RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/721643 / JE RK 26-1200
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] ,
advocaat mr. D.H. van Tongerlo, kantoorhoudende te Rotterdam,
[pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 17 juni 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 juli 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 21 juli 2026;
het bericht van de pleegmoeder van 3 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [pleegzorgmedewerker 1] en [pleegzorgmedewerker 2] , medewerkers van Enver Pleegzorg.
De pleegmoeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegmoeder wel juist is opgeroepen. Bij bericht van 3 augustus 2026 heeft de pleegmoeder haar mening gegeven en aangegeven dat zij vanwege haar vakantie afwezig zal zijn op de zitting.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 1 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Afgelopen juli heeft [minderjarige] een intake gehad voor speltherapie in verband met traumaverwerking. Daarmee zal zij in oktober starten. De bezoekmomenten tussen de moeder en [minderjarige] zijn de afgelopen periode in aantallen afgenomen maar in tijdsduur toegenomen. De moeder en [minderjarige] zien elkaar nu een keer in de maand voor tweeëneenhalf uur. Zij doen dan een activiteit buitenshuis. Dat sluit beter aan bij de behoeften van [minderjarige] en is voor zowel de moeder als [minderjarige] fijner dan een bezoek op het kantoor van de GI. Er is gezamenlijk besloten om het aantal bezoeken te verminderen maar tegelijkertijd wel productiever te maken. De GI ziet vooruitgang en ziet dat [minderjarige] geniet van de momenten dat zij iets leuks kan doen. Het is voor de moeder nog lastig om voldoende aansluiting te vinden bij [minderjarige] . De GI overweegt om opnieuw video-interactiebegeleiding (hierna: VIB) in te zetten. Eerder is VIB ook ingezet en kreeg de moeder tips en tricks vanuit VIB mee. De inzet van VIB wordt op een positieve manier vormgegeven zodat de moeder weet wat ze al goed doet en waar ze nog aan kan werken. [minderjarige] is de afgelopen periode ouder geworden en gaat binnenkort naar de basisschool. Het is een goed moment om de moeder opnieuw tips en tricks mee te geven die aansluiten bij de leeftijd van [minderjarige] . Het is positief en prettig dat de moeder overal aan meewerkt. Een gezagsbeëindiging is daarom niet nodig. Toch hoopt de GI dat de moeder kan gaan inzien dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder ligt.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] is altijd blij als ze de moeder ziet en ze geeft haar knuffels en kusjes. De moeder gelooft niet dat de trauma’s van [minderjarige] door haar komen. De moeder woont nu begeleid en heeft nog steeds de wens om een eigen huis te hebben met een prinsessenkamer voor [minderjarige] . De moeder vindt de begeleide bezoeken leuk en het is positief dat deze niet alleen maar in een kantoorkamer plaatsvinden. [minderjarige] heeft zelf aan de moeder gevraagd of zij een nachtje bij haar mag slapen. De moeder is bezig met urgentie om een eigen huis te krijgen. De moeder begrijpt dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nu worden verlengd maar hoopt dat [minderjarige] in de toekomst bij haar komt wonen. Dat is de grootste wens van de moeder. De moeder is blij met de pleegmoeder. De pleegmoeder en [minderjarige] zitten nu in Frankrijk in een groot huis met een zwembad, dat vindt de moeder fijn. De moeder is inmiddels stabiel en er is geen opname meer geweest sinds 2022. De eerder vastgestelde schizofrenie kan niet in de weg staan aan een thuisplaatsing van [minderjarige] in de toekomst.
De pleegmoeder heeft bij bericht van 3 augustus 2026 het volgende naar voren gebracht. Het gaat heel goed met [minderjarige] en zij ontwikkelt zich vlot. [minderjarige] start na de zomervakantie op de basisschool. Sinds de bezoekmomenten met de moeder minder frequent zijn en niet meer op kantoor plaatsvinden, gaat het beter met [minderjarige] en heeft zij in mindere mate nachtmerries. De pleegmoeder ziet wel dat [minderjarige] tijdens de bezoekmomenten met de moeder nog stiller en minder vrij is dan in de thuissituatie bij de pleegmoeder.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] verblijft sinds haar geboorte in het huidige pleeggezin naar aanleiding van zorgen over de opvoedsituatie en de persoonlijke problematiek van de moeder. Dat maakt dat [minderjarige] (bijna) haar hele leven niet bij de moeder heeft gewoond. [minderjarige] heeft in het pleeggezin een stabiele basis en is daar inmiddels gehecht. [minderjarige] heeft daarnaast in het pleeggezin rust en ruimte om zichzelf verder te ontwikkelen. Dat maakt dat [minderjarige] niet zomaar terug kan naar de moeder. De kinderrechter begrijpt dat de moeder het liefst zelf voor [minderjarige] wil zorgen en dat het pijn doet dat dit niet mogelijk is. Desondanks moet het belang van [minderjarige] leidend zijn en moet er worden gekeken hoe het beste invulling kan worden gegeven aan het verder verstevigen van de band tussen de moeder en [minderjarige] . Het is heel goed dat de moeder positieve stappen is blijven zetten, stabiel lijkt te zijn en sinds 2022 niet meer is opgenomen. In de komende periode wil de GI opnieuw video-interactiebegeleiding inzetten om de moeder tips en tricks mee te geven om aan te sluiten bij de opvoedbehoeften van [minderjarige] . Op deze manier kan de moeder leren van de interacties met [minderjarige] en een stap in de goede richting zetten om een betere band met haar op te bouwen. [minderjarige] wordt steeds ouder en is daardoor steeds beter in staat te begrijpen dat ze niet bij de moeder woont, maar wel een fijne band met haar kan hebben. De kinderrechter acht het van belang dat de GI blijvende aandacht heeft voor de mogelijkheden voor een uitbreiding van de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] . Als de moeder in de toekomst een eigen huis heeft en er sprake is van voldoende stabiliteit, zou kunnen worden bezien of [minderjarige] daar op termijn kan logeren. Daarvan is op dit moment nog geen sprake. Als de moeder over een eigen woning beschikt, zal zij ook dan eerst voldoende en langdurige stabiliteit moeten kunnen laten zien. Er zal naar verwachting geruime tijd overheen gaan voordat een logeermoment aan de orde kan zijn. De kinderrechter benadrukt dat ook daarbij voorop staat dat het belang van [minderjarige] leidend is.
De GI heeft eerder een perspectiefbesluit genomen waarbij het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin is bepaald. In haar vorige beschikking heeft de kinderrechter duidelijk gemaakt dit besluit te begrijpen en te onderschrijven en daar staat zij nog steeds achter. Ook de Raad voor de Kinderbescherming kan dit besluit, in het belang van [minderjarige] , onderschrijven. [minderjarige] kan nu niet bij de moeder wonen en het is noodzakelijk dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin wordt gecontinueerd.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 1 september 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 18 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.