RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12347594 \ CV EXPL 26-2783
Vonnis van 6 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E.C. van der Spek,
advocaat te Vogelenzang,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. N.A.M. Kienhuis,
advocaat te Almelo.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, tevens verzoekschrift d.d. 14 juli 2026
de conclusie van antwoord.
Vonnis ie bepaald op heden.
2. De vordering
[eiser] vordert bij inleidende dagvaarding primair -zakelijk weergegeven-:
dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [eiseres] jegens hem aansprakelijk is voor de door hem geleden schade als gevolg van de onaanvaardbare opzegging van de overeenkomst van opdracht;
dat de kantonrechter [eiseres] veroordeelt om aan hem te betalen een bedrag van:
- € 83.840,00, aan gederfde omzet;
- € 1.613,40, aan buitengerechtelijke kosten;
subsidiair:
dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht d.d. 8 september 2025 kwalificeert als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW;
dat de kantonrechter [eiseres] veroordeelt om aan [eiser] een transitievergoeding te betalen;
primair en subsidiair:
voor zover de kantonrechter van oordeel is dat één of meer onderdelen niet in de
gekozen procesvorm kunnen worden behandeld, de procedure primair op de voet van artikel 69 Rv in de juiste stand te brengen, in die zin dat het subsidiaire
arbeidsrechtelijke gedeelte als verzoekschrift ex artikel 7:686a BW wordt behandeld,
met behoud van de datum van indiening, en uitsluitend voor zover de kantonrechter
zich absoluut onbevoegd acht om van één of meer onderdelen kennis te nemen, de
zaak subsidiair op de voet van artikel 71 Rv te verwijzen naar de bevoegde rechter of
kamer, met behoud van de aanhangigheid van de zaak;
[eiseres] verweert zich tegen de primaire en subsidiaire vorderingen van [eiser] en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen althans afwijzing daarvan.
2. De beoordeling
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient zich onbevoegd te verklaren van de primaire vordering kennis te nemen. De kantonrechter zal eerst een oordeel dienen
te vellen over deze primaire vordering. Gelet op de waarde die deze vordering vertegenwoordigt, te weten ruim € 85.000,00, gaat deze vordering de absolute competentie van de kantonrechter (art. 93 Rv.) te boven en dient deze verder te worden behandeld en beslist door de kamer voor handelszaken van deze rechtbank.
Nu [eiser] de vordering niet heeft ingediend bij de voornoemde kamer, overweegt de kantonrechter de zaak op de voet van art. 71 lid 1 Rv ambtshalve te verwijzen naar die kamer, locatie Almelo.
De kantonrechter zal, alvorens te beslissen of tot verwijzing wordt overgegaan, ieder van partijen in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.
3. De beslissing
De kantonrechter:
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 20 oktober 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de voorgenomen ambtshalve verwijzing van de zaak naar de kamer voor handelszaken van deze rechtbank,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.