RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
de heffingsambtenaar van GBLT,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1783
gemachtigde: [gemachtigde],
en
gemachtigde: mr. K.M.H. de Boer.
Deze uitspraak gaat over het door belanghebbende gedane verzoek om de aanslag zuiveringsheffing 2025 naar tijdevenredigheid te verminderen. Belanghebbende is het niet eens met de beslissing van de heffingsambtenaar om haar verzoek aan te merken als bezwaar tegen de aanslag zuiveringsheffing en dit bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het verzoek om ambtshalve vermindering heeft kunnen aanmerken als bezwaar en dit bezwaar niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 3 juni 2025 verzocht om restitutie van de al betaalde zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2025.
De heffingsambtenaar heeft dit verzoek aangemerkt als tweede bezwaar tegen de aanslag zuiveringsheffing voor 2025 en dit bezwaar bij uitspraak van 6 juni 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op het verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 ter zitting behandeld. De gemachtigde van de heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende en haar gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen.
Feiten
2. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 15 februari 2025 een definitieve aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte 2025 voor het object [adres] aan belanghebbende gezonden. De aanslag bedraagt € 68,02 en is opgelegd naar een heffingsmaatstaf van 1 vervuilingseenheid (v.e.). Op het adres was de eenmanszaak ([bedrijf]) van belanghebbende gevestigd.
Belanghebbende heeft tegen deze aanslag tijdig bezwaar gemaakt en aangevoerd dat het bedrijf geen afvalwater op de riolering of in het oppervlaktewater loost.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 1 mei 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard, omdat het object [adres] beschikt over een keukenblok en eigen toilet.
Belanghebbende heeft bij brief van 3 juni 2025 de heffingsambtenaar verzocht om restitutie van de al betaalde aanslag zuiveringsheffing over 2025 in verband met de opheffing van haar eenmanszaak per 31 mei 2025.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 6 juni 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn is ingediend. De heffingsambtenaar heeft ambtshalve de aanslag niet verminderd. Belanghebbende betaalt zuiveringsheffing voor minimaal 1 v.e.. Dat geldt ook als een bedrijfsruimte gedurende slechts een gedeelte van het belastingjaar wordt gebruikt.
Standpunten van partijen
3. Belanghebbende stelt dat het in deze procedure gaat om een verzoek om de zuiveringsheffing naar rato te verminderen in verband met de bedrijfsbeëindiging per 31 mei 2025. Zij heeft recht op vermindering, omdat de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is. Het verzoek tot vermindering kon logischerwijs ten tijde van de aanslag nog niet worden gedaan, omdat toen nog geen datum van de winkelsluiting bekend was. De niet-ontvankelijkverklaring van het tweede bezwaar of het verzoek is dan ook ten onrechte.
De heffingsambtenaar had een inhoudelijke beslissing moeten nemen.
4. De heffingsambtenaar voert aan dat tweemaal bezwaar is gemaakt tegen de aanslag en dat tweemaal een uitspraak op het bezwaar is gedaan. Omdat na de uitspraak op bezwaar van 1 mei 2025 alleen nog beroep open stond, had de heffingsambtenaar het tweede bezwaarschrift als beroep naar de rechtbank moeten doorzenden. De heffingsambtenaar meent dat de tweede uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd.
De mogelijkheid van een verzoek om de belastingaanslag te verminderen bestaat op grond van artikel 17, tweede lid, van de belastingverordening alleen voor in het heffingsjaar opgelegde aanslagen van 3 v.e.. Dit geldt niet voor een aanslag van 1 v.e..
Beoordeling door de rechtbank
Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2015 overweegt de rechtbank het volgende.
Het in belanghebbendes brief van 3 juni 2025 gevraagde besluit om haar aanslag zuiveringsheffing over 2025 naar tijdevenredigheid te verminderen moet ambtshalve worden genomen, omdat tegen de aanslag het rechtsmiddel van bezwaar niet meer openstond. Een dergelijk ambtshalve genomen besluit is voorzien in artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en is daardoor een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de AWR in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat tegen een dergelijk besluit geen bezwaar en beroep open. Op grond van artikel 123 van de Waterschapswet geldt de bevoegdheid een dergelijk besluit te nemen ook voor de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbendes verzoek van 3 juni 2025 aangemerkt als een bezwaarschrift en bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken. Gelet op de in die uitspraak op bezwaar opgenomen beslissing op belanghebbendes schriftelijke verzoek van
3 juni 2025 behelst de uitspraak een beslissing op belanghebbendes bezwaarschrift tegen een besluit dat de heffingsambtenaar ambtshalve heeft genomen. Een zodanig besluit is niet aan te merken als een beslissing waartegen bezwaar en beroep openstaat. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, brengt dit mee dat het door belanghebbende ingediende bezwaar door de heffingsambtenaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Omdat de heffingsambtenaar aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wel een onjuiste motivering ten grondslag heeft gelegd, ziet de rechtbank wel aanleiding om de heffingsambtenaar op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden en de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt wel het griffierecht terug. Zij krijgt ook een vergoeding voor haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
H. Blekkenhorst, griffier.
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.