RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/722921 / JE RK 26-1357
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 9 juli 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) (toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing na 2 jaar) van de Raad van 3 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2026. Daarbij was aanwezig een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de zij wel juist zijn opgeroepen. De GI heeft laten weten dat zij voorafgaand aan de zitting een bericht van de vader heeft ontvangen waarin hij aangeeft dat hij vanwege andere verplichtingen niet aanwezig zal zijn.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar vader.
Bij beschikking van 14 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] ,
verlengd tot 1 september 2026. Bij beschikking van 17 oktober 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, verleend tot 1 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag (de kinderrechter begrijpt: bij de vader) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Verder verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting handhaaft de GI het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] verblijft inmiddels ruim een jaar bij de vader. In het begin moesten de vader en [minderjarige] aan de nieuwe situatie en aan elkaar wennen. Inmiddels verloopt het verblijf bij de vader goed. De vader is betrokken, [minderjarige] doet het beter op school en de behandeling is gestart. De zorgen rondom de moeder blijven bestaan. De moeder houdt zich niet altijd aan de afspraken en belast [minderjarige] met volwassen zaken. De vader houdt het contact tussen [minderjarige] en haar moeder niet tegen, maar ziet dat dit invloed heeft op [minderjarige] . Gezien deze zorgen en voor de voortzetting van het verblijf van [minderjarige] bij de vader is een verlenging van de maatregelen noodzakelijk. Inmiddels heeft de GI een verzoek bij de Raad ingediend tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de moeder.
De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar noodzakelijk. Omdat de uithuisplaatsing al langer dan twee jaar loopt, heeft de Raad advies uitgebracht over de verlenging van de maatregelen. De Raad heeft, gelet op de duur van het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de moeder, geadviseerd om de maatregelen met zes maanden te verlengen. De GI verwacht niet dat deze termijn voldoende is om het onderzoek af te ronden en duidelijkheid te krijgen over een eventuele beëindiging van het gezag van de moeder. Ook als het gezag van de moeder wordt beëindigd, blijft regie vanuit de GI noodzakelijk om de nieuwe situatie te begeleiden. De GI handhaaft daarom haar verzoek.
4. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd in haar ontwikkeling. Zij is opgegroeid in een instabiele opvoedsituatie, waarin zij veel heeft gemaakt. Ook tijdens de huidige omgangsmomenten met de moeder wordt zij geconfronteerd met belastende informatie. De vader biedt [minderjarige] een stabiele en veilige basis. De rechtbank acht het van belang dat die situatie wordt voortgezet en dat [minderjarige] bij hem kan blijven wonen. Dit is ook overeenkomstig het advies van de Raad.
De kinderrechter ziet geen aanleiding om de maatregelen voor een kortere duur toe te wijzen, zoals door de Raad geadviseerd. Daarbij is van belang dat het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel nog niet is gestart en een eventueel daaropvolgende rechterlijke beslissing naar verwachting niet binnen die termijn zal worden genomen. Daarnaast blijft regie vanuit de GI, ook bij een eventuele beëindiging van het gezag van de moeder, noodzakelijk om ouders te begeleiden bij het maken en vormgeven van een omgangsregeling.
De kinderrechter zal daarom het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van één jaar.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Tijdens het komende jaar van ondertoezichtstelling moet er onder meer aandacht zijn voor de vraag of en op welke manier contact tussen [minderjarige] en de moeder op een positieve wijze vorm gegeven kan worden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 1 september 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 1 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026 door mr. P.A. Ellenbroek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 9 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.