RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/724316 / JE RK 26-1539 en C/10/724453 / JE RK 26-1558
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in België ,
[vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. D. Abotay, kantoorhoudende in Schiedam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank met zaaknummer C/10/724316 / JE RK 26-1539 van 3 augustus 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank met zaaknummer C/10/724453 / JE RK 26-1558 van 5 augustus 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het verweerschrift van mr. Abotay met productie van 6 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
het door de Raad ter zitting overgelegde stuk, inhoudende een vonnis van de jeugdrechtbank België van 18 juli 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder (via een Teams-verbinding);
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1 van de GI] en [vertegenwoordiger 2 van de GI] .
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan een collega van [vertegenwoordiger van de raad] .
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover (via een Teams-verbinding) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij hun zus [naam] in [plaats 2] ( België ).
De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, heeft op 18 juli 2025 voor recht gezegd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toevertrouwd worden aan het milieu van de vader en bij de vader hun hoofdverblijfplaats hebben.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 augustus 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 3 november 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 31 augustus 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 2026 de reeds verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gewijzigd naar een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de zus [naam] .
3. De (aangehouden) verzoeken
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hierop is al beslist. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden.
De Raad verzoekt in het zaaknummer C/10/724453 / JE RK 26-1558 om de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te wijzigen in een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de zus [naam] .
Over de periode tot 31 augustus 2026 is al beslist. Er moet nog worden beslist over de periode tot 3 november 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft de verzoeken ter zitting en licht deze als volgt toe. Er was sprake van een crisissituatie waarna [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis zijn geplaatst. Vanwege de leeftijd van [minderjarige 2] konden zij niet (langer) bij Enver blijven. De kinderen zijn toen door de GI overgeplaatst naar de zus in België . Daarvan was de Raad niet op de hoogte. Wel is deze plek voldoende veilig bevonden voor de twee kinderen. De Raad heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken en zij geven aan niet terug naar Nederland te willen. Zij voelen zich in Nederland niet veilig. De kinderen kunnen niet voor een langere periode bij zus [naam] blijven en er is nog geen vervolgplek gevonden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de Belgische rechter bij de vader in Nederland geplaatst en sindsdien is de moeder op afstand. Het is belangrijk dat goed wordt onderzocht waar het perspectief van de kinderen ligt. Er bestaan zorgen over de situatie bij de moeder gelet op het verleden, maar er zijn ook zorgen over de veiligheid bij de vader en de opa en oma. Daarnaast heeft de Raad twijfels over de voorgestelde netwerkplaatsing van de vader (bij zijn ex-partner), omdat er in het verleden zorgen waren over de interactie tussen de vader en zijn ex-partner waarbij sprake zou zijn van geweld. Er is nog veel onduidelijk over de situatie in België en ook in Nederland heeft de Raad nog niet met iedereen kunnen spreken. De opa en oma van vaderszijde, waar de kinderen veel hebben verbleven, zijn momenteel op vakantie en komen binnenkort terug.
Ter zitting hoort de Raad veel nieuwe informatie die niet eerder is gedeeld; de Raad betreurt dat. Het is belangrijk dat iedereen transparant is, want de visies van de ouders liggen ver uit elkaar. De Raad zal moeten onderzoeken wat het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, maar voor nu acht de Raad de plaatsing bij zus [naam] het meest passend. Mochten de kinderen in de tussentijd ergens anders moeten worden geplaatst, dan zal een nieuw verzoek moeten worden ingediend.
De GI ondersteunt ter zitting de verzoeken van de Raad. [minderjarige 2] kon niet langer bij Enver verblijven en de GI vond het niet in het belang van de kinderen om hen uit elkaar te halen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn vervolgens – zonder machtiging – overgeplaatst naar België. De GI erkent ter zitting dat zij onjuist heeft gehandeld, omdat de machtiging op het moment van het overbrengen ontbrak. De GI heeft daar ter zitting excuses voor aangeboden. De kinderen geven bij de GI aan niet terug te willen naar Nederland, maar zij kunnen nog maar hoogstens twee weken bij zus [naam] blijven. De kinderen willen bij de moeder wonen en wanneer dat niet kan, willen zij in een Belgisch internaat. De GI zal moeten uitzoeken wat een passende vervolgplek is.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Daarbij wordt verwezen naar het verweerschrift. De vader verzoekt om het resterende deel ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De vader herkent zich niet in het beeld dat wordt geschetst en vindt het belangrijk dat de uitspraken van de kinderen in de juiste context worden geplaatst. Bij [minderjarige 1] is al een langere periode sprake van veel probleemgedrag en zij zit in de pubertijd. Haar gedrag past niet bij een meisje van dertien. Wanneer zij wordt aangesproken, zegt zij de politie in te schakelen en weg te lopen. De vader vindt het zeer zorgelijk dat de kinderen zonder machtiging naar België zijn overgebracht en dat de mogelijkheden in Nederland niet zijn onderzocht. De vader laat weten dat er veel procedures zijn geweest in België en dat na een zorgvuldige afweging is bepaald dat de kinderen bij de vader zouden wonen. En nu zijn de kinderen ineens in België geplaatst. De vader heeft vertrouwen in zijn dochter [naam] , maar zij is jong en moet straks weer naar school. De vader maakt zich grote zorgen over de situatie bij de moeder. Een ander kind van de moeder is inmiddels al twee jaar uit huis geplaatst en de moeder beschikt niet over een stabiele woonomgeving. De vader voegt daaraan toe dat het een jaar lang goed is gegaan in Nederland. De kinderen zouden met de grootouders op vakantie gaan naar Turkije, maar de moeder gaf hiervoor geen toestemming waardoor ze niet mee konden. Ook wordt de vader verweten dat de kinderen de moeder niet hebben gezien sinds dat zij bij de vader zijn komen wonen. Maar de moeder was niet in staat om naar Nederland te komen, omdat zij in Turkije verbleef. De vader maakt zich ook zorgen over een eventuele ontvoering door de moeder nu de kinderen in België verblijven. De moeder is eerder met de kinderen op een Duits vliegveld aangetroffen. De vader wil dat de situatie goed wordt onderzocht. De vader heeft in het verleden ook andere kinderen opgevoed en daar zijn nooit zorgen over geweest.
De moeder brengt ter zitting het volgende naar voren. De moeder is een periode dakloos geweest, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zijn geplaatst. Het was de bedoeling dat de kinderen weer terug naar de moeder zouden gaan, wanneer zij een eigen woning had. Sinds de plaatsing bij de vader, kon de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet zien en spreken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belden de moeder stiekem. De moeder heeft aan de bel getrokken na de signalen die zij heeft ontvangen van de kinderen. Zij maakt zich veel zorgen over wat zij hebben meegemaakt. Inmiddels beschikt de moeder over een eigen woning en de moeder wil dat de kinderen weer bij haar komen wonen. De kinderen hebben ook bij de moeder aangegeven niet terug te willen naar Nederland en zij zijn veilig bij de moeder.
5. De beoordeling
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 3 augustus 2026 met spoed voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een accommodatie jeugdhulpaanbieder van Enver, nadat er forse zorgen waren over hun (thuis)situatie. Zij zouden worden geslagen en niet naar behoren worden verzorgd. Nadat [minderjarige 2] niet meer bij Enver kon verblijven, zijn de kinderen in de nacht van 3 op 4 augustus 2026 bij zus [naam] in België geplaatst. De GI beschikte op dat moment niet over de daarvoor vereiste machtiging. De kinderrechter benadrukt dat deze gang van zaken kwalijk is: kinderen naar het buitenland overbrengen zonder de daarvoor vereiste machtiging van de kinderrechter. Pas op 5 augustus 2026 heeft de GI de voor de overbrenging vereiste machtiging van de kinderrechter gekregen.
Relevant is dat beide ouders hebben aangegeven, onder deze omstandigheden, vertrouwen te hebben in de plaatsing van de kinderen bij hun oudere dochter [naam] . Gebleken is echter dat de kinderen daar niet voor een langere periode kunnen blijven en dat een passende vervolgplek nog niet is gevonden. De huidige machtiging tot uithuisplaatsing loopt tot 31 augustus 2026. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen uiterlijk tot die datum bij de zus verblijven, omdat de zus dan haar studie zal vervolgen. Daarnaast heeft de vader uitdrukkelijk aangegeven dat hij van mening is dat de uitspraken van de Belgische rechter gevolgd moeten worden, inhoudende dat de kinderen bij hem dienen te verblijven.
Doordat er alleen een verzoek voorlicht voor een plaatsing bij de zus, is de kinderrechter van oordeel dat zij momenteel niet kan beslissen op het resterende deel van het verzoek van de Raad. Immers, de zus kan de kinderen na 31 augustus 2026 niet langer opvangen. Tijdens de zitting is ook duidelijk geworden dat de Raad veel informatie mist en dat de verhalen van de ouders sterk verschillen. Ook zijn nog niet alle betrokkenen gesproken. De kinderrechter acht het van belang dat de Raad en de GI grondig onderzoeken wat het meest in het belang van de kinderen is. Daarbij is het belangrijk dat ook de hulpverlener van de moeder en de grootouders worden gesproken.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
De Raad wordt verzocht om zo snel als mogelijk te rapporteren (met afschrift aan de GI en de belanghebbenden) over de stand van zaken tegen het moment van de komende zitting.
6. De beslissing
De kinderrechter:
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan en roept de Raad, de GI, de moeder, de vader en mr. D. Abotay op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam op 27 augustus 2026 om 13:00 uur om nader op het verzoek te worden gehoord;
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de moeder, de vader en mr. D. Abotay voor de zitting;
vraagt de griffier [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te roepen;
verzoekt de Raad zo spoedig mogelijk de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de moeder, de vader en mr. D. Abotay) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 26 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.