RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/348130 / FA RK 26-1246
beschikking van 7 oktober 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats ] ,
advocaat: mr. H.E. Versteeg,
en
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Flantua.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 22 mei 2026;
het verweerschrift met bijlagen, met zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 17 juli 2026;
een F9-formulier met bijlagen van mr. Versteeg, binnengekomen op 14 augustus 2026.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 24 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat:
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
Met toestemming van de rechtbank zijn de volgende stukken nagezonden en toegevoegd aan het dossier:
een behoefte- en draagkrachtberekening van mr. Versteeg, overhandigd op de mondelinge behandeling;
een F9-formulier met bijlage van mr. Flantua, binnengekomen op 28 augustus 2026;
Een F9-formulier van mr. Versteeg, binnengekomen op 31 augustus 2026.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , de zoon van de ouders, uitgenodigd voor een gesprek met de rechter. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
2. De feiten
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2018.
[minderjarige 1] verblijft bij de vrouw.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] . Dit betekent dat zij samen de
belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] nemen.
Na beëindiging van de relatie zijn in onderling overleg afspraken gemaakt over de zorgverdeling en de kosten verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Deze afspraken zijn niet vastgelegd in een ouderschapsplan of beschikking. Ten aanzien van de zorgverdeling hebben de ouders afgesproken dat [minderjarige 1] wekelijks bij de man verblijft. De ene week twee middagen en de andere week twee middagen en een weekend. Ten aanzien van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] hebben de ouders afgesproken dat de man de vrouw maandelijks € 150,- betaalt. Sinds 1 juli 2025 is dit in onderling overleg verlaagd naar € 100,- per maand.
De vrouw heeft een dochter uit een eerdere relatie, namelijk:
- [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2013.
[minderjarige 2] woont bij de vrouw.
De vrouw heeft inmiddels een nieuwe partner, de heer [naam 2] . Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 3] , geboren in [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] 2023.
De man heeft een zoon uit een eerdere relatie, namelijk:
- [minderjarige 4] , geboren in [geboorteplaats 4] op [geboortedatum 4] 2014.
[minderjarige 4] woont bij zijn moeder.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking te bepalen dat:
het hoofdverblijf van [minderjarige 1] wordt vastgesteld bij de vrouw;
de volgende zorg- en contactregeling vast te stellen:
o [minderjarige 1] verblijft wekelijks op dinsdag en donderdag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de man;
o [minderjarige 1] verblijft om de week van vrijdag 16.30 uur tot en met maandag 8.30 uur bij de man;
o De man haalt en brengt [minderjarige 1] van en naar de vrouw, tenzij partijen dit in onderling overleg anders afspreken;
de vakantieregeling vast te stellen zoals omschreven onder punt 10 van het verzoekschrift;
de man aan de vrouw een bijdrage dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van € 453,- per maand althans een in goede rechtspraak te bepalen bedrag, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 1 juli 2025, dan wel 1 januari 2026, althans met ingang van een in goede rechtspraak te bepalen datum.
4. Het verweer met zelfstandige verzoeken
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het verzoek van de vrouw over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] toe te wijzen;
het verzoek van de vrouw over de zorg- en contactregeling toe te wijzen voor wat betreft de verzoeken die luiden:
- [minderjarige 1] verblijft wekelijks op dinsdag en donderdag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de man;
- [minderjarige 1] verblijft om de week van vrijdag 16.30 uur tot en met maandag 8.30 uur bij de man;
3. het verzoek van de vrouw over het halen en brengen af te wijzen;
4. het verzoek van de vrouw over de kinderalimentatie af te wijzen;
5. te bepalen dat de vrouw in het kader van de zorg- en contactregeling en de vakantieregeling zorgdraagt voor het brengen van [minderjarige 1] naar de man en de man voor het terugbrengen van [minderjarige 1] naar de vrouw zorgdraagt;
6. te bepalen dat de man jaarlijks uiterlijk eind februari aan de vrouw doorgeeft in welke vakantieperioden hij in het daaropvolgende kalenderjaar verlof kan opnemen waarna partijen op basis daarvan de verdeling van de vakanties van [minderjarige 1] in overleg vaststellen.
5. Het verweer op de zelfstandig verzoeken
De vrouw vindt dat de zelfstandige verzoeken moeten worden afgewezen.
6. De beoordeling
De hoofdverblijfplaats
De ouders hebben overeenstemming bereikt over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] . Zij hebben afgesproken dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw dient te worden bepaald.
De rechtbank is van oordeel dat dit in het belang van [minderjarige 1] is en zal dit daarom bepalen.
De zorgregeling
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt en hebben het volgende afgesproken ten aanzien van de reguliere zorgregeling:
[minderjarige 1] verblijft wekelijks op dinsdag en donderdag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de man;
[minderjarige 1] verblijft om de week van vrijdag 16.30 uur tot maandag 8.30 uur bij de man;
de man haalt [minderjarige 1] op dinsdag, donderdag en vrijdag op bij de vrouw;
de vrouw haalt [minderjarige 1] in principe op dinsdag, donderdag en maandag op bij de man. De vrouw neemt contact op met de man als van tevoren bekend is dat haar partner niet thuis is op één van die dagen, zodat de man [minderjarige 1] dan naar de vrouw kan brengen;
de man zal er zorg voor dragen dat [minderjarige 1] op dinsdag en donderdag klaarstaat om 18.00 uur zodat de vrouw hem dan op kan halen;
de ouders zullen [minderjarige 1] bij de ander ouder thuis ophalen tenzij de ouders tijdig overeenstemming hebben bereikt over een andere plek;
Ook ten aanzien van de vakantiedagen hebben de ouders tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt. Zij hebben het volgende afgesproken:
de vrouw zal aan de man laten weten wanneer zij in de zomervakantie op vakantie wil met [minderjarige 1] . In het overige gedeelte van de zomervakantie kan [minderjarige 1] met de man op vakantie. Indien de man tijdens dat gedeelte van de zomervakantie geen verlof op kan nemen, zal de reguliere zorg- en contactregeling doorlopen. Daarnaast zullen de ouders zoveel mogelijk dagen afspreken waarop [minderjarige 1] bij de man kan zijn in de zomervakantie;
ten aanzien van de overige vakanties zal de man jaarlijks in februari aan de vrouw laten weten in welke vakantieperiodes hij het daaropvolgende jaar verlof op kan nemen. De ouders zullen op basis daarvan een verdeling van de vakanties van [minderjarige 1] in overleg vaststellen.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde afspraken in het belang van [minderjarige 1] zijn en zal deze daarom vastleggen.
De kinderalimentatie
De ontvankelijkheid
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Dat is hier het geval omdat de vrouw in 2023 nog een kind heeft gekregen waarvoor zij onderhoudsplichtig is. Daarnaast is haar draagkracht verminderd. Nu de man dit erkent, kan de vrouw in haar verzoek worden ontvangen.
De ingangsdatum
Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden. De rechtbank is van oordeel dat de man de nieuwe kinderalimentatie vanaf 1 september 2025 moet betalen, omdat het LBIO op deze datum een brief heeft gestuurd naar partijen waarin zij vermeldt dat de kinderalimentatie hoger dient te zijn. De man had vanaf dat moment er rekening mee kunnen houden dat hij meer zou moeten gaan bijdragen.
De behoefte van [minderjarige 1]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 1] vast op een bedrag van € 715,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
De man betwist de stelling van de vrouw dat de behoefte van [minderjarige 1] € 621,- per maand bedraagt.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.
Nu niet weersproken is dat partijen in 2021 hun samenleving hebben verbroken, neemt de rechtbank het inkomen dat door beide partijen tot dat moment werd gegenereerd in beginsel als leidraad voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 1] .
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf van 2021 waarin een inkomen van € 28.335,- bruto staat genoemd. De rechtbank heeft berekend dat dit, rekening houdend met de heffingskortingen, voor de man € 2.020,- netto per maand is.
Het inkomen van de vrouw is voor de berekening van de behoefte niet in geschil. De vrouw voerde een onderneming in de vorm van een eenmanszaak en haar winst over het jaar 2021 bedroeg € 47.844,- bruto. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en heffingskortingen is haar inkomen € 3.177,- netto per maand.
Het netto gezinsinkomen van € 5.197,- (€ 2.020,- + € 3.177,-) verminderd de rechtbank met de door man in 2021 betaalde onderhoudsbijdrage voor de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige 4] van € 111,- per maand. Dit is niet in geschil. Daarom bedroeg het netto gezinsinkomen € 5.086,- per maand.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Bij de behoeftetabel van 2021 wordt gerekend met punten. In 2021 was [minderjarige 2] 8 jaar oud. Daarbij past een puntenaantal van 2. [minderjarige 1] was destijds 2 jaar oud en daarbij past een puntenaantal van 4. Daarom houdt de rechtbank rekening met een totaal puntenaantal van 6. Uit de behoeftetabel van 2021 volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van € 5.086,- met een puntenaantal van 6 gemiddeld € 1.146,- per maand uitgaven voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , dus per kind € 573,-. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 715,- per kind per maand.
De draagkracht van de beide ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man voor [minderjarige 1] berekent de rechtbank op € 417,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] uit van de navolgende gegevens.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf van 2025, waarin een inkomen van € 43.257,- bruto. De rechtbank heeft berekend dat het NBI van de man € 2.950,- per maand is.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van € 2.950,- =) € 885,- per maand. De man heeft betwist dat bij hem moet worden uitgegaan van de werkelijke woonlasten in plaats van het forfait van 30%. De rechtbank volgt de man hierin. De werkelijke woonlasten van de man zijn wel duurzaam lager dan de forfaitaire woonlasten, maar niet aanzienlijk lager dan de forfaitaire woonlasten. Daarom is dit geen bijzondere omstandigheid die maakt dat er kan worden afgeweken van de draagkrachtformule.
Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.310,- per maand. De rechtbank houdt verder rekening met genoemd bedrag van € 111,- per maand dat de man onweersproken betaalt als onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 4] . Dat maakt dat de draagkracht van de man voor [minderjarige 1] € 417,- per maand is.
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw voor [minderjarige 1] berekent de rechtbank op € 17,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] uit van de navolgende gegevens.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de vrouw. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de uitkeringsspecificaties over de maanden december 2025 tot en met februari 2026, waarin het persoonsgebonden budget van de vrouw gemiddeld € 1.632,- bruto per maand bedraagt. Daarnaast ontvangt de vrouw een onderhoudsbijdrage van € 414,- per maand van de heer [minderjarige 2] voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] . De rechtbank heeft met een proefberekening van Dienst Toeslagen berekend dat de vrouw per maand een kindgebonden budget ontvangt van € 607,- rekening houdend met een verzamelinkomen van de vrouw in 2026 van € 19.584,- en het verzamelinkomen van haar partner in 2025 van € 34.993,-. De vrouw ontvangt dan een kindgebonden budget van € 7.284,- per jaar. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw geen recht heeft op alleenstaande ouderkop omdat zij een fiscaal partner heeft. De rechtbank heeft berekend dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.910,- per maand is.
De rechtbank gaat aan de zijde van de vrouw niet uit van een hogere verdiencapaciteit, zoals door de man is verzocht. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de vrouw voor nu voldoende heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om meer/haar oude inkomen te genereren. De vrouw heeft namelijk meerdere stukken overgelegd met betrekking tot de zorg voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de rechtbank vindt het op basis van die stukken voldoende aannemelijk dat er naast die zorg op dit moment geen tijd meer over is om een baan uit te voeren. De rechtbank merkt wel op dat op de vrouw, net als bij de man, een inspanningsverplichting rust om zoveel mogelijk bij te dragen aan het levensonderhoud van de kinderen.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachttabel’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. Volgens die tabel heeft een persoon met een inkomen van € 1.910,- per maand een draagkracht van € 50,- per maand indien er twee of meer kinderen zijn over wie de draagkracht moet worden verdeeld. De rechtbank houdt hierbij rekening met [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Gelet op de geringe draagkracht van de vrouw zal de rechtbank in dit geval geen berekening naar rato van de behoeftes van alle kinderen maken en dus ook geen rekening houden met het inkomen van de huidige partner van de vrouw. De draagkracht van de vrouw voor [minderjarige 1] is dus € 50,- : 3 = ) € 17,- per maand.
De man heeft verzocht om gelet op de samenwoning van de vrouw (en vanwege het tekort aan draagkracht tussen partijen) rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de vrouw, zijnde de helft van haar woonlasten omdat haar partner de andere helft kan betalen. De werkelijke woonlasten van de vrouw zijn daarom volgens de man aanzienlijk en duurzaam lager dan het forfaitaire bedrag (30% van het netto besteedbaar inkomen). Echter komt de rechtbank bij de vrouw niet uit op een hogere draagkracht als zij rekening houdt met forfaitaire woonlasten van 15%. De rechtbank laat dit daarom achterwege.
De verdeling van de kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Zo’n vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige 1] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 434,- (€ 417,- + € 17,-) per maand, terwijl de kosten van [minderjarige 1] € 715,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 281,- per maand tekort. Zij zullen daarom ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken. Dat betekent dat de man met € 417,- per maand moet bijdragen in de kosten van [minderjarige 1] .
De zorgkorting
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
Het is niet in geschil dat de zorgkorting van de man voor [minderjarige 1] 25% bedraagt. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 1] € 715,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 179,- per maand.
Omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zou het niet eerlijk zijn als de man deze korting volledig mag toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De man moet tenslotte ook kosten voor [minderjarige 1] maken, die hij eigenlijk niet kan dragen. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 141,- per maand. Dit betekent dat de man van de zorgkorting maar (€ 179,- -/- € 141,- =) afgerond € 39,- per maand in mindering mag brengen op zijn draagkracht. Er blijft dan een bedrag van (417 - 39 =) € 379,- per maand over dat de man aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] moet betalen.
De rechtbank zal bepalen dat voor zover de man na 1 september 2025 kinderbijdragen voor [minderjarige 1] aan de vrouw heeft betaald, hij die bedragen mag verrekenen met de nu vast te stellen bijdrage.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders
hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing.
7. De beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat de ouders het volgende zijn overeengekomen ten aanzien van de zorg- en contactregeling tussen [minderjarige 1] en de man:
[minderjarige 1] verblijft wekelijks op dinsdag en donderdag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de man;
[minderjarige 1] verblijft om de week van vrijdag 16.30 uur tot maandag 08.30 uur bij de man;
De man haalt [minderjarige 1] op dinsdag, donderdag en vrijdag op bij de vrouw;
de vrouw haalt [minderjarige 1] in principe op dinsdag, donderdag en maandag op bij de man. De vrouw neemt contact op met de man als van tevoren bekend is dat haar partner niet thuis zal zijn op dinsdag, donderdag en maandag zodat de man [minderjarige 1] dan naar de vrouw kan brengen;
de man zal er zorg voor dragen dat [minderjarige 1] op dinsdag en donderdag klaarstaat om 18.00 uur zodat de vrouw hem dan op kan halen;
de ouders zullen [minderjarige 1] bij de ander ouder thuis ophalen tenzij de ouders tijdig overeenstemming hebben bereikt over een andere plek;
stelt vast dat de ouders het volgende zijn overeengekomen ten aanzien van de vakantie- en de feestdagen:
de vrouw zal aan de man laten weten wanneer zij in de zomervakantie op vakantie wil met [minderjarige 1] . In het overige gedeelte van de zomervakantie kan [minderjarige 1] met de man op vakantie. Indien de man tijdens dat gedeelte van de zomervakantie geen verlof op kan nemen, zal de reguliere zorg- en contactregeling doorlopen. Daarnaast zullen de ouders zoveel mogelijk dagen afspreken waarop [minderjarige 1] bij de man kan zijn in de zomervakantie;
ten aanzien van de overige vakanties zal de man jaarlijks in februari aan de vrouw laten weten in welke vakantieperiodes hij het daaropvolgende jaar verlof op kan nemen. De ouders zullen op basis daarvan een verdeling van de vakanties van [minderjarige 1] in overleg vaststellen.
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals de ouders eerder zijn overeengekomen in 2021, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 1 september 2025 € 379,- per maand bedraagt;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Mensink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 in tegenwoordigheid van M.E. Sijnstra, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]