RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/349281 / HA ZA 26-234
Vonnis in incident van 2 september 2026
in de zaak van
1. [partij A1] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],2. [partij A2],
te [woonplaats 1],
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [partij A],
advocaat: mr. L. van Gilst,
tegen
1. [partij B1],
te [woonplaats 2],2. [partij B2] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [partij B],
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 juni 2026;
- de conclusie van antwoord in het incident van 29 juli 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
In de hoofdzaak is, samengevat en voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen in het incident, het volgende aan de hand. [partij A] stellen dat er gedurende de periode van begin 2021 tot en met 14 december 2025 een samenwerkingsovereenkomst heeft bestaan die materieel kwalificeert als maatschap en dat van die maatschap en afrekening dient plaats te vinden. Subsidiair stellen [partij A] dat er sprake was van een duurzame samenwerkingsovereenkomst, waarbij op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een eindafrekening moet plaatsvinden.
[partij A] vorderen in de hoofdzaak – kort gezegd – verschillende verklaringen voor recht over de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en veroordeling van [partij B] om een volledige rekening en verantwoording op te stellen en aan hen te verstrekken onder overlegging van de onderliggende administratie, veroordeling van [partij B] om een volledige eindafrekening van de samenwerking op te stellen en veroordeling van [partij B] tot betaling van hetgeen [partij B] volgens die eindafrekening aan [partij A] verschuldigd zou zijn.
[partij A] vorderen in het incident veroordeling van [partij B] om aan hen afschrift te verstrekken van de volgende stukken:
Financiële administratie van [partij B2] B.V., bestaande uit
a. de jaarrekeningen over de boekjaren 2021 tot en met 2025;
b. de winst- en verliesrekeningen over de boekjaren 2021 tot en met 2025;
c. de grootboekadministratie over de boekjaren 2021 tot en met 2025;
d. de kolommenbalansen over de boekjaren 2021 tot en met 2025;
e. de debiteuren- en crediteurenadministratie over de boekjaren 2021 tot en met 2025;
f. de bankafschriften over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december
2025;
Projectadministratie
g. de projectadministratie, calculaties, nacalculaties, resultaatberekeningen offertes, opdrachtbevestigingen en facturen van de in de dagvaarding aangeduide zeven projecten alsmede van alle overige projecten waarvoor tussen partijen winstafrekeningen hebben plaatsgevonden;
Winstafrekeningen
h. alle berekeningen die ten grondslag hebben gelegen aan de kwartaalafrekeningen, eindafrekeningen en overige winstuitkeringen aan [partij A];
Investeringen
i. alle documenten betreffende de tijdens de samenwerking verrichte investeringen, waaronder aanschafdocumentatie, facturen, afschrijvingen, boekwaarden en actuele waarderingen van:
i. hoogwerkers;
ii. kranen;
iii. containers;
iv. hef- en hijsmiddelen;
v. overig projectmateriaal;
Overige stukken
j. de financiële overzichten, projectoverzichten, omzetoverzichten en winstberekeningen die tijdens de samenwerking met Klinkenberg zijn gedeeld;
Een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 100.000.
[partij B] hebben verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Zij verzoeken om afwijzing van de vordering, dan wel aanhouding totdat in de hoofdzaak is beslist. [partij B] voeren onder andere aan dat [partij A] voorbarig zijn met hun incidentele vorderingen, omdat eerst in de hoofdzaak moet worden vastgesteld dat een aanspraak op rekening en verantwoording bestaat.
Een van de vereisten voor toewijzing van een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van gegevens, is dat de verzoeker voldoende belang heeft bij zijn verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat [partij A] onvoldoende belang hebben bij hun verzoek. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
[partij A] hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat de stukken waarvan zij in het incident een afschrift vorderen nodig zijn om vast te stellen of een maatschap, dan wel samenwerkingsovereenkomst met verplichting tot rekening en verantwoording bestaat. De rechtbank leidt uit de dagvaarding af dat het belang van [partij A] bij de verstrekking van de stukken enkel gelegen is in het kunnen vaststellen van de door haar gestelde geleden schade.
Voordat beoordeeld kan worden of [partij A] aanspraak kunnen maken op een afschrift van de gevraagde stukken, moet eerst vastgesteld worden of er sprake is van een beëindigde maatschap of samenwerkingsovereenkomst die tot rekening en verantwoording verplicht. Dat is een vraagstuk dat in de hoofdzaak aan de orde is. [partij A] hebben daarom bij deze stand van de procedure geen belang bij hun vorderingen in het incident, zodat de vorderingen worden afgewezen.
[partij A] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vordering tot het verstrekken van een afschrift van stukken ex artikel 194 Rv af,
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 14 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [partij B],
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Samsen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.