ECLI:NL:RBROT:2026:11705

ECLI:NL:RBROT:2026:11705

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer C/10/717973 / FA RK 26-2906
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Voorlopige voorziening artikel 223 rv, overeenstemming voorlopige omgangsregeling, geen inkomensgegevens van partijen, voorlopige kinderbijdrage bepaald op basis van gestelde eerdere afspraken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/717973 / FA RK 26-2906

Beschikking van 11 augustus 2026 over de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

in de zaak van:

[man] , hierna: de man,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat mr. J.J. Vermaat te Rotterdam,

t e g e n

[vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [plaats 2] ,

advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 09 april 2026;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 23 juli 2027.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De oudste minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.

2. De vaststaande feiten

Uit de vrouw zijn geboren de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] .

De man heeft de minderjarigen erkend.

De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.

De minderjarigen wonen bij de vrouw.

3. De beoordeling

Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

De man verzoekt een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat:

1.

de minderjarigen gedurende één weekend per 14 dagen, van vrijdag uit school tot maandag naar school, bij hem verblijven althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank juist acht.;

2.

de vrouw gehouden is tot betaling van een dwangsom aan de man ter hoogte van € 500,-, met een maximum van € 5.000,-, dan wel een ander door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere keer dat zij de nakoming van de omgangsregeling zoals bij voorlopige voorziening wordt vastgelegd, niet nakomt, waarbij de eerste dwangsom verbeurt indien niet binnen 14 dagen na dagtekening van de in deze zaak te geven beschikking omgang heeft plaatsgevonden;

3.

te bepalen dat de man de kosten die hij in verband met de eventuele tenuitvoerlegging

verschuldigd zal zijn, op de vrouw kan verhalen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt onder afwijzing van de verzoeken van de man – samengevat- dat:

een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen wordt bepaald volgens een door de vrouw opgesteld opbouwschema;

een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ter hoogte van € 588,- per maand per kind wordt bepaald;

de man aan de vrouw een bedrag van € 12.450,- moet betalen.

Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan hiervoor genoemde minimumvereisten. De man is daarom ontvankelijk in zijn verzoek. Voor wat betreft het verweer en de zelfstandige verzoeken van de vrouw over de omgangsregeling en de kinderalimentatie geldt hetzelfde.

Ten aanzien van de geldvordering van de vrouw ter hoogte van € 12.450,- overweegt de rechtbank als volgt. Niet alleen is er geen samenhang met het hoofdverzoek, maar ook valt dit verzoek (de rechtbank leest dit overigens als een geldvordering) buiten de absolute bevoegdheid van de rechtbank. Die ligt bij de kantonrechter. De rechtbank zal dit deel van het zelfstandige verzoek van de vrouw, als het meer of anders verzochte, afwijzen.

De omgangsregeling

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen. Gelet op de bereikte overeenstemming zal de rechtbank het meer of anders verzochte afwijzen.

Dwangsom

Gelet op de bereikte overeenstemming wijst de rechtbank de verzochte dwangsom af. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen de overeengekomen regeling zullen nakomen, en dat zij met elkaar het gesprek zullen aangaan over het verloop van de regeling.

Onderhoudsbijdragen

De vrouw verzoekt vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 588,- per maand per kind, met ingang van juli 2025.

De man voert gemotiveerd verweer.

De rechtbank stelt voorop dat deze procedure is bedoeld voor het treffen van een tijdelijke maatregel voor de duur van de bodemzaak en zich niet leent voor een nader feitelijk onderzoek.

Op grond van artikel 1:404 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Komt een ouder die verplichting niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder op grond van artikel 1:406 BW de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van de minderjarige zal moeten voldoen.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil.

Bij het bepalen van het bedrag aan kinderbijdrage wordt rekening gehouden met de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) en de draagkracht van de onderhoudsplichtigen. De rechtbank dient voor de berekening van de behoefte te beschikken over de inkomensgegevens van partijen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Voor de draagkracht van partijen dient de rechtbank te beschikken over de meest recente gegevens.

De rechtbank stelt vast dat noch van de man noch van de vrouw inkomensgegevens beschikbaar zijn. De vrouw, die sinds kort werkzaam is, kon tijdens de mondelinge behandeling ook niet bij benadering verklaren wat de hoogte van haar inkomen was. Mede in het licht van de betwisting van zijn inkomen door de man en bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing is de rechtbank niet in staat de behoefte van de minderjarigen en de draagkracht van partijen naar rato te berekenen. Gezien de aard van de procedure zal de rechtbank partijen ook niet in de gelegenheid stellen om deze gegevens alsnog te overleggen. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat de vrouw met haar verzoek heeft gewacht tot vlak voor de mondelinge behandeling, zodat er ook weinig gelegenheid was voor het indienen van nadere stukken. De vrouw heeft daarbij in haar verzoek verzuimd te melden dat zij nu ook inkomen heeft uit een dienstbetrekking.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij eerder aan de vrouw een bijdrage van € 400,- per maand per kind heeft voldaan. Volgens de man was deze bijdrage onderdeel van de afspraken tussen partijen, hetgeen door de vrouw wordt betwist. De man heeft aangeboden conform deze afspraken weer eenzelfde kinderbijdrage te betalen. Omdat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft betwist dat er sprake was van een afspraak over de kinderbijdrage, zal de rechtbank een voorlopige kinderbijdrage vaststellen ter hoogte van € 400,- maand per kind. Immers, minderjarigen kunnen niet in hun eigen levensonderhoud voorzien, en het bedrag komt de rechtbank – zonder dat hier een oordeel uit voortvloeit voor de bodemzaak – niet onredelijk voor.

Ingangsdatum

De rechtbank sluit voor de ingangsdatum aan bij artikel 822 lid 2 Rv. Dit artikel bepaalt dat voor de datum van ingang van de door de rechtbank vastgestelde voorlopige voorzieningen de dag van de dagtekening van de beschikking als uitgangspunt geldt. Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling ziet de rechtbank geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

Hoofdzaak

De rechtbank heeft, tijdens de mondelinge behandeling met instemming van partijen, bepaald dat de hoofdzaak op donderdag 12 november 2026 te 11.30 uur zal worden behandeld. Partijen, de advocaten en de raad zullen daarvoor een oproepbrief ontvangen.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de voorlopige voorziening:

neemt op de voorlopige onderlinge regeling die partijen over de omgangsregeling hebben getroffen, te weten:

met ingang van zaterdag 15 augustus 2026 heeft de man voor de duur van zes weken iedere zaterdag van af 10.00 uur tot 19.00 uur omgang met de minderjarigen;

na die periode heeft de man een periode van zes weken omgang met de minderjarigen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagmiddag 12.00 uur;

na die periode heeft de man een keer per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur omgang met de minderjarigen;

dit jaar (2026) verblijven de minderjarigen de herfstvakantie bij de man;

de man zal het vervoer van de minderjarigen voor zijn rekening nemen. De overdracht vindt plaats bij grootmoeder (mz);

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 11 augustus 2026, als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 400,- per maand per kind;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.E.D. Tjeertes, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van A.D. Lavieren, griffier, op 11 augustus 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand