RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12264146 \ EJ VERZ 26-170
Beschikking van 21 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.D. Ubbink,
tegen
STICHTING [verweerster],
te [vestigingsplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: de stichting
gemachtigde: mr. J.F. Vanhommerig.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 23 september 2026.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verzoeker] huurt met ingang van 1 augustus 2003 atelierruimte in het pand aan de [adres] van (de rechtsvoorgangster van) de stichting.
Op 14 oktober 2025 vindt een gesprek plaats tussen [verzoeker] en het bestuur van de stichting. In het daarvan opgemaakte verslag staat onder meer:
(...)
De meeste moeite heeft hij (de voorzitter, kantonrechter) met zijn ( [verzoeker] , kantonrechter) manier van communiceren met bestuursleden, (...)
Daarnaast roept hij [verzoeker] op om na te denken over het feit dat hij zoveel weerstand oproept bij collega’s.
(...)
Door de voortdurende discussie waarin [verzoeker] halsstarrig zijn eigen standpunt blijft volhouden geeft Janina aan het vertrouwen in hem volledig kwijt te zijn. Ook is zij geïrriteerd over het feit dat er geen afspraak met hem te maken valt. Zo heeft het bestuur met alle huurders een één-op-één gesprek hebben gehad, behalve met [verzoeker] . Ook de afspraak voor dit gesprek is in eerste instantie afgezegd zonder dat [verzoeker] een alternatief aanbood. (...)
Op 30 november 2025 mailt de secretaris van het stichtingsbestuur het volgende aan [verzoeker] :
(...)
Zoals door Michiel aan jou meegedeeld hebben we jouw brief en het gesprek op 14 oktober in een bestuursvergadering besproken. Het resultaat daarvan is dat we hebben besloten jouw huurovereenkomst niet te verlengen, conform artikel 3.1 uit het contract. (...)
Bij brief van 26 januari 2026 heeft de stichting de huurovereenkomst per 1 mei 2026 opgezegd. In deze brief staat onder meer:
(...)
De reden hiervoor is dat onze opvattingen en die van u over goed huurderschap te ver uit elkaar liggen. Ook ontstaat er door het blokkeren van de secretaris van het bestuur een onwerkbare situatie.
Wij verzoeken u per 1 mei 2026 de ruimte opleverklaar te hebben, dat wil zeggen geheel ontruimd, schoon en in de staat waarin u de ruimte te huur aangeboden heeft gekregen. (...)
3. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt verlenging van de ontruimingstermijn met één jaar, met bepaling dat de vergoeding voor het voortgezet verbruik € 328,85 (inclusief verwarming en wifi) zal bedragen, met veroordeling van de stichting in de kosten van deze procedure.
De stichting voert verweer. Op hetgeen zij in dat verband heeft aangevoerd, zal, voor zover nodig, in het navolgende worden ingegaan.
4. De beoordeling
Het verzoek van de huurder kan uitsluitend worden toegewezen indien:
het verzoekschrift tijdig is ingediend (lid 1), én de belangen van de huurder en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan de belangen van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder (lid 4).
Indien aan de beide genoemde voorwaarden is voldaan, wordt het verzoek niettemin afgewezen, indien de verhuurder aannemelijk maakt dat van hem niet kan worden gevergd dat de huurder langer het recht op het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan behoudt wegens (lid 4):
onbehoorlijk gebruik van het (voormalig) verhuurde, of
ernstige overlast, de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan,
wanbetaling.
Volgens de stichting moet in casu het verlengingsverzoek worden afgewezen in verband met [verzoeker] onbehoorlijke gebruik van het gehuurde en zijn onbehoorlijke gedrag en omgangsvormen jegens bestuur en medehuurders. Hij parkeert zijn auto pal voor de ingang van het gebouw en blokkeert daarmee de ingang, houdt de ruimte vóór zijn atelier niet vrij (hetgeen brandgevaar oplevert) en maakt ongeoorloofd gebruik van de openbare ruimte rond het gebouw. Medehuurders hebben geklaagd over intimidatie, geluidsoverlast, het storen van medehuurders bij hun werkzaamheden en het veroorzaken van een onveilig gevoel, aldus de stichting
[verzoeker] heeft daarop betwist dat hij met zijn auto de ingang blokkeert. Verder heeft hij aangevoerd dat hij de ruimte voor zijn atelier conform de eisen van de brandweer heeft ingericht en dat van ongeoorloofd gebruik van de buitenruimte geen sprake is; hij had als taak het omliggende terrein passend “aan te kleden”, hetgeen hij heeft gedaan met enkele kunstvoorwerpen. Dat (en waarom) enkele medehuurders zich aan hem storen, was hem tot voor kort onbekend en hij heeft zijn gedrag dan ook niet kunnen aanpassen.
Het beroep van de stichting op de verplichte afwijzingsgrond slaagt niet. Dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het gestelde onbehoorlijk gebruik van het gehuurde is als door hem betwist en door de stichting niet afdoende onderbouwd niet komen vast te staan. Dat de verhoudingen tussen [verzoeker] en de stichting (c.q. het bestuur), evenals tussen hem en diverse andere huurders verstoord zijn, is helder, maar dat maakt nog niet dat daarmee gesproken kan worden van ernstige overlast in de hiervoor bedoelde zin.
Dit betekent dat de belangen van partijen moeten worden beoordeeld. Zoals hiervoor al is vermeld, is het verzoek alleen toewijsbaar als de belangen van [verzoeker] door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de stichting bij voortzetting van het gebruik door [verzoeker] .
Volgens [verzoeker] ontvangt hij een groot deel van zijn reguliere inkomsten uit het geven van kunstlessen op scholen en dergelijke, waarbij het hebben van atelierruimte onontbeerlijk is (voor de nodige voorbereiding, opslag materialen en dergelijke). Vervangende atelierruimte is zeer moeilijk te vinden. Bovendien is een verhuizing voor hem zowel fysiek als mentaal erg belastend en heeft hij meerdere vrienden en kennissen rond zijn atelierruimte.
Volgens de stichting is [verzoeker] voor zijn inkomen niet afhankelijk van de door hem te geven kunstlessen, aangezien hij sinds februari van dit jaar een AOW-uitkering ontvangt. Bovendien is hij niet aangewezen op atelierruimte; andere ruimtes (zoals kantoor- of zolderruimte) zijn ook geschikt voor voorbereiding van lessen en opslag van materialen. Verder heeft de stichting aangevoerd dat haar uit de na de huurdersvergadering binnengekomen reacties is gebleken dat er onder de huurders veel weerstand is tegen [verzoeker] en dat haar bestuur – bestaande uit vrijwilligers – de verhouding met hem als zeer belastend ervaart.
Hoewel het voor [verzoeker] ongetwijfeld een hard gelag is om de atelierruimte te moeten ontruimen, ziet de kantonrechter in de verstoorde verhoudingen aanleiding zijn verzoek niet toe te wijzen. Voor zover [verzoeker] zich niet bewust is geweest van het effect van zijn gedrag op bestuursleden en/of andere huurders, moet dat voor zijn rekening blijven.
Om [verzoeker] enige tijd te geven om het gehuurde te ontruimen en te verhuizen wordt het tijdstip van ontruiming vastgesteld op 1 januari 2027.
[verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de stichting.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn af,
stelt het tijdstip van ontruiming vast op 1 januari 2027,
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van een bedrag van € 576,- aan salaris gemachtigde,
verklaart de onderdelen 5.2 en 5.3 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
!
!