RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2780
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats], verzoekster
en
Onbekende verweerder.
Samenvatting
Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Zij heeft alleen geen besluit aan de voorzieningenrechter gestuurd, waar de voorlopige voorziening tegen gericht is. Dat heeft de voorzieningenrechter wel nodig. Zonder een besluit kan de voorzieningenrechter het verzoek namelijk niet behandelen. De voorzieningenrechter heeft verzoekster een termijn gegeven om het besluit alsnog te overleggen, maar dat is verzoekster niet gelukt. Omdat er nu geen besluit is, kan de voorzieningenrechter het verzoek niet verder in behandeling nemen. Juridisch betekent dat dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Dat betekent dat de procedure die verzoekster is gestart met deze uitspraak ten einde is gekomen.
1. Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
De voorzieningenrechter merkt volledigheidshalve op dat zij in deze uitspraak ook de e-mails en ingebrachte stukken van 23 oktober 2026 heeft betrokken.
2. Beoordeling door de voorzieningenrechter
Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Bij het verzoekschrift is het besluit waarop het verzoek betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 15 oktober 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen.
Verzoekster heeft binnen die termijn geen afschrift van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Awb overgelegd.
Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
3. Conclusie en gevolgen
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.