RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12376841 \ CV EXPL 26-3104
Vonnis in kort geding van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. F. Imbouh,
tegen
1. [gedaagde 1], voormalig vennoot van de uitgeschreven vennootschap onder firma [naam VOF],
te [vestigingsplaats 2],2. [gedaagde 2], handelend onder de naam [eenmanszaak], voormalig vennoot van de uitgeschreven vennootschap onder firma [naam VOF],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] ,
allebei niet verschenen.
1. De procedure
2 De kern
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 17 en 21 september 2026 met 14 producties;
- de brief van [eiseres] van 7 oktober 2026 met producties 15 en 16;
- de e-mail van [eiseres] van 13 oktober 2026 met een nadere productie, zoals opgevraagd door de kantonrechter;- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagden;
- de e-mail van 16 oktober 2026 waarin namens [gedaagde 1] om zuivering van het verstek wordt verzocht;
- de e-mail van [eiseres] van 16 oktober 2026 met bezwaar tegen het verzoek van [gedaagde 1] tot zuivering van het verstek;
- de e-mail van 20 oktober 2026 waarin namens [gedaagde 2] om zuivering van het verstek wordt verzocht;
- de e-mail van [eiseres] van 20 oktober 2026 met bezwaar tegen het verzoek van [gedaagde 2] tot zuivering van het verstek.
Partijen hebben een huurgeschil. [eiseres] verhuurt sinds mei 2021 winkelruimte aan de vennootschap onder firma [naam VOF] (“de vof”). [gedaagden] zijn de voormalige vennoten van de vof, die per 21 april 2026 is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. In het handelsregister is ingeschreven dat de onderneming van de vof per diezelfde datum is overgedragen aan [eenmanszaak] , een eenmanszaak van [gedaagde 2] . De verhuurde winkelruimte, een restaurant, is gelegen aan de [adres] . In de huurovereenkomst is bepaald dat de huur is aangegaan voor vijf jaar en dat die, behoudens opzegging, telkens voor vijf jaar wordt verlengd. De huurovereenkomst loopt thans tot 30 april 2031.
[eiseres] vordert onder meer ontruiming van het gehuurde en betaling van huurachterstand en contractuele boetes. Omdat [gedaagden] niet zijn verschenen in de procedure, worden de vorderingen van [eiseres] (summier) beoordeeld op basis van de stellingen en de overgelegde stukken van [eiseres] . De vorderingen van [eiseres] komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld. Hieronder volgt de toelichting.
3. De beoordeling
Tegen gedaagden is verstek verleend
[gedaagden] waren niet aanwezig op de mondelinge behandeling en hebben ook niet op een andere manier inhoudelijk gereageerd. Uit de dagvaardingen volgt dat zij op de juiste manier zijn opgeroepen voor de zitting. Daarom is tijdens de mondelinge behandeling tegen hen verstek verleend. De zaak is dus zonder aanwezigheid of reactie van [gedaagden] behandeld.
Geen zuivering van het verstek
De mondelinge behandeling vond plaats op 14 oktober 2026. Daar is namens [gedaagden] niemand verschenen. Bij brieven van respectievelijk 16 en 20 oktober 2026 heeft mr. J.H.M. Kolfschoten zich als advocaat van [gedaagden] gesteld en namens hen een verzoek tot zuivering van het verstek ingediend en gevraagd opnieuw een mondelinge behandeling te plannen. [eiseres] heeft gemotiveerd bezwaar gemaakt en vindt dat toestaan van de zuivering in de gegeven omstandigheden strijdig is met de goede procesorde.
Op grond van artikel 142 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de gedaagde tegen wie verstek is verleend de bevoegdheid het verstek te zuiveren zolang het eindvonnis niet is gewezen. Het zuiveren van verstek is ook mogelijk in het kort geding. Denkbaar is wel dat door gebruik van die mogelijkheid, misbruik van het procesrecht wordt gemaakt, of een gebruik wordt gemaakt dat in de gegeven omstandigheden in strijd is met de goede procesorde, mede gelet op het bijzondere (want spoedeisende) karakter van het kort geding. Dat kan een reden zijn om zuivering van het verstek in kort geding toch niet toe te staan.
De kantonrechter oordeelt dat in dit geval zuivering van het verstek in strijd zou komen met de eisen van de goede procesorde. Om die reden wordt de zuivering van het verstek niet toegestaan.
Zuivering van het verstek zou betekenen dat verhinderdata van partijen moet worden opgevraagd, waarna een voortzetting van de mondelinge behandeling wordt bepaald. Dit terwijl [eiseres] heeft onderbouwd een concreet spoedeisend belang te hebben bij de beoordeling van haar ontruimingsvordering (waarover hierna meer bij 3.9). Hier staat tegenover dat [gedaagden] niet hebben uitgelegd waarom zij niet op de mondelinge behandeling zijn verschenen, en hun belang bij een nieuwe mondelinge behandeling niet concreet hebben gemaakt. De toelichting bij de zuiveringsverzoeken beperkt zich ertoe dat [gedaagde 1] inmiddels over financiële middelen zou beschikken om de ontstane huurachterstand volledig te voldoen, dat hij daartoe ook op korte termijn wil overgaan en dat hij er vertrouwen in heeft dat partijen alsnog tot een minnelijke oplossing kunnen komen waarmee de gevorderde ontruiming kan worden voorkomen. Of er een inhoudelijk verweer is dat [gedaagden] kunnen voeren, is niet in het vooruitzicht gesteld bij het verzoek tot zuivering. Dat had voor de weging van hun belangen wel van hen verwacht mogen worden. Uit de door [eiseres] ingebrachte stukken blijkt namelijk dat [gedaagden] in juli 2024 bij verstek zijn veroordeeld tot betaling van een huurachterstand die tot dan toe ruim € 15.000 beliep, vermeerderd met contractuele boetes en kosten. Het verstekvonnis is in kracht van gewijsde gegaan. [eiseres] heeft onderbouwd dat de huurachterstand vervolgens verder is opgelopen en dat sprake is van structurele wanbetaling, ondanks verschillende betalingsregelingen die zij met [gedaagden] heeft getroffen. Afgaand op de ingebrachte correspondentie ontkennen [gedaagden] dit ook niet. Verder hebben [gedaagden] ook niet onderbouwd dat inmiddels daadwerkelijk voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de huurachterstand volledig af te lossen, zoals ter toelichting van het zuiveringsverzoek is aangevoerd. Gelet op dit alles prevaleert het belang van [eiseres] bij het wijzen van vonnis in verstek, boven het belang van [gedaagden] bij zuivering van het verstek. Uiteraard hebben [gedaagden] er recht op hun kant van het verhaal te vertellen, maar daarvoor kunnen zij ook de verzetprocedure benutten.
De ontruiming
[eiseres] vordert ontruiming van de gehuurde bedrijfsruimte. Volgens [eiseres] is er sprake van een aanzienlijke betalingsachterstand en structurele wanbetaling door [gedaagden] . Dat blijkt uit het overzicht van de huurachterstand waarin volgens [eiseres] te zien is dat [gedaagden] stelselmatig niet, te laat of onvolledig de huurprijs betalen, ondanks betalingsherinneringen, sommaties, (herziene) betalingsregelingen en een eerder (verstek)vonnis van 16 juli 2024. De huidige huurprijs is € 2.468,23 per maand en de totale huurachterstand bedraagt thans
€ 20.850,82, waarvan in deze procedure betaling van het bedrag van € 4.672,90 wordt gevorderd.
Het beoordelingskader voor ontruiming in kort geding
De vordering tot ontruiming in kort geding kan worden toegewezen als [eiseres] hierbij zoveel spoed heeft dat zij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) niet hoeft af te wachten. Als er een spoedeisend belang is, moet de kantonrechter daarna beoordelen of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen de gevolgen hiervan voor [gedaagden] .
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van zo’n vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
[gedaagden] moeten de bedrijfsruimte ontruimen
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. [gedaagden] hebben een forse huurachterstand, die steeds verder oploopt. Er is bovendien sprake van structurele wanbetaling. [eiseres] heeft toegelicht dat zij er belang bij heeft om zo spoedig mogelijk weer over het gehuurde te kunnen beschikken, zodat zij het gehuurde aan een ander kan verhuren ter beperking van haar schade, en zij heeft onderbouwd dat zij een potentiële nieuwe huurder heeft gevonden. Gelet op deze omstandigheden kan van [eiseres] niet gevraagd worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Daarnaast is het zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal beëindigen en de ontruiming zal toewijzen, gelet op de omvang van de huurachterstand en de structurele wanbetaling. Als laatst weegt het belang van [eiseres] om de bedrijfsruimte opnieuw te verhuren aan een huurder die de huur wel op tijd en volledig betaalt, zwaarder dan het belang van [gedaagden] .
[eiseres] heeft deze vordering dus niet zonder geldige reden ingesteld. De gevorderde ontruiming is ook niet in strijd met de wet. [gedaagden] moeten daarom de bedrijfsruimte ontruimen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op acht dagen, zoals door [eiseres] is gevorderd.
De geldvorderingen
Het beoordelingskader voor geldvorderingen in kort geding
Bij een geldvordering in kort geding moet de kantonrechter terughoudend zijn. Om een geldvordering in kort geding toe te wijzen is nodig dat [eiseres] de geldvordering voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook moet [eiseres] hierbij zoveel spoed hebben dat er een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Tot slot moet de kantonrechter in de afweging van de belangen van [eiseres] enerzijds en [gedaagden] anderzijds rekening houden met het risico dat het geldbedrag niet meer wordt terugbetaald, welke risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Verder is van belang dat als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, de proceseconomie ermee is gebaat dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering als die ter zake van buitengerechtelijke kosten kan worden beslist.
Huurtermijnen en contractuele boetes
De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiseres] zo, gelet op haar toelichting ter zitting, dat zij vordert om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 4.672,90 voor vervallen huurtermijnen tot en met oktober 2026, en tot betaling van de toekomstige huurtermijnen vanaf november 2026 tot aan de ontruiming van het gehuurde. Daarnaast vordert [eiseres] betaling van contractuele boetes van in totaal € 600,00.
Deze vorderingen worden toegewezen. [eiseres] heeft met de ingebrachte stukken en haar toelichting ter zitting voldoende onderbouwd dat zij het genoemde bedrag aan huurachterstand van [gedaagden] te vorderen heeft. [gedaagden] moeten hun maandelijkse betalingsverplichting ook na 1 november 2026 nakomen tot aan de datum van ontruiming van het gehuurde. Verder heeft [eiseres] voldoende onderbouwd, en is niet weersproken, dat [gedaagden] op grond van artikel 25.3 van de algemene bepalingen die deel uitmaken van de huurovereenkomst, in totaal € 600,00 (2 x € 300,00) aan boetes zijn verschuldigd omdat zij de huur over augustus en september 2026 niet tijdig en volledig hebben betaald. [eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van deze vorderingen. Van een restitutierisico is de kantonrechter niet gebleken.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW in samenhang gelezen met artikel 30.1 van de Algemene Bepalingen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 700,93 (15% x € 4.672,90). [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op vergoeding van deze kosten. De vordering is daarom toewijsbaar.
Proceskosten
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
€
313,50
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.593,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als daar een rechtsmiddel tegen wordt ingesteld.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk het gehuurde aan de [adres] binnen acht (8) dagen na betekening van dit vonnis met al het hunne en de hunnen te ontruimen en de sleutels en/of andere toegangsmiddelen onbeschadigd aan [eiseres] af te geven en al hetgene tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van het bedrag van:
a. a) € 4.672,90 aan achterstallige huur tot en met oktober 2026;
b) € 2.468,23 aan huur per maand vanaf november 2026 tot en met de datum van ontruiming;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 600,00 aan contractuele boetes;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 700,93 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.593,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op
21 oktober 2026. (PvdS)