RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/341341 / HA ZA 25-410
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. E. Nijhoff,
tegen
1. [partij B1] ,
te [woonplaats 2] ,2. [partij B2],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. G.J. Hollema.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 april 2026;- de akte van [partij B] ;
- de akte van [partij A] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De samenvatting
Volgens [partij B] hebben zij schade geleden doordat de dakgoot van [partij A] ondeugdelijk was. Met het tussenvonnis heeft de rechtbank [partij B] opgedragen te bewijzen dat hun schade is veroorzaakt door de dakgoot. De rechtbank oordeelt dat [partij B] niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen geleden schade is veroorzaakt door een gebrek in de dakgoot van [partij A] . De vorderingen van [partij B] worden daarom afgewezen. Zij moeten ook de proceskosten van [partij A] betalen. De kosten van de door hem ingeschakelde deskundige vallen daar niet onder.
3 Het tussenvonnis en de bewijsopdracht
Voor het verloop van de procedure, de feiten, het geschil en door partijen ingenomen stellingen verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis. Met het tussenvonnis zijn de vorderingen in conventie van [partij A] bij wijze van eindbeslissing afgewezen.
In de procedure in reconventie staat de vraag centraal of de lekkage in het pand aan de [adres 1] is veroorzaakt door een gebrek in de dakgoot van het pand aan de [adres 2] . Door [partij B] is, aan de hand van een deskundigenrapport van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) gesteld dat de lekkage is ontstaan door waterinfiltratie tussen de dakgoot en de muur van het pand aan de [adres 2] . Volgens [bedrijf] is het gevolg daarvan dat water bij het pand aan de [adres 1] naar binnen is gekomen. [partij A] heeft dit gemotiveerd betwist. Met het tussenvonnis heeft de rechtbank [partij B] dan ook opgedragen te bewijzen dat de lekkage die in november 2025 is ontstaan aan het pand aan de [adres 1] , is veroorzaakt door waterinfiltratie tussen de muur van het pand aan de [adres 2] en de dakgoot.
4. De beoordeling in reconventie
[partij B] hebben dit bewijs willen leveren met het overleggen van een nieuw rapport van [bedrijf] (hierna: het tweede [bedrijf] -rapport), met een bijlage. [partij A] heeft daarop gereageerd, onder meer met een rapport van de heer [naam] van A2 Experts (hierna: A2).
In het tweede [bedrijf] -rapport staat dat het regenwater via de gebrekkige dakgootconstructie naar buiten trad en “direct richting het naastgelegen pand ( [adres 1] ) stroomde” en “vervolgens direct het pand binnendrong.” In het tweede [bedrijf] -rapport wordt niet ingegaan op de gestelde waterinfiltratie tussen de dakgoot en de muur van het pand aan de [adres 2] , die wel centraal stond in het eerste [bedrijf] -rapport.
[partij B] zijn daarmee niet geslaagd in het leveren van het aan hen opgedragen bewijs. Dit betekent dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de lekkage in het pand aan de [adres 1] is veroorzaakt door waterinfiltratie tussen de muur van het pand aan de [adres 2] en de dakgoot van [partij A] . In zoverre liggen de vorderingen van [partij B] dus voor afwijzing gereed, omdat zij moesten bewijzen dat hun schade is veroorzaakt door een gebrek in de dakgoot van [partij A] .
Desondanks ziet de rechtbank aanleiding om in dit vonnis ook te beoordelen of [partij A] toch aansprakelijk is, maar dan op de gewijzigde feitelijke grondslag, te weten dat het regenwater uit de dakgoot rechtstreeks de muur van het pand aan de [adres 1] is binnengedrongen. [partij A] is hierdoor niet in zijn belangen geschaad, nu hij op deze gewijzigde grondslag heeft gereageerd. Ook in het door hem ingebrachte rapport van A2 wordt ingegaan op deze gewijzigde grondslag.
Met het tussenvonnis is overwogen dat voor de door [partij B] gestelde opstalaansprakelijkheid vereist is dat de opstal – hier: de dakgoot – niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. In het tussenvonnis is vastgesteld dat de dakgoot niet voldeed, omdat deze het gevaar opleverde van waterinfiltratie tussen de dakgoot en de muur van het pand aan de [adres 2] . Nu niet is komen vast te staan dat dit schade heeft veroorzaakt, en omdat [partij B] hun feitelijke grondslag hebben gewijzigd, is dat niet meer relevant. Het gaat nu om de vraag of de dakgoot van [partij A] ook gebrekkig is in het geval komt vast te staan dat regenwater uit de dakgoot richting de muur van het pand aan de [adres 1] kan stromen.
De rechtbank oordeelt als volgt. Zelfs als er inderdaad water uit de dakgoot rechtstreeks in de muur van het pand aan de [adres 1] is terechtgekomen, betekent dit nog niet dat de dakgoot niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld. Uit het uittreksel uit het kadaster volgt immers dat de muur van het pand aan de [adres 1] omstreeks 1963 is gebouwd, terwijl het pand aan de [adres 2] er al sinds ongeveer 1910 stond. De muur van het pand aan de [adres 1] is dus tegen de toen al bestaande dakgoot van het pand aan de [adres 2] aangebouwd. Het was daarmee allereerst de verantwoordelijkheid van de eigenaren van het pand aan de [adres 1] om de aansluiting met de dakgoot zo af te dichten dat hun muur niet nat zou worden door water uit de dakgoot. Daarbij komt dat aan de dakgoot van het pand aan de [adres 2] in de gegeven omstandigheden enkel de eis mocht worden gesteld dat deze het regenwater van het pand aan de [adres 2] goed verwerkt. Het staat echter vast dat deze dakgoot feitelijk ook water heeft te verwerken dat afkomstig is van het pand aan de [adres 1] (zie nr. 3.3 van het tussenvonnis). Tegen die achtergrond hebben [partij B] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de dakgoot ongeschikt was om het regenwater van het pand aan de [adres 2] af te voeren. Het staat daarom in deze procedure niet vast dat de dakgoot niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, en dat daardoor water uit de dakgoot rechtstreeks in de muur van het pand aan de [adres 1] is terechtgekomen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [partij B] schade hebben geleden doordat sprake is van een gebrek aan de opstal van [partij A] . De vorderingen van [partij B] worden daarom afgewezen.
[partij B] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.821,50
[partij A] heeft nog opgemerkt dat [partij B] ook de kosten van de door hem ingeschakelde deskundige moeten betalen. De rechtbank wijst dat verzoek af, omdat artikel 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarvoor geen grondslag biedt. Ook artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan geen grondslag zijn voor de toekenning van de kosten van de deskundige, omdat [partij A] geen schadevergoedingsvordering heeft op [partij B] (zie ook het oordeel van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1538, rov. 7.6.4).
5. De beslissing in reconventie
De rechtbank
wijst de vorderingen van [partij B] af,
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.821,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft onderdeel 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.