RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12248230 \ CV EXPL 26-1649
Vonnis van 20 oktober 2026
in de zaak van
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Wageningen,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 mei 2026 met producties,- de conclusie van antwoord van 2 juni 2026 met 1 productie,- de conclusie van repliek van 28 juli 2026 met producties,- de conclusie van dupliek van 10 augustus 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
Menzis vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 486,98 (bestaande uit de hoofdsom van € 385,00, incassokosten van € 57,75, omzetbelasting over de incassokosten van € 12,13 en € 32,10 aan rente), vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van Menzis.
3. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om het volgende. [gedaagde] heeft op 29 augustus 2024, nadat hij voor een belagingszaak was aangehouden en in verzekering is gesteld, een gesprek gehad met twee mensen van GGZ Bemoeizorg. Menzis brengt daarom € 385,00 eigen risico in rekening en verwijst daarvoor naar de artikelen 11 en 19 Zvw en artikel 2.17 lid 1
Besluit zorgverzekering. [gedaagde] is het niet eens met de vordering, omdat het volgens hem een ondersteunend gesprek was waarbij geen informatie is gegeven over een behandeling. [gedaagde] is van mening dat hij door een misleidende voorstelling van zaken is bewogen tot medewerking aan een gesprek, dat later als declareerbare zorg is opgevoerd. [gedaagde] stelt bovendien dat er geen bewijs is overgelegd van een GGZ-crisissituatie.
De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de beschikbare informatie in het dossier het onduidelijk is of er sprake was van een acute zorgvraag op grond waarvan [gedaagde] het eigen risico van € 385,00 moet betalen. Het enkele verwijzen naar het juridisch kader in de Zvw en het Besluit zorgverzekering is daarvoor onvoldoende, aangezien [gedaagde] juist in twijfel trekt dat sprake was van een GGZ-crisissituatie. Gelet hierop zal Menzis dat op grond van artikel 150 Rv als partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moeten bewijzen. De kantonrechter zal Menzis, die bewijs heeft aangeboden, opdracht geven tot bewijslevering.
De kantonrechter draagt Menzis op om bij akte stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat GGZ Bemoeizorg nodig was. De zaak zal worden verwezen naar de hierna te bepalen rolzitting.
[gedaagde] zal na ontvangst van de akte in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 november 2026 voor akte aan de zijde van Menzis als hierover onder rechtsoverweging 3.3. bedoeld en bepaalt dat hiervoor geen uitstel zal worden toegestaan,
bepaalt dat [gedaagde] vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren op de rol van 15 december 2026 en bepaalt tevens dat hiervoor geen uitstel zal worden toegestaan,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.