RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12238481 \ CV EXPL 26-1701
Vonnis van 1 september 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING SWZ,
te Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: Woningstichting SWZ,
gemachtigde: Smit en Legebeke,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Woningstichting SWZ verhuurt met ingang van 5 september 2006 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 525,19 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Woningstichting SWZ heeft [gedaagde] aangemaand op 11 november 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
Woningstichting SWZ heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Woningstichting SWZ heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
3. Het geschil
Woningstichting SWZ vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 4.768,13 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
Woningstichting SWZ legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Woningstichting SWZ de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat de huurachterstand klopt, maar dat deze door omstandigheden is ontstaan. Inmiddels heeft hij hulp gezocht bij de gemeente en de GGD. Daarnaast is er een nieuwe (spoed)aanvraag gedaan voor bewindvoering. [gedaagde] wil zijn woning niet kwijtraken.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Woningstichting SWZ heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
In dit kader is inmiddels hulp vanuit de gemeente ingeschakeld. Er loopt een aanvraag voor een alleenstaandenuitkering. De heer [naam] , werkzaam bij de afdeling Bemoeizorg van de GGD, is samen met [gedaagde] ter zitting verschenen en heeft toegelicht dat stappen worden gezet om [gedaagde] te ondersteunen bij zijn financiële problemen. Daarnaast is via Finta Beheer B.V. te Meppel een (spoed)aanvraag ingediend voor een nieuwe onderbewindstelling.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand ongeveer vier maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels ruim zeven maanden. De huurachterstand is daarom in beginsel ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] inmiddels aantoonbare en serieuze stappen heeft gezet om hulp te zoeken en zijn financiële en persoonlijke situatie te verbeteren. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat inmiddels professionele hulpverlening is betrokken en dat wordt gewerkt aan het vinden van een structurele oplossing voor zijn financiële problemen. Tegen deze achtergrond acht de kantonrechter het niet in het belang van [gedaagde] dat hij zijn woning zou verliezen. Een gedwongen verlies van zijn woning zou naar verwachting leiden tot een verdere verslechtering van zijn situatie en zijn reeds bestaande problemen vergroten. Het behoud van de woning biedt [gedaagde] daarentegen de noodzakelijke stabiliteit en daarmee een betere uitgangspositie om de ingezette hulpverlening voort te zetten en zijn financiële situatie op orde te brengen.
De kantonrechter heeft daarbij oog voor de belangen van beide partijen. De kantonrechter begrijpt dat SWZ als verhuurder belang heeft bij nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat zij, gelet op de ontstane huurachterstand, duidelijkheid wenst over het verdere verloop van de situatie. Ook begrijpt de kantonrechter dat van SWZ niet zonder meer kan worden verlangd dat zij een voortdurende huurachterstand accepteert. Tegelijkertijd acht de kantonrechter van belang dat [gedaagde] inmiddels aantoonbare stappen heeft gezet om hulp te zoeken en zijn financiële situatie te verbeteren. Een ontbinding van de huurovereenkomst en daaropvolgende ontruiming zou voor [gedaagde] zeer ingrijpende gevolgen hebben en de reeds bestaande problemen naar verwachting verder vergroten.
Nu SWZ ter zitting heeft aangegeven een vonnis tot ontbinding en ontruiming direct te zullen executeren, is de kantonrechter van oordeel dat terughoudendheid is geboden bij het toewijzen van deze vorderingen. De kantonrechter acht het daarom wenselijk om [gedaagde] eerst de gelegenheid te geven om duidelijkheid te verschaffen over de stand van zaken rondom de beoogde onderbewindstelling en de verdere invulling van de hulpverlening. Daarbij kan ook aandacht worden besteed aan de e-mail van [naam] die na de zitting aan de kantonrechter is toegezonden. Aangezien de zaak inmiddels voor vonnis stond kan de kantonrechter dit bericht niet in de beoordeling betrekken.
De kantonrechter zal de beslissing op de vorderingen daarom aanhouden en de zaak verwijzen naar de rol voor uitlating aan de zijde van [gedaagde] over de stand van zaken met betrekking tot de onderbewindstelling en de verdere hulpverlening. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of en in hoeverre inmiddels voldoende perspectief bestaat op een structurele oplossing van de financiële problemen.
5. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 15 september 2026 voor uitlating aan de zijde van [gedaagde] over de stand van zaken met betrekking tot de beoogde onderbewindstelling en de verdere hulpverlening;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026. (jb)