RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12187278 VV EXPL 26-214
datum uitspraak: 29 juni 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,
eiser,
gemachtigde: mr. S. Ruijs-van der Linden,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats], kantoor houdende te [locatie 1],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.C. Hansen.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 16 mei 2026, met bijlagen 1 tot en met 13;
het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 10;
de akte wijziging van eis, met bijlagen 14 en 15;
het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 10;
de e-mail van [gedaagde], met bijlage 11;
de spreekaantekeningen van partijen.
Op 10 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser], met hulp van de tolk Farsi A. Najafi (25480), met [naam 1] (eigenaar) en zijn broer [naam 2] voor
[gedaagde], en met de gemachtigden.
2. De beoordeling
Wat is de kern?
Samengevat eist [eiser] betaling van loon en andere bedragen. [gedaagde] is het daarmee niet eens. De eis wordt deels af- en deels toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordelingskader in kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eiser heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
Aan zijn looneis legt [eiser] ten grondslag dat hij nog een arbeidsovereenkomst heeft met [gedaagde] en dat hij recht heeft op betaling van loon na uitval door ziekte. Hij stelt dat hij door het uitblijven van de betaling van loon in financiële problemen komt en dat deze situatie hem ook bemoeilijkt bij het vinden van woonruimte. Daar staat tegenover dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen al op
30 september 2025 is geëindigd en dat [eiser] heel lang heeft gewacht met een loonvordering. Ter zitting is ook naar voren gekomen dat [eiser] op dit moment een bijstandsuitkering ontvangt en tijdelijk woonruimte heeft in [locatie 2]. Gelet hierop kan getwijfeld worden over het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn eis, maar toch wordt dat belang aanwezig geacht omdat aannemelijk is dat [eiser] door vermindering van zijn inkomen gaandeweg financieel en daardoor ook anderszins in de knel kan komen.
Voortdurende arbeidsovereenkomst?
[gedaagde] betwist dat partijen nog een arbeidsovereenkomst hebben. Zij heeft onderbouwd aangevoerd dat die overeenkomst is beëindigd, dat [eiser] dat weet, en dat hij daartegen geen procedure is gestart. Afgezien van nabetalingen die [gedaagde] naar aanleiding van deze procedure nog heeft verricht, waarover hieronder meer, voert [gedaagde] aan dat zij na 30 september 2025 geen loon meer is verschuldigd aan [eiser].
Het standpunt van [gedaagde] vindt steun in de WhatsAppberichten van
30 september 2025 waarin om 10:07 uur in de ochtend aan [eiser] is geschreven:
“Ik heb begrepen dat je weg bent gelopen” en “Je kan je ontslag tekenen hier of je word op staande voet ontslagen voor het weigeren van werk en weglopen. Dit is niet de eerste Keer.”
De berichten hebben [eiser] bereikt, want hij heeft diezelfde dag om 21:03 uur in de avond teruggeschreven:
“Dit is de eerste keer dat ik op deze manier heb gehandeld. De reden hiervoor zijn de ongeschikte werkomstandigheden en het gebrek aan passende werkkleding, werkschoenen en materialen, zoals een bezem. Daarnaast heb ik last van rug- en handklachten, waardoor ik niet in staat was om te komen werken. Morgen ben ik van plan een arts te raadplegen. De buitensporige werkdruk van gisteren heeft mijn lichamelijke toestand verergerd. Op dit moment kan ik vanwege rug- en handpijn mijn werk niet uitvoeren en heb ik medische behandeling nodig. Helaas is mijn gezondheid door de omstandigheden die het bedrijf heeft gecreëerd, aangetast.”
In deze reactie van [eiser] wordt de inhoud van de berichten van [gedaagde] over de gang van zaken in de ochtend niet weersproken en ook blijkt er niet uit dat hij zich in de ochtend heeft ziekgemeld.
Gesteld noch gebleken is dat [eiser] na 30 september 2025 is teruggegaan naar de werklocatie. Dit betekent volgens het WhatsAppbericht van [gedaagde] dat [eiser] op staande voet is ontslagen wegens werkweigering en weglopen. Of dit ontslag terecht is en deugdelijk is gegeven laat de kantonrechter hier in het midden. [eiser] heeft de berichtgeving van [gedaagde] als ontslag op staande voet opgevat gelet op zijn WhatsAppbericht van 6 oktober 2025 waarin hij onder meer schrijft: “Ik kan niet instemmen met een ontslag, aangezien een ontslag op staande voet in deze situatie niet gerechtvaardigd is.” Binnen de in de wet genoemde vervaltermijn van twee maanden heeft [eiser] hiertegen geen procedure bij de kantonrechter ingesteld (artikel 7:686a lid 4 BW). [gedaagde] heeft hier een beroep op gedaan (conclusie van antwoord 2.18).
[gedaagde] wijst ook op haar ontslagbrief van 30 september 2025 die zij heeft overgelegd. [eiser] bestrijdt dat die brief is verzonden en voert aan de brief nooit te hebben ontvangen. De kantonrechter kan niet beoordelen hoe dit zit, maar stelt wel vast dat bij brief van 7 november 2025 [bedrijf] zich namens [eiser] tot [gedaagde] heeft gewend en daarin onder meer vermeldt:
“(…) Cliënt stelt dat hij na enkele maanden van naar behoren verrichte arbeid zonder geldige reden is ontslagen en dat zijn loon sinds oktober 2025 niet is uitbetaald. (…) Hiermee is sprake van (…) een onrechtmatige
beëindiging van de arbeidsovereenkomst. (…)”
Gelet op het voorgaande gaat de kantonrechter er daarom vanuit dat [eiser] de berichtgeving van [gedaagde] heeft opgevat als zijn ontslag. Daarna is bij de kantonrechter geen procedure tegen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gestart. De termijn om dat te doen is inmiddels verstreken zoals [gedaagde] heeft aangevoerd.
Afwijzing van € 18.748,80 bruto aan loon tot en met 6 april 2026
Omdat de arbeidsovereenkomst - voorlopig oordelend - op 30 september 2025 is geëindigd, is er geen basis om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 18.748,80 bruto aan loon inclusief 8% vakantiegeld over de periode van 1 oktober 2025 tot en met
6 april 2026 (de datum waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou zijn geëindigd).
Afwijzing van € 3.236,- bruto of € 1.569,24 bruto voor niet genoten vakantie-uren
De eis tot uitbetaling van primair € 3.236,- bruto of subsidiair € 1.569,24 bruto aan door [eiser] opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren wordt afgewezen. Het eerste bedrag wordt afgewezen omdat het bedrag betrekking heeft op vakantie-uren opgebouwd tot
en met 6 april 2026. Omdat - voorlopig oordelend - de arbeidsovereenkomst op 30 september 2025 is geëindigd zijn er nadien ook geen vakantie-uren meer opgebouwd. Het tweede bedrag heeft betrekking op vakantie-uren opgebouwd tot 30 september 2025. [gedaagde] heeft echter betwist dat [eiser] die uren niet heeft opgenomen. In dit verband heeft zij aangevoerd dat [eiser] in september 2025 tien dagen verlof heeft gehad, wat hij ter zitting ook heeft erkend. Niet is gesteld dat na aftrek van die tien verlofdagen nog een saldo aan niet genoten vakantie-uren resteert c.q. wat daarvan de loonwaarde is.
Afwijzing wettelijke verhoging over bovenstaande bedragen
Omdat het geëiste loon wordt afgewezen evenals de geëiste uitbetaling van vakantie-uren zijn er ook geen bedragen die zouden moeten worden verhoogd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW.
Wettelijke verhoging over nabetaalde bedragen
Kort voor de zitting heeft [gedaagde] € 3.553,50 netto aan [eiser] uitbetaald, te weten € 811,25 plus € 2.742,25. Het bedrag van € 811,25 betreft vakantiegeld tot en met augustus 2025 minus € 400,- dat [gedaagde] heeft ingehouden in verband met het door [eiser] niet inleveren van werkkleding. Het bedrag van € 2.742,25 betreft loon en vakantiegeld van de maand september 2025. Deze betalingen zijn reden geweest voor [eiser] om zijn eis te wijzigen, in die zin dat hij niet langer de betreffende bedragen vordert maar nog wel de wettelijke verhoging ervan. Die eis wordt toegewezen want [gedaagde] is veel te laat geweest met betalen, met dien verstande dat de bedragen worden verhoogd met 25% omdat dit de kantonrechter billijk voorkomt. De verhoging komt neer op het bruto equivalent van € 888,38 netto dat [gedaagde] aan [eiser] moet betalen.
Geen verrekening € 400,00 wegens niet inleveren van werkkleding en schoenen
[eiser] eist € 400,- aan door [gedaagde] ingehouden borg. Er is echter geen borg betaald en [gedaagde] heeft ook geen borg ingehouden. Het gaat om verrekening van € 400,00 met door [gedaagde] verschuldigde bedragen. [gedaagde] heeft bij aanvang van de werkzaamheden werkkleding en -schoenen aan [eiser] verstrekt. Zij heeft onderbouwd aangevoerd dat een en ander toen nieuw was en (ruim) € 400,- heeft gekost. [eiser] erkent de werkbroek en -schoenen niet te hebben teruggegeven en misschien heeft hij ook nog sokken aangehouden toen hij op 30 september 2025 vertrok. Dit betekent nog niet dat verrekening van € 400,- met het loon of vakantiegeld van [eiser] zonder meer is gerechtvaardigd. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat werkbroek en werkschoenen op maat worden besteld en niet worden doorgegeven aan andere werknemers. Dit betekent dat deze spullen sowieso geen significante waarde voor [gedaagde] meer vertegenwoordigden (want ze zouden niet worden hergebruikt). Hierbij komt dat op gebruikte spullen wordt afgeschreven en verrekening met de nieuwaarde ook daar op afstuit. De kantonrechter ziet daarom onvoldoende basis voor de door [gedaagde] toegepaste verrekening van € 400,00. [gedaagde] moet dit bedrag daarom alsnog aan [eiser] voldoen.
Verstrekken deugdelijke bruto/netto-specificatie
[gedaagde] wordt veroordeeld om een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken van de betaling van de bedragen die hierboven onder 2.12 en 2.13 zijn genoemd.
Buitengerechtelijke kosten
Het geëiste bedrag van € 1.127,32 aan buitengerechtelijke kosten wordt niet toegewezen omdat de hoofdvordering niet (volledig) wordt toegewezen. Wel wordt toegewezen € 609,19, wat is gebaseerd op de nabetaling die [gedaagde] heeft gedaan en de bedragen die zij nog moet betalen. Hierbij wordt overwogen dat het redelijk is geweest buitengerechtelijke kosten te maken om er zonder procederen uit te komen en de hoogte van het bedrag redelijk wordt geacht.
Rente
De rente wordt toegewezen vanaf heden. Een eerdere ingangsdatum is in dit kort geding niet eenduidig vast te stellen.
Proceskosten
Geen van de partijen heeft volledig gelijk gekregen en de kantonrechter bepaalt daarom dat zij ieder de eigen proceskosten moeten dragen. Dit betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
het bruto equivalent van € 888,38 netto aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW;
€ 400,- netto dat ten onrechte met het loon/vakantiegeld is verrekend;
€ 609,19 aan buitengerechtelijke kosten;
een en ander met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken van de betaling van de hierboven genoemde loonbedragen;
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
465