RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12337544 VV EXPL 26-468
datum uitspraak: 11 september 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. van der Hoeff,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
4. [gedaagde 4],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 7 augustus 2026, met bijlagen.
Op 4 september 2026 is de zaak tijdens een zitting met [persoon A] (medewerker sociaal beheer bij Woonstad) en mr. van der Hoeff besproken. De gedaagden zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.
2. De beoordeling
Waar gaat het om?
[gedaagde 1] huurt een woning van Woonstad. Volgens Woonstad woont hij er zelf niet meer, omdat hij is opgenomen in een zorginstelling. [gedaagde 1] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd, maar laat zijn dochter [gedaagde 4] , met haar kinderen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de woning verblijven. Daarnaast is er sprake van een grote huurachterstand. Woonstad eist daarom dat de gedaagden worden veroordeeld om de woning te ontruimen. Ze eist ook dat de gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om de huurachterstand en een vergoeding van buitengerechtelijke kosten te betalen en de huur vanaf september 2026 tot aan de ontruiming.
Kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Woonstad volgt dat deze spoed aanwezig is.
De gedaagden moeten de woning ontruimen
De gedaagden worden veroordeeld om de woning te ontruimen, omdat die eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv).
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huur zal worden ontbonden. Er is namelijk een huurachterstand van ongeveer zeven maanden. Bovendien woont [gedaagde 1] niet in de woning, maar laat hij zijn dochter en kleinkinderen daar verblijven. Het is gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagde 1] te veroordelen om de woning te ontruimen.
De andere gedaagden worden ook veroordeeld om de woning te ontruimen, omdat zij geen eigen recht hebben om daar te wonen.
De kantonrechter stelt de ontruimingstermijn vast op 14 dagen vanaf datum waarop dit vonnis wordt betekend.
Alleen [gedaagde 1] moet de huur betalen
Volgens Woonstad is er sprake van een huurachterstand van € 4.910,34, berekend tot en met september 2026. Woonstad eist dat alle vier de gedaagden worden veroordeeld om die huurachterstand en de huur over de maanden tot de ontruiming te betalen.
De eis wordt toegewezen ten opzichte van [gedaagde 1] , omdat die eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt.
In de dagvaarding heeft Woonstad niet gesteld op basis waarvan de andere gedaagden deze bedragen ook zouden moeten betalen. Tijdens de zitting heeft zij naar aanleiding van vragen van de kantonrechter gesteld dat zij dat moeten betalen als schadevergoeding, omdat zij de woning gebruiken. De kantonrechter begrijpt daaruit dat zij volgens Woonstad onrechtmatig handelen ten opzichte van haar (artikel 6:162 BW). Zonder nadere toelichting ziet de kantonrechter niet in waarom daar sprake van is. Uit het dossier blijkt namelijk dat zij daar verblijven met toestemming van de huurder. Waarom dat onrechtmatig zou zijn ten opzichte van Woonstad, heeft Woonstad niet gesteld. De kantonrechter ziet dat ook zelf niet in. De eis wordt daarom ten opzichte van hen afgewezen, omdat die eis ongegrond lijkt.
De gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld om de buitengerechtelijke kosten te betalen
De gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld om een vergoeding van buitengerechtelijke kosten te betalen van € 462,50.
De gedaagden moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van de gedaagden, omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW).De kantonrechter begroot de kosten die zij aan Woonstad moeten betalen op € 156,24 aan dagvaardingskosten, € 559,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.436,24. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagden om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning op het adres [adres] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege de gedaagden bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Woonstad € 4.910,34 te betalen;
veroordeelt [gedaagde 1] om vanaf 1 oktober 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 715,47 per maand te betalen aan Woonstad;
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk om € 462,50 aan Woonstad te betalen;
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.436,24;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
33394