RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
de heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3462
en
Procesverloop
1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2026 ter zitting behandeld. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. Luigies.
Feiten
2. Op 10 oktober 2025 om 19.24 uur stond de huurauto van belanghebbende met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Verenigingstraat te Zwolle. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag van € 80,10 opgelegd, bestaande uit € 1,30 aan tariefkosten en € 78,80 aan kosten van de naheffing.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting disproportioneel is. Hij had op de betreffende dag de auto al tweemaal eerder aangemeld en had voor die dag nog ruim voldoende bezoekersuren beschikbaar en ook betaald. Het parkeren was dus feitelijk gedekt. Tijdens het voor de laatste maal die dag aanmelden van de auto is bij het selecteren van de duur voor het parkeren een vergissing gemaakt. Het voelt voor belanghebbende onredelijk dat een enkele vergissing, zonder enig voordeel voor hem en zonder nadeel voor de gemeente, tot een (volledige) naheffingsaanslag leidt. Het doel van parkeerbelasting is dat gebruikers voor het parkeren betalen. Dat doel was al bereikt, omdat de uren beschikbaar en betaald waren.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het parkeren aan de Verenigingstraat te Zwolle parkeerbelasting is verschuldigd. Verder betwist belanghebbende niet dat de huurauto op 10 oktober 2025 om 19.24 uur aan de Verenigingstraat geparkeerd stond zonder dat aan de aangifteverplichting voor de parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting daarom aan belanghebbende kunnen opleggen.
7. De door belanghebbende aangevoerde gronden brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Parkeerbelasting is een objectieve belasting waarbij opzet, verwijtbaarheid en/of schuld geen rol spelen. Het betreft een zogenoemde gebonden beschikking. Alleen in zeer bijzondere gevallen, bijvoorbeeld een acute (medische) noodsituatie, wordt rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden of (de mate van) verwijtbaarheid. Als dat laatste zich niet voordoet, zoals hier, speelt niet mee of iemand bewust of per ongeluk geen of te weinig parkeerbelasting betaalt. Het enkele feit dát geen parkeerbelasting is betaald, is voldoende om een naheffingsaanslag parkeerbelasting op te leggen. Dat sprake was van overmacht in genoemde zin is door belanghebbende niet gesteld en is ook niet gebleken.
8. Ter voorlichting aan belanghebbende merkt de rechtbank nog op dat een naheffingsaanslag parkeerbelasting geen (strafrechtelijke) sanctie is. Bij een naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt niet méér gedaan dan het in rekening brengen van het ter plaatse geldende belastingtarief voor één uur parkeren en het doorberekenen van standaardkosten die aan het opleggen van een naheffingsaanslag zijn verbonden.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
H. Blekkenhorst, griffier.
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.