RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/347654 / HA ZA 26-157
Vonnis in incident van 2 september 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het vrijwaringsincident,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. M.A. Schuring,
tegen
1. [partij B1] ,
te [woonplaats 2],2. [partij B2] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het vrijwaringsincident,
hierna samen te noemen: [partij B].,
advocaat: mr. P. van der Lans.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [partij B].;
- de conclusie van antwoord in het incident van [partij A].
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
In de hoofdzaak
[partij A] vordert - samengevat - ontbinding van de koopovereenkomst d.d. 15 juni 2022 voor de woning aan de [adres 1], dan wel voldoening van de schadevergoeding van € 452.224,47 (inclusief btw, kosten deskundigenonderzoek) en € 4.036,12 aan buitengerechtelijke incassokosten.
In het incident
[partij B]. vraagt de rechtbank in incident om haar toe te staan om [bedrijf] B.V. (hierna te noemen “[bedrijf]”) in vrijwaring op te roepen. Zij voert daartoe aan dat [bedrijf] op grond van de aannemingsovereenkomst haar werkzaamheden niet heeft uitgevoerd conform het Bouwbesluit 2012 en de daarin van toepassing verklaarde NEN-normen. Op grond van artikel 6:74 BW is [bedrijf] aansprakelijk voor de schade die [partij B]. als gevolg van de tekortkoming in de nakoming lijdt.
Het antwoord in het incident
[partij A] heeft in incident aangevoerd dat hij belang heeft bij een voorspoedig verloop van de procedure en uitgesproken dat hij vertraging onwenselijk acht. Ook voert hij aan dat uit de door [partij B]. ingebrachte stukken niet blijkt dat [bedrijf] een garantie heeft afgegeven aan [partij B].. Verder heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3. De beoordeling
In het incident
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen.
Op de voet van artikel 210 Rv kan een gedaagde partij in de hoofdzaak iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat wordt gesteld dat de waarborg krachtens zijn rechtsverhouding tot de gewaarborgde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen.
De kantonrechter stelt voorop dat een vordering tot vrijwaring op grond van artikel 210 Rv in beginsel toewijsbaar is, wanneer voldoende concreet en gemotiveerd wordt gesteld dat de verzoekster tot vrijwaring, in geval van een voor haar ongunstige afloop van de hoofdzaak, op grond van de onderlinge rechtsverhouding een verhaalsrecht kan hebben op diegene die zij in vrijwaring wenst te roepen. Het bestaan van deze rechtsverhouding hoeft in dit vrijwaringsincident niet vast komen te staan.
Naar het oordeel van rechtbank heeft [partij B]. voldoende gesteld en onderbouwd dat er sprake is van een rechtsverhouding tussen [partij B]. en [bedrijf] en dat zij als de beslissing in de hoofdzaak nadelig uitvalt, de schade kan verhalen op [bedrijf]. Dat is voldoende voor toewijzing van het verzoek tot vrijwaring. De vraag of er door [bedrijf] aan [partij B]. al dan niet een garantie is afgegeven staat daaraan niet in de weg. De rechtbank wijst het verzoek van [partij B]. om [bedrijf] in vrijwaring op te roepen daarom toe.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het vrijwaringsincident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
staat [partij B]. toe om [bedrijf] B.V., statutair gevestigd te [adres 2], in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de civiele terechtzitting van de rechtbank Overijssel afdeling civiel, team kanton en handelsrecht, locatie Almelo op woensdag 14 oktober 2026, teneinde op de eis in vrijwaring te antwoorden,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [partij B].,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Beusekom en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.