RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/350849 / HA ZA 26-308
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap [eiseres] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. L.H. Hordijk,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
voor zich en in hoedanigheid van vennoot van [gedaagde 3] V.O.F.,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
voor zich en in hoedanigheid van vennoot van [gedaagde 3] V.O.F.,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
niet verschenen,3. De vennootschap onder firma [gedaagde 3] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 3]
hierna samen te noemen: gedaagden,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- het tegen gedaagden verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:
De hoofdsom met rente van € 76.606,--,
De administratiekosten van € 1.315,--.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 1.541,06,
De contractuele vertragings- en boete rente van € 13.234,37 gerekend tot en met 16 juli 2026,
De contractuele vertragings- en boete rente gerekend vanaf 17 juli 2026 tot en met de dag der algehele voldoening,
De proces- de beslagkosten van deze procedure.
Ter onderbouwing van die vordering heeft [eiseres] gesteld dat zij met gedaagden in totaal zeven overeenkomsten van geldlening heeft gesloten:
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 1] van 13 oktober 2021 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een kredietbedrag van € 10.000,--,
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 2] van 19 april 2022 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , h.o.d.n. [bedrijf] voor een kredietbedrag van € 15.000,--,
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 3] van 8 december 2022 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een bedrag van € 25.000,--
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 4] van 2 mei 2023 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , h.o.d.n. [bedrijf] [vestigingsplaats 3] voor een kredietbedrag van € 15.000,--,
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 5] van 5 mei 2023 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , h.o.d.n. [bedrijf] [vestigingsplaats 3] voor een kredietbedrag van € 5.000,--,
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 6] van 23 oktober 2023 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , h.o.d.n. [bedrijf] [vestigingsplaats 3] en [gedaagde 3] [vestigingsplaats 2] voor een kredietbedrag van € 25.000,--,
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 7] van 26 augustus 2024 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een kredietbedrag van € 10.000,--.
Volgens [eiseres] zijn gedaagden jegens haar toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de hiervoor genoemde kredietovereenkomsten doordat gedaagden niet aan de aflossingsverplichtingen hebben voldaan.
3. De beoordeling
Verstek
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijn en formaliteiten in acht genomen.
Op grond van artikel 139 Rv wijst de rechtbank de vordering bij verstek van een gedaagde toe, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Consumentenkrediet
Uit de door [eiseres] overgelegde geldleningsovereenkomsten maakt de rechtbank op dat [eiseres] als professionele kredietgever mogelijk enkele geldleningsovereenkomsten heeft verstrekt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als consument. Het gaat dan om de overeenkomsten met de volgende kenmerken:
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 1] van 13 oktober 2021 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een kredietbedrag van € 10.000,--,
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 3] van 8 december 2022 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een bedrag van € 25.000,--
Leningsovereenkomst [overeenkomstnummer 7] van 26 augustus 2024 aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een kredietbedrag van € 10.000,--.
Dergelijke geldleningsovereenkomsten kwalificeren als een consumentenkrediet waarop titel 2A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Op consumentenkredietovereenkomsten in de zin van titel 2A van boek 7 BW zijn allerlei consumentenbeschermende voorschriften van toepassing en de rechtbank moet ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de gedaagde partij daar niet om vraagt) beoordelen of de kredietverstrekker zich aan een aantal belangrijke voorschriften heeft gehouden. Zo niet, dan moet de rechtbank daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. In de regel zal dan (een deel van) de vordering moeten worden afgewezen.
De rechtbank constateert dat zij in dit stadium onvoldoende is geïnformeerd om te kunnen beoordelen of de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen in dit geval zijn nageleefd. Zo dient [eiseres] inzichtelijk te maken dat zij vóór de totstandkoming van de overeenkomsten de in artikel 7:60 BW bedoelde informatie aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft verstrekt, bovendien dient de kredietovereenkomst te voldoen aan de vereisten van artikel 7:61 BW. Tot slot dient [eiseres] aan te tonen dat de kredietwaardigheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is getoetst, zoals artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) voorschrijft. Niet-naleving van de informatieverplichtingen vormt een oneerlijke handelspraktijk (art. 7:60 lid 3 BW), hetgeen zal leiden tot gedeeltelijke vernietiging van de geldleningsovereenkomst. Het niet verstrekken van de informatie in de zin van artikel 7:61 BW en het niet voldoen aan de kredietwaardigheidstoets zal eveneens leiden tot gedeeltelijke vernietiging van de geldleningsovereenkomst.
De rechtbank zal [eiseres] daarom in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over wat hiervoor in rechtsoverweging 3.5. is overwogen. Daarbij krijgt [eiseres] eveneens de gelegenheid om zich uit te laten over de vraag welke van de zeven geldleningsovereenkomsten al dan niet kwalificeren als een consumentenkrediet en de mogelijke gedeeltelijke vernietiging daarvan. Daarnaast dient [eiseres] bij akte inzichtelijk maken hoe haar resterende vordering is opgebouwd indien de overeenkomsten zoals genoemd in rechtsoverweging 3.3. worden vernietigd.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 november 2026 voor het nemen van een akte door [eiseres] over wat is vermeld onder 3.5. en 3.7.,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.