RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711049 / JE RK 25-2492
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad ,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.P. Biesbroek, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 2] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de Raad met bijlage van 3 juli 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
de briefrapportage van de GI van 7 juli 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 8 juli 2026.
Op 14 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 januari 2026 [minderjarige 3] , de tweelingzus van [minderjarige 1] , onder toezicht gesteld tot 22 januari 2027. Het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is aangehouden voor een periode van drie maanden.
3. Het (aangehouden) verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft het aangehouden verzoek ter zitting en verwijst daarbij naar de briefrapportage. Het is knap hoe de moeder zich zo intensief blijft inzetten; een ondertoezichtstelling kan ervoor zorgen dat de moeder wordt ontlast.
4. De standpunten
De GI staat achter het (aangehouden) verzoek van de Raad. Het is belangrijk dat de GI ook betrokken wordt bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zodat regie kan worden gevoerd.
Door en namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met een ondertoezichtstelling. De moeder vindt een ondertoezichtstelling van een jaar wel te lang, mede omdat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] loopt tot 22 januari 2027. De moeder wil dat de GI meekijkt en haar komt ondersteunen. Het lukt de moeder ondanks haar inspanningen – vanwege de bureaucratie van de gemeente – niet om alles voor de kinderen te regelen. Sinds de aanhouding van het verzoek is er voor [minderjarige 2] eindelijk passend onderwijs gevonden. Nu is het belangrijk dat er ook vervoer komt, zodat [minderjarige 2] daadwerkelijk naar school kan gaan. Er is geen sprake van onwil bij de moeder, maar de GI kan hopelijk de komende periode meer bewerkstelligen, gezien haar kennis en contacten.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Uit het eerdere onderzoek van de Raad bleek dat er sprake was van een langdurig overbelast gezinssysteem, waarin de moeder alleen verantwoordelijk is voor de verzorging en opvoeding van kinderen met ieder hun eigen complexe ontwikkelings- en ondersteuningsbehoeften. De afgelopen periode is er intensieve hulpverlening ingezet, zodat kon worden gekeken of een ondertoezichtstelling nodig zou zijn. Hoewel de moeder zich onverminderd inzet, overal aan meewerkt en in goed contact staat met de GI – vanwege de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] – lukt het niet om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De moeder moet een groot deel van de regie zelf voeren en de draagkracht van de moeder staat door de complexe situatie onder druk. Daarbij kan de GI op dit moment niet de nodige ondersteuning bieden, omdat zij alleen betrokken is bij [minderjarige 3] . De kinderrechter acht het van belang dat de GI ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] regie kan voeren, zodat de moeder kan worden ontlast en er stappen kunnen worden gezet. De kinderrechter benadrukt dat het positief is dat er inmiddels passend onderwijs voor [minderjarige 2] is gevonden. Wel is het noodzakelijk dat het vervoer voor [minderjarige 2] wordt geregeld, zodat hij binnenkort daadwerkelijk kan starten op school.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nodig. Tegen de ondertoezichtstelling is ook geen verweer gevoerd. De kinderrechter ziet aanleiding om de ondertoezichtstelling korter uit te spreken dan is verzocht. Alle betrokkenen vinden het passend om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelijk te laten lopen met de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 3] . De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom onder toezicht tot 22 januari 2027. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek afwijzen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, met ingang van 14 augustus 2026 tot 22 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 1 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.