RECHTBANK ROTTERDAM
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6305
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. G. Grijs),
en
(gemachtigde: mr. W. Breure).
Het college heeft verzoeksters aanvraag om maatschappelijke opvang voor haar en haar gezin afgewezen. Verzoekster woont met haar gezin bij haar ouders. Hier wonen 9 personen in een 4-kamerwoning. Daarbij komt dat verzoekster in verwachting is en zij straks met haar partner, minderjarige dochter en baby in 1 slaapkamer moeten verblijven. Verzoekster is echter zelfredzaam en het gezin hoort niet thuis in de maatschappelijke opvang. Het verzoek wordt afgewezen.
Procesverloop
1. Verzoekster heeft samen met haar partner ([naam]) en hun minderjarige dochter een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
4. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank op 8 september 2026 uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
5. Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds februari 2024 bij haar ouders in [locatie] met haar minderjarige dochter. Haar partner heeft de Somalische nationaliteit en woont ook bij verzoeksters ouders in huis. Verzoekster is inmiddels 34 weken zwanger en de woning van haar ouders is te klein, omdat verzoeksters broers en zussen ook bij haar ouders in huis wonen. Zij wonen met 9 personen in een 4-kamerwoning.
Waar gaat het in deze zaak om?
6. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang voor haarzelf, haar partner en hun minderjarige dochter. Het college heeft verzoeksters aanvraag afgewezen. Volgens het college is verzoekster in staat om zich op eigen kracht (met gebruikelijke hulp) te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in het onderdak van haar en haar kinderen te voorzien. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij en haar gezin worden toegelaten tot de opvang.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
8. Voor recht op maatschappelijke opvang is van belang of iemand zich kan handhaven in de samenleving. Het gaat dus om de vraag of iemand zelfredzaam is. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat verzoekster zich kan redden in de samenleving. Het college heeft in het bestreden besluit verschillende punten benoemd waaruit dat blijkt. Zo heeft verzoekster in Nederland een mbo-opleiding gevolgd en volgt ze nu een andere mbo-opleiding. Daarnaast had zij een baan waarin ze 36 uur per week werkte. Ze is met dit werk gestopt vanwege haar zwangerschap en heeft nu inkomsten uit een uitkering van het UWV. Verzoekster heeft een steunend sociaal netwerk, geen schulden, geen psychische klachten en geen verslavingsproblematiek. Ze heeft fysiotherapie gehad in verband met rugklachten die zij had vanwege haar zwangerschap. Ook bezoekt zij de verloskundige. Zij weet dus hulp te vinden voor haar fysieke problemen. En zijn geen specifieke hulpvragen neergelegd.
Tijdens de zitting heeft verzoeksters gemachtigde aangevoerd dat het beeld over verzoekster anders is dan wat er uit het gesprek bij Centraal Onthaal naar voren is gekomen. Zo heeft verzoekster zelfstandig gewoond, maar heeft zij besloten om weer bij haar ouders te gaan wonen omdat zij het zelf niet kon redden. Deze stelling is echter onvoldoende onderbouwd. Verzoekster heeft verder nog gewezen op de belangen van haar minderjarige dochter. Het college heeft een kindintake gedaan en daaruit komt naar voren dat verzoeksters dochter zich goed ontwikkelt, naar school gaat en naar zwemles, dat zij er verzorgd uitziet en dat de ouders zich betrokken opstellen bij de opvoeding. Er zijn dus geen zorgen over verzoeksters dochter. Ondanks het ontbreken van een eigen woonplek, is de situatie wel veilig en stabiel.
De voorzieningenrechter ziet dat er sprake is van een onwenselijke situatie, omdat er zoveel mensen in een te kleine woning wonen, maar de Wmo is niet bedoeld om in die situatie maatschappelijke opvang te verlenen. De Centrale Raad van Beroep (de hoogste beroepsinstantie in dit soort zaken) heeft meermaals overwogen dat het aan de politiek is om met een oplossing te komen voor de woningnood.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster en haar gezin vooralsnog geen opvang hoeven te verlenen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: