RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2557
en
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats].
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de brief van 24 augustus 2026 waarin het college [verzoeker] heeft meegedeeld dat hij niet wordt beschouwd als belanghebbende in de bezwaarprocedure tegen de aan [derde belanghebbende] verleende omgevingsvergunning voor kap van een beukenboom. [verzoeker] is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat van een spoedeisend belang niet is gebleken.
Inleiding: feiten en procesverloop
Op 8 februari 2026 heeft [derde belanghebbende] omgevingsvergunning aangevraagd voor de kap van een beukenboom op zijn perceel aan [adres 1] in verband met vrees van de buurman ([verzoeker]) voor schade door wortels van de boom aan de fundering van zijn woning aan de [adres 2].
Met het besluit van 2 april 2026 heeft het college aan [derde belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor de kap van de beukenboom.
Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt door een omwonende.
Na op 18 en 29 juni 2026 gesprekken met [derde belanghebbende] en bezwaarmaker te hebben gevoerd heeft het college met hen afgesproken om de boom later in het seizoen te controleren op conditie en eventuele zwamaantastingen.
Het college heeft daarop de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moet worden beslist met instemming van [derde belanghebbende] en bezwaarmaker onder toepassing van artikel 7:10, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgesteld tot aan het moment dat één van beide partijen aangeeft dat behandeling van het bezwaarschrift gewenst is.
Met de brief van 24 augustus 2026 heeft het college [verzoeker] meegedeeld dat hij niet wordt beschouwd als belanghebbende in de bezwaarprocedure tegen de verleende omgevingsvergunning voor de kap van de beukenboom.
Tegen de brief van 24 augustus 2026 heeft [verzoeker] bij brief van 25 augustus 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 september 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker] en namens het college mr. E.P. Stekelenburg.
Op verzoek van de voorzieningenrechter en zoals besproken ter zitting heeft het college na de zitting laten weten dat nader overleg met verzoeker niet tot een oplossing heeft geleid. Door het college en verzoeker zijn na de sluiting van het onderzoek ook verdere inhoudelijke reacties toegestuurd. Op grond van artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025 (het Procesreglement) blijven stukken die na de sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd zijn ingediend, buiten beschouwing. Een uitzondering geldt voor stukken die aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet in de na de zitting ongevraagd ontvangen reacties geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en zal deze daarom buiten beschouwing laten. Ingevolge artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement blijven de buiten beschouwing gelaten stukken wel in het dossier opgenomen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter van de rechtbank kan op grond van artikel 8:81 van de Awb gedurende een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar van verweerder niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóórdat dat besluit is genomen, onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. Het is aan verzoeker om het spoedeisend belang aannemelijk te maken.
Volgens [verzoeker] heeft hij spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening om toegelaten te worden als derde-belanghebbende in de bezwaarprocedure tegen
de op 2 april 2026 verleende kapvergunning zodat hij de beschikking krijgt over het volledige dossier en mee kan beslissen over termijnenverlengingen die zijn veiligheid en bezit raken.
Volgens [verzoeker] veroorzaken de wortels van de 15 meter hoge beukenboom waarop de omgevingsvergunning ziet scheuren in de muren van zijn woning. In augustus 2024 heeft [verzoeker] naar hij stelt fysiek letsel opgelopen door een vallende tak uit de kroon van de beukenboom.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ten aanzien van de vraag of [verzoeker] een spoedeisend belang heeft bij het worden toegelaten tot de procedure als derde-belanghebbende, is de spoedeisendheid van het onderliggende belang (het kappen van de boom) doorslaggevend. Dat sprake is van acuut gevaar of acuut verergerende schade, voor zover de boom daadwerkelijk nu al schade veroorzaakt, heeft [verzoeker] niet met stukken onderbouwd en is ook niet gebleken. [verzoeker] heeft daarmee het gestelde spoedeisende belang niet aannemelijk gemaakt.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit van
van 24 augustus 2026, als die brief al als zodanig is aan te merken, in de (eventuele) bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van dergelijke ernstige twijfel geen sprake is.
[verzoeker] heeft ter zitting een invoelbaar en klemmend beroep op de voorzieningenrechter gedaan om in zijn belangen gehoord te worden en rechtsbescherming te ontvangen. De voorzieningenrechter begrijpt de behoefte van [verzoeker] om deel te nemen aan de gesprekken over de omgevingsvergunning voor de kap van de beukenboom, die mede in zijn belang is verleend, en heeft het college om die reden ook in overweging gegeven het gesprek met [verzoeker] nogmaals aan te gaan. Binnen het bereik van deze procedure betekent het ontbreken van spoedeisend belang echter dat [verzoeker] de beslissing op zijn bezwaar zal moeten afwachten.
Conclusie
Het verzoek is daarom ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. A. Landstra, griffier.
uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: