RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11972916 \ CV EXPL 25-2056
Vonnis van 1 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken gelezen:
Op 4 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij
waren aanwezig de heer [naam 1] , namens [eiseres] , bijgestaan door mr. Th. van Wijngaarden, en [gedaagde] . De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat hij vonnis zal wijzen.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Op 30 december 2024 hebben [naam 1] namens [eiseres] en [gedaagde] elkaar gesproken over de huur van een bus met chauffeur voor een wintersportreis. Via Whatsapp heeft [naam 1] gezegd dat de kosten daarvan ongeveer € 7.000,00 inclusief binnen- en buitenlandse btw waren. Vervolgens heeft tussen hen telefonisch contact plaatsgevonden, waarna [eiseres] via Whatsapp de opdracht heeft bevestigd. [eiseres] heeft de opdracht uitgevoerd en op 27 januari 2025 heeft zij een factuur van € 7.260,00 inclusief 21% btw gestuurd naar [gedaagde] . [gedaagde] heeft die factuur niet volledig betaald. Een bedrag van € 3.010,00 staat nog open.
In deze procedure vraagt [eiseres] om [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot het betalen van € 4.137,89; bestaande uit het nog openstaande bedrag van € 3.010,00, de buitengerechtelijke kosten van € 738,00 en de wettelijke handelsrente tot 9 oktober 2025 van € 389,89. Ook heeft zij betaling van de wettelijke handelsrente over € 3.010,00 vanaf 9 oktober 2025 gevorderd. [gedaagde] is het met de vorderingen niet eens. Daarover zegt [gedaagde] dat hij de factuur niet hoeft te betalen omdat hij niet de opdrachtgever zou zijn van [eiseres] . Hij zou de opdracht namens een ander hebben gegeven.
Wat is het oordeel van de kantonrechter?
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het nog openstaande bedrag van € 3.010,00, vermeerderd met de wettelijke rente aan [eiseres] moet betalen. De vordering zal in zoverre worden toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten en de handelsrente worden afgewezen. Dit oordeel zal de kantonrechter hieronder uitleggen.
De contractspartij moet de factuur van [eiseres] betalen
De contractspartij van [eiseres] is diegene die haar factuur moet betalen. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag wie de contractspartij van [eiseres] is. Volgens [eiseres] heeft zij een overeenkomst gesloten met [gedaagde] , maar volgens [gedaagde] heeft hij de overeenkomst niet namens zichzelf maar op grond van een (stilzwijgende) volmacht namens [naam 2] gesloten en wist [eiseres] dit. [naam 2] is (een van) de organisator(en) van de wintersportreis waarvoor de bus met chauffeur werd gehuurd.
Tussen wie de overeenkomst is gesloten, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval
Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst, is afhankelijk van wat partijen daarover tegen elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben begrepen en mochten begrijpen. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
De overeenkomst is tussen [gedaagde] en [eiseres] gesloten
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de overeenkomst voor zichzelf heeft gesloten. [gedaagde] is namelijk diegene die contact heeft opgenomen met [eiseres] over de opdracht en bij haar een prijs heeft opgevraagd. [eiseres] heeft vervolgens aan [gedaagde] via Whatsapp een opdrachtbevestiging gestuurd. Daarop heeft [gedaagde] niet afwijzend gereageerd. Toen [naam 1] vroeg op wiens naam de factuur moest komen, heeft [gedaagde] de naam en adresgegevens van zijn bedrijf doorgegeven. Uit de hiervoor genoemde omstandigheden begreep [eiseres] en mocht zij begrijpen dat zij de overeenkomst direct met [gedaagde] aanging.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat uit het Whatsapp-contact tussen [gedaagde] en [eiseres] zou blijken dat tussen [naam 2] en [eiseres] contact is geweest over de opdracht en betaling van de factuur. Daaruit zou volgen dat [eiseres] begreep dat [naam 2] eigenlijk haar opdrachtgever was.Anders dan wat [gedaagde] heeft gezegd, is de kantonrechter van oordeel dat uit die gesprekken niet blijkt dat [naam 2] de opdrachtgever was. Uit het Whatsapp-contact tussen [gedaagde] en [eiseres] is alleen op te maken dat het eerste contact tussen [eiseres] en [naam 2] plaatsvond nadat de opdrachtbevestiging richting [gedaagde] al was verzonden en ging over de inkoop van drank voor de busreis. Dat geldt ook voor het contact tussen [eiseres] en [naam 2] over de onbetaalde factuur. Dat contact vond plaats nadat [gedaagde] door [eiseres] was gevraagd om haar factuur te betalen en dat desondanks niet had gedaan. Kortom: die contacten gingen niet over de opdracht en vonden pas plaats nadat de opdracht al door [gedaagde] was gegeven. Daaruit kan dus niet worden afgeleid dat [eiseres] moest begrijpen dat niet [gedaagde] maar [naam 2] de opdrachtgever was.
De conclusie is dat [gedaagde] de contractspartij van [eiseres] was.
[gedaagde] moet nog € 3.010,00 betalen
Nu [eiseres] de overeenkomst met [gedaagde] is aangegaan, is [gedaagde] de afgesproken prijs verschuldigd. Hoewel de specifieke prijs niet is bepaald, is door [eiseres] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst wel een prijsindicatie gegeven van € 7.000,00 inclusief binnenlandse en buitenlandse btw. Met die prijsindicatie is [gedaagde] akkoord gegaan. Het uiteindelijk door haar gefactureerde bedrag van € 7.260,00 inclusief btw acht de kantonrechter redelijk, gezien de beperkte afwijking van de prijsindicatie. [gedaagde] moest dan ook dat bedrag betalen. [gedaagde] heeft op 9 mei 2025 aan [eiseres] € 4.250,00 betaald. Dat betekent dat hij nog aan [eiseres] € 3.010,00 moet betalen.
Geen sprake van een handelsovereenkomst: de handelsrente wordt afgewezen, de wettelijke rente wordt toegewezen.
Door [eiseres] is gesteld dat tussen partijen sprake is van een handelsovereenkomst. Zij vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van de wettelijke handelsrente over het factuurbedrag.
Onder handelsovereenkomst wordt verstaan een overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een handelsovereenkomst. Hoewel [gedaagde] zijn bedrijfsgegevens heeft doorgegeven voor op de factuur, is niet gebleken dat [gedaagde] daadwerkelijk handelde in het kader van zijn beroep of bedrijf. De geleverde vervoersdienst werd namelijk afgenomen in het kader van de wintersportreis georganiseerd door leden van een sportclub, waaronder [gedaagde] . Niet is gebleken dat deze wintersportreis enig verband hield met de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] .
Dit betekent dat de gevorderde handelsrente wordt afgewezen. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, het mindere, worden toegewezen over € 7.260,00 met als ingangsdatum 11 maart 2025. Vanaf die datum was [gedaagde] in verzuim, gelet op de in de aanmaning van [eiseres] genoemde betalingstermijn. [gedaagde] heeft op 9 mei 2025 aan [eiseres] € 4.250,00 betaald. Dat betekent dat [gedaagde] de wettelijke rente is verschuldigd tot 9 mei 2025 over € 7.260,00 en vanaf 9 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling over € 3.010,00.
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Nu [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf), moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,73
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.215,73
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.010,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 7.260,00 vanaf 11 maart 2025 tot 9 mei 2025 en over € 3.010,00 vanaf 9 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.215,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.