaar te zijn geworden/geweest van de objecten [adres 1] en [adres 2].
Belanghebbende heeft bij brief van 21 november 2024 de heffingsambtenaar verzocht om alle door haar betaalde aanslagen watersysteemheffing gebouwd met betrekking tot de objecten [adres 1] en [adres 2] aan haar terug te betalen, omdat zij, achteraf bezien, als niet-eigenaar in haar visie deze betalingen onverschuldigd heeft gedaan.
De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak van 5 februari 2025 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag voor 2022 die aanslag vernietigd, omdat uit informatie van het Kadaster is gebleken dat belanghebbende op 1 januari 2022 geen eigenaar was. De aanslagen over belastingjaar 2021 en voordien komen, onder verwijzing naar een beleidsregel, niet in aanmerking voor vernietiging/vermindering.
Bij afzonderlijke besluiten van 5 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar de aan belanghebbende opgelegde aanslagen over de belastingjaren 2023 en 2024 ambtshalve vernietigd.
Belanghebbende heeft op 14 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen de weigering van de heffingsambtenaar om de haars inziens ten onrechte betaalde aanslagen watersysteemheffing gebouwd over de jaren 2018 tot en met 2021 aan haar terug te betalen. Zij heeft in dit bezwaarschrift tevens verzocht om een kostenvergoeding in bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet binnen zes weken na de datum van het aanslagbiljet (30 juni 2021) is ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank stelt voorop dat onderhavig beroep voor wat betreft voorgeschiedenis en feiten grote gelijkenis vertoont met het beroep van belanghebbende tegen de weigering van de heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland om aan belanghebbende de door haar betaalde aanslagen onroerendezaakbelasting en rioolheffing over de jaren 2018 tot en met 2021 te verminderen. De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 13 maart 2026 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar
6. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na de datum van het aanslagbiljet is ingediend.
7. Belanghebbende betoogt in beroep dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De heffingsambtenaar stelt, aldus belanghebbende, ten onrechte dat bezwaar is gemaakt tegen een belastingaanslag. Haar bezwaar was echter gericht tegen het besluit van de heffingsambtenaar om de ‘zonder rechtsgrond als niet-eigenaar’ door belanghebbende betaalde aanslagen niet aan haar terug te betalen.
8. De heffingsambtenaar erkent dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen een of meer belastingaanslagen als zodanig en dat de motivering in de uitspraak op bezwaar incorrect is.
Volgens de heffingsambtenaar is het bezwaar evenwel terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek van belanghebbende van 21 november 2024 is opgevat als een verzoek op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Met het besluit van 5 februari 2025 is dit verzoek afwezen, met inachtneming van de beleidsregels die zijn vastgesteld over ambtshalve verminderen met terugwerkende kracht over in het verleden liggende belastingjaren. De termijn om met terugwerkende kracht te corrigeren is drie jaar gerekend vanaf datum dagtekening van het aanslagbiljet. Een op grond van artikel 65 van de AWR genomen ambtshalve besluit is, gelet op het gesloten stelsel van artikel 26 van de AWR niet voor bezwaar en beroep vatbaar. Het bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, omdat geen sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.
9. De rechtbank overweegt dat het verzoek in de brief van belanghebbende van
21 november 2024 om de door haar betaalde aanslagen aan haar terug te betalen moet worden opgevat als het verzoek om met terugwerkende kracht de aanslagen watersysteemheffing voor de jaren 2018 tot en met 2021 op nihil te stellen. De heffingsambtenaar moet dit besluit ambtshalve nemen, omdat tegen de aanslagen over de betreffende belastingjaren het rechtsmiddel van bezwaar niet meer open stond.
10. Het besluit van de heffingsambtenaar van 5 februari 2025 moet worden aangemerkt als een ambtshalve beslissing. Een dergelijk ambtshalve genomen besluit is voorzien in artikel 65 van de AWR en is daardoor een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Tegen het ambtshalve besluit van 5 februari 2025 is door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met artikel 26 van de AWR geen beroep mogelijk bij de bestuursrechter. Daarom staat op grond van artikel 7:1 van de Awb evenmin bezwaar open. Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet geldt de bevoegdheid een dergelijk besluit te nemen ook voor de heffingsambtenaar ter zake van de gemeentelijke belastingen.
In zoverre heeft de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2025 het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
11. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift erkend dat de motivering in de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2025 onjuist is geweest. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Aannemelijk is dat belanghebbende door het motiveringsgebrek niet in haar belangen is geschaad. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift alsnog gemotiveerd waarom het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk is. Belanghebbende heeft daarop ter zitting kunnen reageren.
12. Volgens vaste rechtspraak geeft het passeren van een gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding tot een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar zal veroordelen in de proceskosten en zal bepalen dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.
Het verzoek om schadevergoeding
13. Belanghebbende stelt verder dat als gevolg van het primaire besluit en de uitspraak op bezwaar schade is ontstaan, die op grond van artikel 8:88 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komt.
14. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af, alleen al omdat belanghebbende haar schade niet met documenten of op een andere wijze heeft onderbouwd.
Het verzoek om kostenvergoeding in bezwaar
15. Belanghebbende stelt ten slotte dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan haar verzoek om toekenning van een kostenvergoeding in bezwaar.
16. De heffingsambtenaar erkent dat in de uitspraak op bezwaar van
14 maart 2025 op dit verzoek abusievelijk niet is beslist. Dit verzoek had afgewezen moeten worden, omdat het bestreden besluit niet is herroepen.
17. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen, voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om een kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand te laten. Omdat met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar geen sprake is geweest van het herroepen van het primaire besluit, behoefde de heffingsambtenaar geen kostenvergoeding aan belanghebbende toe te kennen.
18. De rechtbank zal de heffingsambtenaar veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De rechtbank ziet aanleiding om met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) het bedrag tot een kwart te verminderen, omdat belanghebbende vanwege een motiveringsgebrek in het gelijk wordt gesteld. Belanghebbende krijgt gelijk in haar standpunt dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar de niet-ontvankelijkverklaring onjuist heeft gemotiveerd en niet op het kostenvergoedingsverzoek heeft beslist. Zij krijgt geen gelijk in haar standpunt over het verminderen van de aanslagen watersysteemheffing.
19. De rechtbank stelt op grond van het Bpb de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1, matiging tot een kwart).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
H. Blekkenhorst, griffier.
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.