RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer hoofdzaak: C/08/335359 / HA ZA 25-215 en zaaknummer vrijwaringszaak: C/08/341572 / HA ZA 25-417
Vonnis van 2 september 2026
in de hoofdzaak van
FREDRIKUS KOLKMAN Q.Q.,
in de hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V.,
kantoorhoudend in Almelo,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. F. Kolkman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.A. Kerkdijk.
met aan de zijde van [gedaagde] als gevoegde partijen:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 3] B.V.,
gevoegde partijen in de hoofdzaak,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de Holdings,
advocaat: mr. E.H. Hoeksma,
en
in de vrijwaringszaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.A. Kerkdijk,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 3] B.V.,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de Holdings,
advocaat: mr. E.H. Hoeksma.
1. De procedure in de hoofdzaak
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 juni 2025, met 6 producties,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde] van 17 september 2025, met 2 producties,
- de akte tot referte in het incident van de zijde van de curator, gedateerd 1 oktober 2025,
- het vonnis in het incident van 29 oktober 2025, waarin het [gedaagde] is toegestaan om de Holdings in vrijwaring te dagvaarden,- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 3 december 2025, met 1 productie,- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte houdende voeging ex artikel 214 Rv en conclusie van antwoord, ingediend door de Holdings op 21 januari 2026, met 2 producties,
- productie 3 van de Holdings, ingediend ten behoeve van de mondelinge behandeling,
- de akte wijziging van eis van de curator van 30 mei 2026,
- de (gecombineerde) mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen namens de curator, door mr. Kolkman voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling,
- de spreekaantekeningen namens de Holdings, door mr. Hoeksma voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling.
Aansluitend is vonnis bepaald.
2. De procedure in de vrijwaringszaak
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 november 2025, met 4 producties,- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, van 10 december 2025, met 2 producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie in vrijwaring, gedateerd 28 januari 2026,- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de (gecombineerde) mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen namens de Holdings, door mr. Hoeksma voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling.
Aansluitend is vonnis bepaald.
3. Waar gaat de zaak over?
In de hoofdzaak is het standpunt van de curator dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schulden van het in 2025 gefailleerde [bedrijf 1] . [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . De grondslag voor aansprakelijkheid is volgens de curator een 403-verklaring die door [gedaagde] in 1998 zou zijn afgegeven. [gedaagde] betwist het bestaan van de 403-verklaring en betoogt daarnaast dat het vorderen van nakoming van een 403-verklaring door de curator, ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde, buiten de reikwijdte valt van de bevoegdheden die een curator op grond van de Faillissementswet heeft. De rechtbank oordeelt dat de reikwijdte van bevoegdheden van een curator in een faillissement niet zo ver strekt dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers nakoming van een 403-verklaring kan vragen. De vordering van de curator wordt afgewezen.
In de vrijwaringszaak betoogt [gedaagde] dat, wanneer zij door de rechtbank zou worden veroordeeld om een bedrag aan de boedel te betalen, zij op dit punt verhaal heeft richting [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ). De grondslag voor deze vordering van [gedaagde] in vrijwaring is een koopovereenkomst uit 2024, waarin de aandelen in [gedaagde] door WLM Vastgoed en Management B.V. (hierna: ‘WLM Vastgoed’) zijn gekocht van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . In die koopovereenkomst heeft de verkopende partij aan de kopende partij gegarandeerd dat [gedaagde] geen uitstaande 403-verklaringen had. Die garantie is volgens [gedaagde] geschonden. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vrijwaringszaak, omdat de vordering in hoofdzaak wordt afgewezen.
4. De feiten
[bedrijf 1] is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 maart 2025 in staat van faillissement verklaard. De curator is daarbij aangesteld als curator in het faillissement.
[gedaagde] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . WLM Vastgoed is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde] .
Op 21 augustus 2024 is tussen WLM Vastgoed enerzijds en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] anderzijds een koopovereenkomst tot stand gekomen. Op grond van deze koopovereenkomst heeft WLM Vastgoed van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] de aandelen in [gedaagde] gekocht. Artikel 12 aanhef, lid 2, onder e van deze koopovereenkomst luidt als volgt:
“Verkoper verklaart en garandeert aan Koper met betrekking tot:
(…)
De Vennootschap, dat:
(…)
de Vennootschap geen hoofdelijke aansprakelijkheidsverklaring heeft afgegeven zoals bedoeld in artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek;”
In een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1] (gedateerd: 25 juni 2025), staat onder de kopjes ‘Overzicht deponeringen’ en ‘Aansprakelijkheden’ dat [gedaagde] een verklaring heeft gedeponeerd op 5 maart 1998. De ingangsdatum van deze verklaring is genoteerd op 1 januari 1996.
5. Het geschil
in de hoofdzaak
De curator vordert – na een wijziging van eis – samengevat weergegeven, het volgende:
primair:
( i) een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schulden van [bedrijf 1] ;
( ii) een veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het boedeltekort aan de curator;
( iii) een veroordeling van [gedaagde] om als voorschot op het boedeltekort aan de curator te betalen een bedrag van € 2.000.000,00.
subsidiair:
( iv) een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens de curator aansprakelijk is voor het salaris van de curator zoals dat wordt vastgesteld door de rechtbank;
( v) een veroordeling van [gedaagde] om aan de curator te betalen een voorschot op het onder (iv) omschreven salarisbedrag, ter grootte van € 139.261,12.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator. De Holdings hebben zich aan de zijde van [gedaagde] gevoegd en concluderen eveneens tot afwijzing van de vorderingen van de curator.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
[gedaagde] vordert – samengevat weergegeven – een hoofdelijke veroordeling van de Holdings om aan [gedaagde] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagde] in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan de curator te betalen.
De Holdings voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] .
De Holdings hebben een voorwaardelijke reconventionele vordering ingesteld. Deze reconventionele houdt – samengevat weergeven – in:
( i) een verklaring voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van de aandelenkoopovereenkomst (uit 2024) van de Holdings nimmer een bedrag kan vorderen dat het bedrag van € 212.500,00 overtreft;
( ii) een veroordeling van [gedaagde] om aan de Holdings te betalen een bedrag van € 405.752,64, te vermeerderen met rente.
[gedaagde] voert verweer in reconventie en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Holdings.
Op de stellingen van partijen, zowel in conventie als in reconventie, wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
6. De beoordeling
in de hoofdzaak
Eiswijziging curator
[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van de curator, zoals die is doorgevoerd bij akte van 30 mei 2026. Volgens [gedaagde] was dit te laat en daardoor in strijd met een goede procesorde.
Het bezwaar tegen de eiswijziging van [gedaagde] wordt door de rechtbank verworpen. Artikel 130 lid 1 Rv bepaalt dat, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd is om zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte, te wijzigen. De curator heeft zijn eis gewijzigd bij akte van 30 mei 2026. Dat is dus niet te laat. [gedaagde] heeft onvoldoende toegelicht waarom de eiswijziging van de curator desondanks in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank zal daarom in de beoordeling uitgaan van de gewijzigde eis van de curator.
Aansprakelijkheid [gedaagde] voor schulden [bedrijf 1]
De primaire vordering van de curator berust op het standpunt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schulden van het gefailleerde [bedrijf 1] . Blijkens zijn eigen stellingen, vordert de curator – namens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] – nakoming van een 403-verklaring die in 1998 door [gedaagde] zou zijn afgegeven. Volgens de curator heeft [gedaagde] , als moedermaatschappij van [bedrijf 1] (en behorend tot dezelfde ‘groep’ als [bedrijf 1] in de zin van artikel 2:24b BW), schriftelijk verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van [bedrijf 1] voortvloeiende schulden.
De curator beroept zich op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde 403-verklaring van de zijde van [gedaagde] . Stelplicht en bewijslast liggen op dit punt dus bij de curator. De rechtbank constateert dat een daadwerkelijke 403-verklaring van [gedaagde] niet door de curator in het geding is gebracht. De curator heeft op dit punt dus niet aan zijn stelplicht voldaan, mede in het licht van het feit dat [gedaagde] aanvoert dat zij – in ieder geval – niet bekend is met de inhoud van de gestelde 403-verklaring.
Het enkele feit dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel informatie staat zoals omschreven in rechtsoverweging 4.4 van dit vonnis, is voor de rechtbank onvoldoende om in bewijsrechtelijke zin anders te oordelen. Naar aanleiding van louter de informatie uit de handelsregister kan de rechtbank niet, ook niet voorshands, vaststellen dát in 1998 een 403-verklaring is afgegeven door [gedaagde] , laat staan een 403-verklaring met een inhoud zoals in deze procedure door de curator wordt verdedigd. De rechtbank weegt hierbij mee dat het antwoord op de vraag wat een 403-verklaring in een concreet geval aan rechtsgevolgen meebrengt, moet worden vastgesteld door uitleg van de 403-verklaring. De daadwerkelijke beschikbaarheid van de gestelde 403-verklaring is dus essentieel om de rechtspositie van de curator en [gedaagde] in dit geval goed te kunnen bepalen.
De conclusie is dat de curator niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De vorderingen van de curator moeten alleen al om die reden worden afgewezen. Maar ook indien veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van het bestaan van een 403-verklaring van [gedaagde] met een inhoud die haar aansprakelijk zou maken voor de schulden van het gefailleerde [bedrijf 1] , geldt dat de vordering van de curator niet zou kunnen worden toegewezen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De curator is op grond van artikel 68 lid 1 Fw belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel van [bedrijf 1] . De curator oefent bij het vervullen van deze taak de vermogensrechten van het gefailleerde [bedrijf 1] uit. De vordering die de curator in deze zaak heeft ingesteld, betreft echter niet een vordering van [bedrijf 1] op [gedaagde] . Het betreft een vordering van derden – volgens de curator: de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] – op [gedaagde] . Een dergelijke vordering valt niet onder het uitoefenen van vermogensrechten van het gefailleerde [bedrijf 1] .
Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad is een faillissementscurator (ook) bevoegd om voor de belangen van schuldeisers van de gefailleerde op te komen bij benadeling van schuldeisers door de gefailleerde. Hierdoor kan, onder omstandigheden, plaats zijn voor een vordering van de faillissementscurator uit hoofde van onrechtmatige daad tegen een derde die bij de benadeling van de schuldeisers betrokken is, ook al kwam een dergelijke vordering de gefailleerde zelf niet toe. Dit betreft een zogenoemde Peeters/Gatzen-vordering.
De vordering die de curator in deze zaak tegen [gedaagde] heeft ingesteld, kan echter niet worden gekwalificeerd als een Peeters/Gatzen-vordering. De curator heeft niets gesteld over onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] ten opzichte van schuldeisers, waarbij [gedaagde] zou zijn betrokken. De curator stelt daarentegen dat hij namens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] nakoming verlangt van een (eenzijdige ongerichte) rechtshandeling die door [gedaagde] is afgegeven. Dat is iets fundamenteel anders. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de reikwijdte van bevoegdheden van een curator in een faillissement niet zo ver dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers nakoming van een 403-verklaring kan vragen. Nog daargelaten dat gemotiveerd wordt weersproken - en niet is komen vast te staan - dat de curator door het instellen van deze vordering voor alle schuldeisers optreedt, wat wel een vereiste is voor een dergelijke vordering. Immers niet alle bij de curator ingediende vorderingen kwalificeren als vorderingen die gedekt worden door een 403-verklaring. Fiscale vorderingen en vorderingen uit onrechtmatige daad zijn vorderingen die door de wet ontstaan, niet door een verbintenis uit overeenkomst. Niet is weersproken dat de belastingdienst een van de schuldeisers is.
De conclusie is dat de primaire vordering van de curator buiten de reikwijdte van bevoegdheden valt die de curator aan artikel 68 lid 1 Fw kan ontlenen. De primaire vordering wordt daarom afgewezen.
Aansprakelijkheid [gedaagde] voor salaris curator
Met de subsidiaire vordering wil de curator het ertoe leiden dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het salaris waarop de curator op grond van de Faillissementswet recht heeft. Aan deze subsidiaire vordering legt de curator, net als bij de primaire vordering, een beroep op de (gestelde) 403-verklaring van [gedaagde] ten grondslag.
De rechtbank verwijst allereerst naar de rechtsoverwegingen 6.3 tot en met 6.6 van dit vonnis, waaruit volgt dat de vordering niet kan worden toegewezen, omdat de curator niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Daarnaast geldt het volgende.
De subsidiaire vordering is niet toewijsbaar omdat deze niet kwalificeert als een vordering die gedekt wordt door een 403-verklaring. Weliswaar is het aanvragen van een faillissement een rechtshandeling, maar het rechtsgevolg daarvan is niet het toekennen van het salaris aan de curator. Het salaris van de curator heeft als basis het vonnis tot faillietverklaring, waarin de curator wordt benoemd, en vloeit voort uit de wet. Artikel 71 lid 1 Fw bepaalt dat het salaris van de curator door de rechtbank wordt vastgesteld. De salarisvordering van de curator wordt aldus niet door de 403-verklaring bestreken. Het past ook niet bij de strekking van een 403-verklaring, te weten de bescherming van degene die de beslissing moet nemen al dan niet met de dochter te contracteren en de beslissing niet op basis van jaarstukken kan nemen. Dat alles doet zich hier niet voor. De curator kan zijn salaris derhalve niet verhalen op [gedaagde] op basis van de 403-verklaring. Ook de subsidiaire vordering wordt afgewezen.
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft een veroordeling van de curator in de daadwerkelijke proceskosten gevorderd, maar dat wordt door de rechtbank afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de door de curator ingestelde vorderingen evident ongegrond zijn, in die zin dat deze zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
16.312,00
in de vrijwaringszaak
De vordering (in conventie) van [gedaagde] in de vrijwaringszaak komt neer op een veroordeling van de Holdings om aan [gedaagde] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagde] in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan de curator te betalen. De vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen. Het gevolg daarvan is dat ook de vordering (in conventie) in de vrijwaringszaak moet worden afgewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Hoeksma namens de Holdings verklaard dat de reconventionele vordering in de vrijwaringszaak voorwaardelijk is ingesteld, waarbij de voorwaarde is dat de vordering in conventie in de vrijwaringszaak wordt toegewezen. Die voorwaarde is niet vervuld. De reconventionele vordering in de vrijwaringszaak hoeft daarom door de rechtbank niet te worden behandeld.
Van de zijde van de Holdings is betoogd dat de curator ook in de proceskosten van de vrijwaringszaak moet worden veroordeeld. Dat betoog is onjuist, gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad. [gedaagde] wordt, als eisende en in het ongelijk gestelde partij in de vrijwaringszaak, veroordeeld in de proceskosten van de vrijwaringszaak. De proceskosten van de Holdings worden begroot op:
- griffierecht
€
10.188,00
- salaris advocaat
€
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
19.639,00
7. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen van de curator af,
veroordeelt de curator in de proceskosten van € 16.312,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissing die is geformuleerd onder rechtsoverweging 7.2,
in de vrijwaringszaak
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 19.639,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
!
!
!