RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12209185 \ CV EXPL 26-670
Vonnis van 1 september 2026
in de zaak van
AGC NEDERLAND HOLDING B.V.,
te Tiel,
eisende partij,
hierna te noemen: AGC,
gemachtigde: Kroep Stegehuis Ikink Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
1. [gedaagde 1] C.V.,
te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2], vennoot [gedaagde 1] C.V.,
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] ,
procederend in persoon.
1. Samenvatting van de zaak
[gedaagde 1] heeft in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf bij AGC diverse aankopen op rekening gedaan en geleverd gekregen. De totale hoofdsom van deze aankopen bedraagt € 14.839,92. [gedaagde 1] heeft een deel van deze hoofdsom betaald. AGC vordert na eisvermindering in deze procedure van [gedaagde 1] de openstaande hoofdsom, wettelijke handelsrente en incassokosten met een totale hoogte van € 4.940,05.
[gedaagde 1] erkent de vordering en heeft met AGC een betalingsregeling afgesproken. De betalingsachterstanden gedurende de betalingsregeling zijn volgens [gedaagde 1] het gevolg van zijn medische- en psychische omstandigheden.
De kantonrechter oordeelt dat de betalingsregeling is komen te vervallen en wijst de vordering van AGC (gedeeltelijk) toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 april 2026;- de conclusie van antwoord van 2 juni 2026;- de conclusie van repliek van 7 juli 2026;- de conclusie van dupliek van 27 juli 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
AGC is een groothandel in glas en verf. Zij produceert, verwerkt en vermarkt glas, verf en toebehoren voor de bouwsector;
[gedaagde 1] heeft in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf bij AGC diverse aankopen op rekening gedaan en geleverd gekregen;
AGC heeft [gedaagde 1] hiervoor meerdere facturen toegezonden voor een totaalbedrag van € 14.839,92;
[gedaagde 1] is ondanks diverse aanmaningen na de vervaldata van de facturen niet tot (volledige) betaling van de facturen overgegaan;
Partijen hebben een betalingsregeling getroffen om de openstaande hoofdsom door [gedaagde 1] aan AGC betaald te krijgen die met de e-mailberichten van 3 maart 2026 zijn vastgelegd.
4. Het geschil
AGC stelt dat [gedaagde 1] de betalingsregeling niet is nagekomen en vordert na eisvermindering - samengevat en uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 4.940,05 vermeerderd met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en (proces)kosten.
[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van AGC, omdat hij de betalingsregeling is nagekomen. [gedaagde 1] wil de betalingsregeling voortzetten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De betalingsregeling is vervallen
Vast staat dat [gedaagde 1] diverse aankopen op rekening heeft gedaan bij AGC. Partijen zijn enkel verdeeld over de vraag of [gedaagde 1] de door partijen overeengekomen betalingsregeling is nagekomen. Bij beantwoording van de vraag wat partijen ten aanzien van de betalingsregeling over de openstaande facturen zijn overeengekomen en wat zij over en weer op dat punt van elkaar mochten verwachten, zijn de volgende omstandigheden van belang. In de e-mails van 3 maart 2026 van Kroep Stegehuis Ikink Gerechtsdeurwaarders en Incasso aan [gedaagde 1] over de hervatting van de betalingsregeling tussen AGC en [gedaagde 1] , blijkt dat tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde 1] uiterlijk iedere 10e van de maand € 1.000,00 zou voldoen aan AGC. Ook blijkt uit de e-mails van 3 maart 2026 dat als de betalingen van [gedaagde 1] uitblijven, de betalingsregeling per direct komt te vervallen en de openstaande hoofdsom direct opeisbaar is.
Uit de e-mails van 3 maart 2026 van Kroep Stegehuis Ikink Gerechtsdeurwaarders en Incasso volgt dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] uiterlijk op de 10e van iedere maand een bedrag van € 1.000,00 aan AGC zou voldoen.Het verweer van [gedaagde 1] dat hij ervan uitging dat hij het overeengekomen bedrag uiterlijk aan het einde van iedere maand kon voldoen, slaagt dan ook niet.
Nu [gedaagde 1] zich voor de maand april 2026 niet heeft gehouden aan de betalingsregeling is daarmee de betalingsregeling komen te vervallen. Dit komt voor rekening en risico van [gedaagde 1] en dat uit zich in de verplichting tot het betalen van de openstaande hoofdsom, de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en de (proces)kosten als hierna vermeld.
Wettelijke handelsrente
Vaststaat dat de facturen binnen 30 dagen (uiterlijk op de vervaldata) betaald moesten zijn, maar dat is niet gebeurd. Daarom moet [gedaagde 1] de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (BW) zoals hierna te melden betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
AGC vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). AGC heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. AGC heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 923,40 worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van AGC worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,54
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
540,00
(1,5 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.372,54
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] hoofdelijk om aan AGC te betalen een bedrag van € 4.940,05, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de datum van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan AGC te betalen een bedrag van € 923,40 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.372,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Beusekom en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.