ECLI:NL:RBOVE:2026:5487

ECLI:NL:RBOVE:2026:5487

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer F.08/26/104, 351214 FT RK 251/26
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Beschikking ex art. 67 Fw. Gefailleerde heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing ex art. 69 Fw. van de rechter-commissaris. Het verzoek is niet door een advocaat, maar door gefailleerde zelf ingesteld. De rechtbank gelast geen mondelinge behandeling, omdat gefailleerde op de gevolgen is gewezen en verklaart gefailleerde niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

Faillissementsnummer: F.08/26/104Zaaknummer: 351214 FT RK 251/26

Beschikking ex artikel 67 Faillissementswet van de rechtbank Overijsel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken

betreffende het verzoek van

de heer [verzoeker]

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [verzoeker],

houdende hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 2 september 2026 in zijn persoonlijke faillissement.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 3 september 2026 ingediende verzoekschrift met bijlagen, houdende hoger beroep tegen de beslissing ex art. 69 Fw. van de rechter-commissaris van 2 september 2026.

2. De feiten en de beoordeling daarvan

In het verzoekschrift komt [verzoeker] in hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 2 september 2026 en verzoekt hij de meervoudige kamer van de rechtbank om met de hoogst mogelijke spoed een mondelinge behandeling te gelasten, de bestreden beschikking van de rechter-commissaris integraal te vernietigen en de curator te bevelen:

In het oorspronkelijke verzoek dat heeft geleid tot de beschikking ex artikel 69 Fw. heeft [verzoeker] de rechter-commissaris verzocht om de curator te bevelen“1. Per omschakomst over te gaan tot het overmaken van een voorschot leefgeld uit de thans door hem binnengehaalde Revolut-tegoeden;

2. Mijn freelance werkzaamheden met mijn internationale klanten per direct toe te staan onder een door u goed te keuren verdeelsleutel, zodat ik aan mijn wettelijke inspanningsverplichtingen kan voldoen; 3. Subsidiair het faillissement onverwijld voor te dragen voor opheffing wegens gebrek aan baten, daar de totale boedel marginaal is en de curator de actieve opbouw van verdere boedelvoorzieningen door zijn onwil bewust frustreert.”

De rechter-commissaris heeft dat verzoek van [verzoeker] afgewezen en tegen die beslissing komt [verzoeker] nu in hoger beroep.

Alvorens toe te kunnen komen aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep van [verzoeker] moet eerst de vraag worden beantwoord of hij in het onderhavige hoger beroep kan worden ontvangen. De rechtbank is daarover tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Het volgende wordt daartoe overwogen.

Tegen een beschikking ex art. 69 Fw. staat gedurende vijf dagen hoger beroep open. Deze termijn vangt aan daags nadat de beschikking is gegeven (art. 67 lid 1 Fw.). In art. 5 lid 1 Fw. is expliciet bepaald dat een verzoek ex art. 67 Fw. moet worden ingediend door een advocaat.

Het verzoek van [verzoeker] is op 3 september 2026 per e-mail ingediend. Het originele verzoek is op 4 september 2026 ter griffie ontvangen. De rechtbank stelt vast dat het verzoek tijdig door [verzoeker] is ingediend.

[verzoeker] heeft zich niet door een advocaat laten vertegenwoordigen, maar hij heeft het verzoekschrift zelf ingediend, zoals hiervoor vermeld eerst per e-mail van 3 september 2026. Diezelfde middag heeft de insolventiegriffie van de rechtbank eveneens per e-mail aan [verzoeker] het volgende bericht: ‘[…] Hierbij berichten wij u, dat een beroep ex art. 67 Fw. uitsluitend door een advocaat kan worden ingediend en uw huidige verzoek niet in behandeling kan worden genomen.[…]’.

Op dat bericht heeft [verzoeker] wederom per e-mail gereageerd en daarbij heeft [verzoeker] onder meer het volgende kenbaar gemaakt: ‘In reactie op uw schrijven van heden, 3 september 2026 om 14:54 uur, deel ik u mede dat uw standpunt dat een beroep ex artikel 67 Faillissementswet (Fw) uitsluitend door een advocaat kan worden ingediend, rechtens onjuist is. In tegenstelling tot de reguliere civiele procedure, geldt voor het instellen van hoger beroep op grond van artikel 67 Fw tegen een beschikking van de rechter-commissaris door de gefailleerde geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. De gefailleerde is wettelijk bevoegd dit beroep in persoon (zelfstandig) bij de rechtbank in te dienen. Ik verwijs u hiervoor uitdrukkelijk naar de letterlijke tekst van artikel 67 lid 1 Fw, alsmede naar de vaste en onwrikbare jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake.

Ook op dat bericht is diezelfde middag per e-mail gereageerd door een medewerker van de rechtbank, waarbij aan [verzoeker] het volgende kenbaar is gemaakt: ‘[…] Anders dan u stelt dient een beroep artikel 67 Fw. wel degelijk door een advocaat ingesteld te worden. Ik verwijs daarbij naar hetgeen is bepaald in art. 5 lid 1 van de Faillissementswet.[…..]Wilt u dat het door u ingediende verzoek in behandeling wordt genomen? In dat geval zal als gezegd het verzoek worden geregistreerd en van griffierecht worden geheven. Ik maak u erop attent dat de rechtbank u niet-ontvankelijk in uw verzoek kan verklaren omdat het verzoek niet door een advocaat is ingediend. Een andere optie is dat u zich per omgaande tot een advocaat wendt en door hem/haar het verzoek laat indienen.[…]’

Op dat bericht heeft [verzoeker] als volgt gereageerd: ‘[…] Ik neem kennis van uw standpunt, doch ik betwist de door u geschetste juridische kadering ten aanzien van de verplichte procesvertegenwoordiging bij een artikel 67 Fw-procedure door de gefailleerde in persoon uitdrukkelijk. De door u aangehaalde algemene bepaling van artikel 5 lid 1 Fw mist in deze specifieke casuïstiek en gelet op de aard van de bestreden leefgeld-beschikking vigerende rechtskracht.

Op uw dwingende keuzevraag antwoord ik helder en onvoorwaardelijk: Ja, ik eis dat het door mij ingediende verzoek conform de wet formeel in behandeling wordt genomen en onverwijld wordt voorgelegd aan de Meervoudige Kamer van de Rechtbank Overijssel.

Ik ga uitdrukkelijk niet over tot intrekking van mijn tijdig en rechtsgeldig ingediende beroepschrift.

[…]’.

[verzoeker] heeft betwist dat in een art. 67 Fw. procedure sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de bepaling van art. 5 lid 1 Fw. in deze specifieke casuïstiek en gelet op de aard van de bestreden leefgeld-beschikking vigerende rechtskracht mist. Die stellingen heeft hij echter niet nader onderbouwd.

De rechtbank volgt [verzoeker] niet in dat betoog. Hoewel het op de weg van [verzoeker] ligt om vindplaatsen van de door hem gestelde ‘vaste en onwrikbare jurisprudentie van de Hoge Raad’ kenbaar te maken, heeft de rechtbank zelf uiteraard de bestaande jurisprudentie op dit punt onderzocht. Daaruit blijkt dat uit de vaste rechtspraak op dit onderwerp volgt dat wel degelijk sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging (zie onder meer rechtbank Noord-Holland d.d. 12 april 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:3175). Wanneer niet aan dat vereiste wordt voldaan, leidt dat tot niet-ontvankelijkheid.

In uitzonderlijke gevallen geeft de rechtbank ook een inhoudelijk oordeel wanneer een verzoeker niet-ontvankelijk is. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de rechter-commissaris het verzoek ex art. 67 Fw. heeft ontvangen en aan verzoeker heeft medegedeeld dat diens verzoek aan de rechtbank wordt doorgeleid, zoals het geval was in het verzoek dat heeft geleid tot de beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:5533). Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor, integendeel. [verzoeker] is door de rechtbank meermalen gewezen op het gegeven dat hij zich in het verzoek moet laten vertegenwoordigen door een advocaat. Daarbij is [verzoeker] ook gewezen op de mogelijke gevolgen wanneer hij zich niet zou laten vertegenwoordigen, te weten niet-ontvankelijk verklaring in zijn verzoek. Daarnaast is het zo dat de beslissing van de rechter-commissaris uitgebreid is gemotiveerd, zodat ook daarin door de rechtbank geen aanleiding wordt gezien om een inhoudelijk oordeel te geven.

Nu binnen de wettelijke beroepstermijn van vijf dagen, welke termijn eindigde op 7 september 2026, zich geen advocaat heeft gesteld, stelt de rechtbank vast dat het beroepschrift niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Er is sprake van een onherstelbaar formeel gebrek. Gelet daarop zal de rechtbank geen mondelinge behandeling gelasten en evenmin de curator in het faillissement in de gelegenheid stellen om te reageren op het verzoek van [verzoeker]. Aanstonds is immers duidelijk dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek, zodat de rechtbank als volgt zal beslissen.

3. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 2 september 2026.

Gewezen en uitgesproken te Almelo op 10 september 2026 door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, lid van voormelde enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat gedurende tien dagen het rechtsmiddel van cassatie open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand