ECLI:NL:RBOVE:2026:5499

ECLI:NL:RBOVE:2026:5499

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 12-09-2026
Zaaknummer 12057235 \ CV EXPL 26-47
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De Armeense Kerk en de Stichting Yerevan ruziën over de kosten van de huur van een bus voor het bijwonen van een demonstratie in Brussel. Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, Haviltex.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 12057235 \ CV EXPL 26-47

Vonnis van 1 september 2026

in de zaak van

ARMEENS APOSTOLISCHE KERKGENOOTSCHAP SURP KRIKOR LUSAVORITCH,

te Almelo,

eisende partij,

hierna te noemen: de kerk,

gemachtigde: mr. A. Schuurman,

tegen

STICHTING SOCIAAL CULTURELE STICHTING YEREVAN,

te Almelo,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de stichting,

gemachtigde: mr. W.B. Brusse.

1. De samenvatting

De kerk vordert betaling van de stichting van € 2.175,00 voor een door de kerk aan de stichting ter beschikking gestelde bus, omdat de door de stichting zelf gehuurde bus moest worden geannuleerd. De stichting betwist dat is afgesproken dat zij voor de huur van de bus € 2.175,00 aan de kerk moest betalen. De kantonrechter oordeelt dat niet is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken hoeveel de stichting moest betalen. Omdat wel vaststaat dat de stichting wist dat zij iets moest betalen voor de bedrag, oordeelt de kantonrechter dat de stichting een bedrag van € 1.600,00 moet betalen aan de kerk. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat de stichting heeft teruggekregen van de maatschappij waarbij zij eerder een bus huurde. Partijen moeten hun eigen proceskosten dragen, omdat zij allebei gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de mondelinge behandeling van 5 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

Zowel de kerk als de stichting voelen zich betrokken bij de Armeense gemeenschap in Nederland en daarbuiten. Op 1 oktober 2023 vond in Brussel een demonstratie plaats waarmee aandacht werd gevraagd voor de situatie van het Armeense volk in Nagorno-Karabach. De kerk had busvervoer geregeld voor haar leden die wilden deelnemen aan de demonstratie. Ook de stichting had een bus met chauffeur gehuurd voor de personen die via de stichting wilden deelnemen. Op 29 september 2023 heeft de stichting de door haar gehuurde bus echter moeten annuleren. Het door de stichting betaalde bedrag van € 1.600,00 is door de busmaatschappij teruggestort. De voorzitter van de stichting, de heer [voorzitter] , heeft het bestuur van de stichting diezelfde dag daarover geïnformeerd.

Vervolgens is binnen het bestuur van de stichting overlegd over de vervolgstappen. Bij dat overleg waren – naast de heer [voorzitter] – in ieder geval ook de heren [bestuurder stichting 1] en [bestuurder stichting 2] betrokken. Net als [voorzitter] waren zij volgens het handelsregister gezamenlijk bevoegd de stichting te vertegenwoordigen. Nadat zij tevergeefs hadden geprobeerd een bus te boeken bij een andere busmaatschappij, hebben deze drie bestuurders hun probleem met het busvervoer voorgelegd aan de heer [bestuurder kerk] , bestuurder van de kerk.

De kerk heeft uiteindelijk een bus beschikbaar gesteld aan de stichting. Op 1 oktober 2023 hebben de personen die zich via de stichting hadden aangemeld, gebruik gemaakt van deze bus. De stichting heeft van de busreis en de demonstratie in Brussel een video gemaakt en gedeeld op social media.

Op 2 oktober 2023 vond tussen de heren [bestuurder kerk] en [voorzitter] het volgende gesprek plaats via Whatsapp:

[voorzitter] : Mooi artikel op RTV Oost en nogmaals dank voor de ondersteuning

Ik neem aan dat je de factuur naar ons doorstuurt t.b.v. De bus?

[bestuurder kerk] : Komt goed! Belangrijkste is dat we aan onze vaderlandse plicht hebben voldaan. Gewerkt aan broederlijke samenwerking en een sfeer van eenheid getoond. Nu gaan we proberen dit door te zetten, nog gerichter en kwaliteit verhogend en zichtbare resultaten bereikend.

Ondanks deze wens is tussen de kerk en de stichting een conflict ontstaan over de gemaakte afspraken en (de hoogte van) de betalingsverplichting van de stichting. Zij hebben hun onenigheid niet samen kunnen oplossen. Dat heeft geleid tot een dagvaarding en dit vonnis.

4. Het geschil

De kerk vordert veroordeling van de stichting tot betaling van € 2.175,00, vermeerderd met rente en kosten. Volgens de kerk is met de stichting overeengekomen dat zij dit bedrag zou betalen voor de huur van de bus met chauffeur. De kerk stelt dat zij op 2 januari 2024 een factuur heeft verstuurd aan de stichting. Nadat betaling uitbleef, heeft zij op 21 september 2025 per e-mail een sommatie verzonden. Verdere pogingen om betaling van het volledige gevorderde bedrag te verkrijgen hebben niet geholpen.

De stichting voert verweer. De stichting weerspreekt dat zou zijn overeengekomen dat de busreis de stichting een bedrag € 2.175,00 zou kosten. Volgens de stichting was de heer [voorzitter] ook niet zelfstandig bevoegd om de stichting te vertegenwoordigen bij het aangaan van een dergelijke overeenkomst. De stichting betoogt – voor het geval een betalingsverplichting wordt aangenomen – dat het gevorderde bedrag € 2.175,00 te hoog is. Ook heeft de stichting betwist dat zij de factuur van 2 januari 2024 heeft ontvangen. Tot slot heeft de stichting gesteld dat zij al een bedrag van € 500,00 heeft geschonken aan de kerk en dat dit bedrag in mindering moet komen op het te betalen bedrag voor de busreis.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De kantonrechter stelt vast dat de heer [voorzitter] niet zelfstandig bevoegd was de stichting te vertegenwoordigen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de stichting toch gehouden worden aan afspraken die met de heer [voorzitter] zijn gemaakt. Dit volgt uit artikel 3:61 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW. In dit artikel staat dat een overeenkomst ook bindend kan worden gesloten met iemand die op zichzelf niet bevoegd is, als degene die de overeenkomst sloot erop mocht vertrouwen dat die persoon wel bevoegd was. Bepalend is dus dat de kerk erop mocht vertrouwen dat de heer [voorzitter] bevoegd was om afspraken te maken over het via de kerk regelen van busvervoer. Dit vertrouwen mocht de kerk allereerst afleiden uit de betrokkenheid van de twee medebestuursleden, de heren [bestuurders stichting] , die ook contact hebben gehad met de kerk over de huur van de bus. Verder volgt uit het feit dat de stichting vervolgens gebruik heeft gemaakt van de door de kerk geregelde bus, dat de medebestuurders van de heer [voorzitter] het ermee eens waren dat de stichting gebruik maakte van een door de kerk geregelde bus. Zij waren immers, zo blijkt ook uit een door de kerk overgelegd Whatsapp-memo van de heer [voorzitter] aan zijn medebestuursleden, op de hoogte van de situatie.

De vervolgvraag is wat er precies is afgesproken tussen de stichting en de kerk over de voorwaarden waaronder de bus door de kerk aan de stichting beschikbaar werd gesteld. Het staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat de stichting wist – of had moeten begrijpen – dat de stichting voor de bus moest betalen. Dat blijkt allereerst uit het Whatsappbericht van de heer [voorzitter] van 2 oktober 2023: “Ik neem aan dat je de factuur naar ons doorstuurt”. Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling namens de stichting bevestigd dat zij zich realiseerde dat zij voor de bus moest betalen. Volgens de stichting is echter niet afgesproken dat zij € 2.175,00 moest betalen en is dit ook geen redelijk bedrag.

De kantonrechter oordeelt dat in deze procedure niet vaststaat dat tussen de kerk en de stichting is afgesproken dat de stichting € 2.175,00 moet betalen. Het bedrag volgt niet uit de Whatsappcorrespondentie en is ook verder niet vastgelegd. Het bedrag komt niet naar voren in de schriftelijke verklaring van de heer [voorzitter] , en ook de door de kerk overgelegde verklaringen van de heren [bestuurders stichting] maken geen vermelding van een bepaald bedrag dat zou zijn overeengekomen. Daartegenover staat dat de stichting heeft betwist dat een bedrag is overeengekomen en heeft onderbouwd waarom zij het gevorderde bedrag ook geen logisch bedrag vindt om overeen te komen. Tegen die achtergrond heeft de kerk onvoldoende onderbouwd dat dit bedrag is overeengekomen.

Tegelijkertijd staat in de procedure wel vast dat de stichting iets aan de kerk moest betalen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om vast te stellen wat beide partijen redelijkerwijs van elkaar hadden mogen verwachten als de tussen hen geldende afspraak over de prijs voor de busreis (vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, Haviltex). De kerk heeft in dat kader naar voren gebracht dat zij twee bussen heeft gehuurd voor in totaal € 4.350,00 en een gehele bus beschikbaar heeft gesteld aan de stichting. Daarom is het volgens de kerk redelijk dat de stichting de helft van het totale bedrag betaalt, zijnde € 2.175,00. De stichting heeft aangevoerd dat de kerk weliswaar twee bussen had gehuurd, maar dat de stichting gebruik maakte van een gewone bus en de kerk van een dubbeldekker. Daarom is volgens de stichting niet redelijk dat zij moet opdraaien voor de helft van de kosten. Op basis van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat de stichting – zonder vastgelegde afspraken – niet had hoeven verwachten dat de kerk haar de helft van het totaalbedrag in rekening zou brengen. De kerk mocht er ook niet van uitgaan dat dit, gezien deze omstandigheden, voor de stichting akkoord was. De stichting had er wel op mogen en moeten rekenen dat de via de kerk aangeboden vervangende bus ten minste hetzelfde zou kosten als de eerder door haar zelf geboekte bus, te weten € 1.600,00. De kerk, die wist dat de door de stichting zelf geboekte bus € 1.600,00 kostte, mocht erop vertrouwen dat de stichting bereid was dit bedrag te betalen voor de via de kerk geregelde bus.

Dat de stichting op enig moment, ter gelegenheid van een viering in de kerk, aan de kerk een bedrag van € 500,00 heeft geschonken, maakt het voorgaande niet anders. Het was voor de kerk immers niet duidelijk dat deze donatie werd gedaan als tegenprestatie voor de huur van de bus. In die zin is dus niet relevant wat er binnen het bestuur van de stichting is besproken over deze gift.

De kantonrechter zal de stichting daarom veroordelen om de kerk nog een bedrag van € 1.600,00 te betalen voor de busreis.

De kerk heeft verhoging gevorderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2024. De stichting heeft betwist de factuur van 2 januari 2024 te hebben ontvangen. De kerk heeft niet verder onderbouwd dat de stichting de factuur wel op die datum heeft ontvangen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de stichting de factuur pas heeft ontvangen op 21 september 2025, de dag waarop de door de stichting ontvangen sommatiebrief per email werd verzonden. De gevorderde rente wordt daarom toegewezen vanaf 5 oktober 2025, zijnde veertien dagen (de vervaltermijn op de factuur) na 21 september 2025.

De kerk vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kerk heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze bestaan bijvoorbeeld uit de sommatiebrieven en e-mails waarop door de stichting is gereageerd. De kerk heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De kantonrechter berekent de vergoeding op basis van de hoogte van de toegewezen hoofdsom. Dat leidt tot toewijzing van een bedrag van € 243,60 aan incassokosten. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

Beide partijen krijgen gedeeltelijk ongelijk. De kantonrechter ziet in het voorgaande aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt de stichting om aan de kerk te betalen een bedrag van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 5 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt de stichting om aan de kerk te betalen een bedrag van € 243,60 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis wat betreft de onderdelen 6.1 en 6.2 uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand