RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11938319 \ CV EXPL 25-3388
Vonnis van 1 september 2026
in de zaak van
de heer DAVID WARNINK,
in de hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam 1],
kantoorhoudend in Kampen,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de curator,
gemachtigde: mr. D. Warnink,
tegen
mevrouw [naam 2],
wonend in [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [naam 2],
gemachtigde: mr. M.A. Knobben.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 10 producties, die is betekend op 10 oktober 2025,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met 3 producties, gedateerd 25 november 2025,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie, gedateerd 22 mei 2026,
- de akte tot wijziging van eis van de zijde van [naam 2],- de mondelinge behandeling van 5 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen namens [naam 2] voorgedragen door mr. Knobben, tijdens de mondelinge behandeling van 5 juni 2026,
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Waar gaat de zaak over?
De discussie gaat over betalingen die gefailleerde [naam 1], na datum faillissement, heeft verricht aan zijn ex-echtgenote [naam 2]. De curator vordert die betalingen terug als zijnde onverschuldigd betaald. [naam 2] betoogt dat er wel een grondslag bestond voor de betalingen, te weten een overeenkomst waarbij [naam 2] met [naam 1] afspraken heeft gemaakt over kinderalimentatie. [naam 2] stelt een tegenvordering in, waarin zij nakoming verlangt van de gestelde overeenkomst met [naam 1]. De kantonrechter wijst de vordering van de curator in conventie toe. Door de faillietverklaring heeft [naam 1] van rechtswege de beschikking en het beheer over het tot het faillissement behorend vermogen verloren. De betalingen aan [naam 2] zijn door [naam 1] verricht vanuit het tot het faillissement behorend vermogen. Omdat [naam 1] per datum faillissement niet (meer) kon beschikken over zijn vermogen, zijn de betalingen zonder rechtsgrond verricht en waren deze dus onverschuldigd. De tegenvordering van [naam 2] wordt afgewezen. Indien [naam 2] meent een vordering op de faillissementsboedel te hebben, moet zij die ter verificatie bij de curator indienen.
3. De feiten
[naam 2] is ex-echtgenote van [naam 1]. Het huwelijk tussen [naam 2] en [naam 1] is geëindigd door inschrijving van een echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel, gedateerd 24 juni 2014.
Op 8 augustus 2023 is de heer [naam 1] (hierna: ‘[naam 1]’) in staat van faillissement verklaard door de rechtbank Overijssel. De curator is daarbij aangesteld tot curator in het faillissement.
In de periode gelegen tussen 30 mei 2024 en 14 juni 2025 heeft [naam 1] betalingen gedaan aan [naam 2]. In totaal gaat het om een bedrag van € 13.197,79. Deze betalingen zijn door [naam 1] uitgevoerd via een bankrekening die de curator aan [naam 1] ter beschikking had gesteld, in verband met de ondernemingsactiviteiten die [naam 1] tijdens zijn faillissement verrichtte.
4. Het geschil
in conventie
De curator vordert – samengevat weergegeven – van [naam 2] terugbetaling aan de boedel van een bedrag van € 13.197,79, te vermeerderen met de wettelijke rente. De curator beroept zich op onverschuldigde betaling.
[naam 2] voert verweer. [naam 2] concludeert tot afwijzing van de vordering van de curator, met een veroordeling van de curator in de daadwerkelijke proceskosten. [naam 2] betoogt dat er door [naam 1] aan haar niet onverschuldigd is betaald, omdat er sprake is van een overeenkomst die [naam 1] verplichtte om periodiek kinderalimentatie te betalen aan haar.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[naam 2] vordert – samengevat weergeven, na eiswijziging – een verklaring voor recht dat zij een vordering heeft op de curator, althans op [naam 1], die inhoudt een betalingsverplichting van € 250,00 per week uit hoofde van kinderalimentatie, vanaf 1 juli 2025 tot het moment dat de overeenkomst tussen [naam 2] en [naam 1] rechtsgeldig is geëindigd. [naam 2] onderbouwt haar vordering aan de hand van haar standpunten in conventie.
De curator voert verweer. De curator concludeert tot afwijzing van de vordering van [naam 2]. De curator betwist het bestaan van een overeenkomst als door [naam 2] gesteld. Bovendien stuit de vordering van [naam 2] volgens de curator af op het systeem dat geldt op grond van de faillissementswet.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie
De curator beroept zich op onverschuldigde betaling. Het standpunt van de curator is dat [naam 1] het bedrag van € 13.197,79 zonder rechtsgrond aan [naam 2] heeft betaald. De curator verwijst daarbij naar het stelsel van de Faillissementswet, met name de artikelen 20, 23 en 24 Fw.
[naam 2] betoogt dat wel een rechtsgrond bestaat voor de door [naam 1] aan haar verrichte betalingen. Die rechtsgrond is volgens [naam 2] gelegen in een (mondelinge) overeenkomst die zij met [naam 1] heeft gesloten, na afloop van het eerdere faillissement van [naam 1] en voorafgaand aan het nu lopende faillissement. Die afspraak zag op kinderalimentatie en hield volgens [naam 2] in dat zij per week € 250,00 van [naam 1] zou ontvangen. Daarnaast betoogt [naam 2] dat het standpunt van de curator om over te gaan tot terugvordering, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [naam 1] onverschuldigd betaald aan [naam 2], met als gevolg dat [naam 2] gehouden is tot terugbetaling van de ontvangen geldsom aan de faillissementsboedel (en dus aan de curator). Artikel 20 Fw bepaalt dat – als uitgangspunt – het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring en hetgeen hij aan vermogen gedurende het faillissement verwerft, onder het faillissement valt. Dit betekent dat al het vermogen dat [naam 1] op 8 augustus 2023 bezat en het vermogen dat hij na die datum heeft verworven, onder de reikwijdte van het faillissement valt.
Uit artikel 23 Fw volgt dat, door de faillietverklaring, de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen verliest. Dit betekent dat [naam 1] met ingang van 8 augustus 2023 niet meer kon beschikken over zijn vermogen. Niet over wat hij op 8 augustus 2023 had, en evenmin over wat hij na 8 augustus 2023 heeft verworven.
Het voorgaande maakt dat [naam 1] de betalingen aan [naam 2] in de periode gelegen tussen 30 mei 2024 en 14 juni 2025 niet mocht verrichten, omdat daar geen juridische basis voor was. [naam 1] was immers op dat moment de beschikking en het beheer over zijn vermogen verloren. Er is door [naam 1] daarom zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd betaald. De curator kan het bedrag als onverschuldigd betaald terugvorderen.
Het betoog van [naam 2] dat er wel een rechtsgrond bestond voor de door [naam 1] gedane betalingen, wordt door de kantonrechter verworpen. [naam 2] voert aan dat zij met [naam 1] (mondeling) was overeengekomen dat laatstgenoemde aan haar € 250,00 per week zou betalen, uit hoofde van kinderalimentatie. De curator betwist het bestaan van de door [naam 2] gestelde mondelinge overeenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of de door [naam 2] gestelde mondelinge overeenkomst daadwerkelijk bestaat. Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat die mondelinge overeenkomst tussen [naam 1] en [naam 2] bestaat, heeft te gelden dat [naam 1] die overeenkomst per 8 augustus 2023 – de datum van faillietverklaring – niet meer rechtsgeldig kon nakomen, omdat hij de beschikking en het beheer over zijn vermogen was verloren. Dit vloeit voort uit de artikelen 20 en 23 Fw en heeft tot gevolg dat (ook) een (eventuele) overeenkomst tussen [naam 1] en [naam 2] geen rechtsgrond vormde voor de betalingen zoals die door [naam 1] aan [naam 2] zijn verricht.
[naam 2] voert als verweer aan dat zij niet op de hoogte was van het faillissement van [naam 1] dat op 8 augustus 2023 is uitgesproken. De curator betwist de stelling van [naam 2] dat zij hiervan niet op de hoogte was. Ook hiervoor geldt dat in het midden kan blijven het antwoord op de vraag of [naam 2] kennis had van de faillietverklaring van [naam 1] op 8 augustus 2023. Of er al dan niet kennis was bij [naam 2], is namelijk niet een relevant criterium voor de beoordeling of zonder rechtsgrond is betaald of niet.
Het beroep van [naam 2] op de Wet preferente status kinderalimentatieschuld wordt door de kantonrechter verworpen. Die wet regelt iets over de status van een kinderalimentatieschuld ten opzichte van andere schulden, maar laat het wettelijk systeem uit de Faillissementswet onverlet.
[naam 2] doet ook nog een beroep op een arrest van de Hoge Raad uit 2022 (ECLI:NL:HR:2022:80), aan de hand waarvan zij betoogt dat de curator slechts betalingen kan aantasten die hebben geleid tot een vermindering van het actief van de boedel of een vermeerdering van het passief van de boedel. Die rechtsregel volgt inderdaad uit het genoemde arrest, maar kan [naam 2] niet baten. De betalingen die [naam 1] tussen 30 mei 2024 en 14 juni 2025 aan [naam 2] heeft verricht, hebben immers wel degelijk tot vermindering van het actief van de boedel geleid. De curator heeft dit gemotiveerd gesteld aan de hand van productie 2 bij dagvaarding. Een concrete, gemotiveerde betwisting van de zijde van [naam 2] ontbreekt.
Ten slotte wordt ook het standpunt van [naam 2] ter zake de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) door de kantonrechter verworpen. Het standpunt van [naam 2] is dat het beroep van de curator op de artikelen 20, 23 en 24 Fw, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De kantonrechter oordeelt dat [naam 2] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot dit oordeel kunnen leiden. Vooropgesteld wordt dat het opzijzetten van een dwingende wetsbepaling door de eisen van de redelijkheid en billijkheid slechts onder hoogst uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is en door een rechter met grote terughoudendheid moet worden toegepast.
Het enige argument dat [naam 2] in dit kader heeft aangevoerd, is de – door de curator betwiste – stelling dat de betaalde gelden een kinderalimentatiebestemming hebben. Als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [naam 2] op dit punt, is dat enkele feit onvoldoende om het wettelijk systeem van de Faillissementswet te doorkruisen.
De conclusie is dat alle verweren van [naam 2] worden verworpen en de vordering van de curator onder I toewijsbaar is.
De curator vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: ‘het Besluit’). Buitengerechtelijke incassokosten worden wettelijk gezien gelijkgeschakeld met vermogensschade. Die vermogensschade lijdt een benadeelde doordat hij (redelijke) kosten moet maken die betrekking hebben op het voldoen krijgen van zijn vordering buiten de rechter om. Op grond van het Besluit wordt deze vergoeding forfaitair berekend.
De curator heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht (dagvaarding, randnummers 23 en 24). De curator heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 906,98 worden toegewezen. De rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen zoals gevorderd, te weten met ingang van veertien dagen na een eventuele betekening van het vonnis in deze zaak.
[naam 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.860,78
in reconventie
[naam 2] heeft het in haar akte tot wijziging van eis over een voorwaardelijke vordering in reconventie, maar zij heeft niet aangegeven onder welke voorwaarde die vordering in reconventie is ingesteld. De kantonrechter behandelt de vordering in reconventie daarom als een onvoorwaardelijk ingestelde vordering.
[naam 2] vordert een verklaring voor recht dat zij een vordering heeft op “gedaagde in reconventie”, althans [naam 1], ter hoogte van € 250,00 per week met ingang van 1 juli 2025 tot het moment dat de overeenkomst tussen [naam 2] en [naam 1] rechtsgeldig is beëindigd.
[naam 2] maakt niet duidelijk op wie zij met “gedaagde in reconventie” doelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [naam 2] desgevraagd aangegeven dat de vordering is gericht tegen “de curator als vertegenwoordiger van [naam 1]”. De kantonrechter neemt daarom aan dat de vordering (primair) door [naam 2] is ingesteld als schuldeiser van [naam 1], waarbij de vordering als gevolg van het faillissement van [naam 1] valt in de faillissementsboedel. De verklaring voor recht kan niet worden toegewezen. Indien [naam 2] meent dat zij een vordering heeft op de faillissementsboedel, heeft te gelden dat zij haar gestelde vordering ter verificatie kan indien bij de curator (artikel 110 lid 1 Fw). Het is vervolgens aan de curator om de rechtsgeldigheid van die vordering te beoordelen. Een verklaring voor recht kan niet worden toegewezen, omdat dit het systeem van de Faillissementswet zou doorkruisen.
Subsidiair is de reconventionele vordering gericht tegen [naam 1], in die zin dat [naam 2] een verklaring voor recht vordert dat zij per 1 juli 2025 een vordering van € 250,00 per week heeft op [naam 1].
Deze vordering stuit af op artikel 24 Fw, waaruit volgt dat voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, de faillissementsboedel niet aansprakelijk is, tenzij de boedel als gevolg daarvan is gebaat. Dus zelfs als zou kunnen worden vastgesteld dat [naam 1] per 1 juli 2025 een periodieke verplichting tot betaling van € 250,00 per week heeft ten opzichte van [naam 2], dan heeft te gelden dat de faillissementsboedel daarvoor niet kan worden gesproken.
De conclusie is dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.
[naam 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de curator in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.008,00
6. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [naam 2] om aan de curator te betalen een bedrag van € 13.197,79, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [naam 2] om aan de curator te betalen een bedrag van € 906,98 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van veertien dagen na datum vonnis, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [naam 2] in de proceskosten van € 1.860,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van € 98,00 als [naam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissingen onder 6.1, 6.2 en 6.3,
in reconventie
wijst de vorderingen van [naam 2] af,
veroordeelt [naam 2] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissing onder 6.6,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
1 september 2026.