RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12270913 VV EXPL 26-346
datum uitspraak: 10 september 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Schmidt Zeevis Rotterdam B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. E.M.Y. Sørensen en mr. K. Kapel,
tegen
1. [persoon A] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
2. [persoon B],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde: mr. S.O. Voogt.
De partijen worden hierna ‘Schmidt’, ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 19 augustus 2026, met bijlagen;
de e-mail van [persoon A] en [persoon B] van 25 augustus 2026 met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
de e-mail van Schmidt van 26 augustus 2026, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van Schmidt;
de spreekaantekeningen van [persoon A] en [persoon B] .
Op 27 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens Schmidt aanwezig de heer [persoon C] (indirect bestuurder) en de heer [persoon D] (commercieel directeur), bijgestaan door mr. E.M.Y. Sørensen en mr. M. Benard. Ook [persoon A] en [persoon B] waren aanwezig, met mr. S.O. Voogt.
2. De beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
Schmidt Zeevis is een onderneming met activiteiten in de horeca, detailhandel en groothandel in vis en schaal- en weekdieren. [persoon A] en [persoon B] hebben beiden tot en met 28 februari 2026 bij Schmidt gewerkt. [persoon A] vervulde de functie van Accountmanager Scheepvaart & Export en [persoon B] de functie van Cruise Manager. In de arbeidsovereenkomst van zowel [persoon A] als [persoon B] is een geheimhoudingsbeding en een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Volgens Schmidt hebben [persoon A] en [persoon B] deze bedingen overtreden door vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Schmidt te delen met een andere onderneming (FN Global Meat), waaruit zou blijken dat ze met Schmidt wilden gaan concurreren. Schmidt eist in dit kort geding dat [persoon A] en [persoon B] worden veroordeeld het geheimhoudingsbeding en het concurrentie- en relatiebeding na te komen, op straffe van een dwangsom, en dat alle vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Schmidt aan Schmidt wordt afgegeven of wordt verwijderd. Ook eist Schmidt dat [persoon A] en [persoon B] worden veroordeeld boetes te betalen wegens de overtreding van het concurrentie- en relatiebeding.
[persoon A] en [persoon B] zijn het niet eens met de eis van Schmidt. Zij voeren aan dat er geen sprake is van overtreding van het geheimhoudingsbeding en het concurrentie- en relatiebeding. Volgens hen heeft Schmidt bij de eindafrekening ten onrechte een boetebedrag van € 5.500,- netto ingehouden. Daarnaast stelt [persoon A] dan Schmidt over de maand februari 2026 een looncomponent van € 1.500,- bruto niet aan hem heeft uitbetaald. [persoon A] en [persoon B] eisen dat Schmidt wordt veroordeeld die bedragen, met de wettelijke verhoging, aan hen te betalen.
De samenvatting van het oordeel van de kantonrechter
[persoon A] wordt veroordeeld het geheimhoudingsbeding onverkort na te komen, op straffe van een dwangsom, en het bestand met betrekking tot het productoverzicht van Royal Caribbean Cruise Line (hierna: ‘RCCL’) te verwijderen en verwijderd te houden. Schmidt wordt veroordeeld het op het loon van [persoon A] en [persoon B] ingehouden bedrag van
€ 5.500,- aan hen terug te betalen, met de wettelijke verhoging. Alle andere eisen van Schmidt en [persoon A] en [persoon B] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Schmidt heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [persoon A] en [persoon B] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Het is voldoende aannemelijk dat [persoon A] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden
In de arbeidsovereenkomst van zowel [persoon A] als [persoon B] is het volgende geheimhoudingsbeding opgenomen:
“Werknemer is tijdens de duur en na het beëindigen van deze overeenkomst gehouden tot strikte geheimhouding van alles wat hem omtrent de onderneming van zowel werkgever als handelsrelaties/cliënten bekend is geworden en waaromtrent hem geheimhouding is opgelegd of waarvan hij het vertrouwelijke karakter redelijkerwijs kon vermoeden.”
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [persoon A] nog tijdens zijn dienstverband bij Schmidt bedrijfsdocumenten uit de systemen van Schmidt heeft opgeslagen in een zogenaamde Dropbox-omgeving buiten de genoemde systemen van Schmidt. Ook staat vast dat één van die betreffende documenten een overzicht is van de producten die RCCL, één van de klanten van Schmidt, nodig heeft voor het komende jaar.
De kantonrechter vindt het enkele feit dat [persoon A] de hiervoor genoemde documenten in een Dropbox-omgeving heeft opgeslagen op zichzelf onvoldoende om van een schending van het geheimhoudingsbeding te kunnen spreken. De strekking van dat beding is immers dat daarmee wordt beoogd te voorkomen dat zakelijke en/of vertrouwelijke informatie op enigerlei wijze verstrekt wordt aan of gedeeld wordt met derden buiten de bedrijfsomgeving van Schmidt. Met het enkele opslaan van bedrijfsdocumenten in een Dropbox-omgeving is daarvan nog geen sprake. Het staat echter ook vast dat [persoon A] het productoverzicht van RCCL, althans in elk geval een deel daarvan, heeft gedeeld met zijn zwager, de heer [persoon E] , die managing director is van een andere onderneming, FN Global Meat. Dat blijkt uit het overgelegde overzicht van de bestandseigenschappen, waarin is vermeld dat het betreffende document voor het laatst gewijzigd is door de heer [persoon E] . [persoon A] heeft tijdens de zitting ook verklaard dat hij dat bestand per e-mail aan de heer [persoon E] heeft toegestuurd.
Door het delen van (in elk geval een deel van) het productoverzicht van RCCL met de heer [persoon E] heeft [persoon A] zakelijke en/of vertrouwelijke informatie uit de bedrijfsomgeving van Schmidt met een derde gedeeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat [persoon A] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden.
[persoon A] heeft weliswaar aangevoerd dat FN Global Meat – in tegenstelling tot Schmidt, die actief is op de vismarkt – slechts actief is in de vleesbranche en dat hij ook enkel de vleesgerelateerde producten uit het productoverzicht van RCCL heeft geselecteerd en met de heer [persoon E] heeft gedeeld, maar dat maakt het voorgaande niet anders. RCCL heeft het betreffende productoverzicht immers aan Schmidt verstrekt op basis van hun onderlinge klantrelatie. Juist vanwege die klantrelatie wil Schmidt niet dat die in vertrouwen gegeven commerciële informatie, ongeacht of deze betrekking heeft op vlees- of visproducten, bij derden terechtkomt. De kantonrechter volgt [persoon A] dan ook niet in zijn stelling die informatie niet als ‘vertrouwelijk’ in de zin van het geheimhoudingsbeding kan worden aangemerkt. Ook de stelling van [persoon A] dat RCCL haar productoverzicht jaarlijks aan meerdere partijen in de markt verstrekt leidt niet tot een ander oordeel. [persoon A] heeft die stelling niet onderbouwd. De kantonrechter vindt het ook niet aannemelijk dat het om ‘algemeen toegankelijke’ informatie gaat. Als dat inderdaad het geval zou zijn geweest, valt immers niet te verklaren waarom FN Global Meat het productoverzicht niet zelf heeft opgevraagd bij RCCL, maar de tussenkomst van [persoon A] nodig had om de betreffende informatie uit de beveiligde systemen van Schmidt te halen.
Omdat voldoende aannemelijk is dat [persoon A] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden, heeft Schmidt er een groot (spoedeisend) belang bij dat [persoon A] wordt veroordeeld dat beding onverkort na te komen. Die eis van Schmidt wordt daarom toegewezen. Juist omdat [persoon A] het beding al eens heeft overtreden is er reden een dwangsom aan deze veroordeling te koppelen, zoals Schmidt heeft geëist. De kantonrechter ziet wel aanleiding om de dwangsom te matigen en maximeren zoals hierna bij de beslissing vermeld.
[persoon A] moet het productoverzicht van RCCL verwijderen en verwijderd houden
Op grond van het geheimhoudingsbeding had [persoon A] het productoverzicht van RCCL niet met derden mogen delen. Omdat hij dat toch heeft gedaan heeft Schmidt er, in aansluiting op de veroordeling van [persoon A] om het beding onverkort na te komen, voldoende belang bij dat [persoon A] de gevolgen van de schending van het beding ongedaan maakt. In dat verband heeft [persoon A] onweersproken gesteld dat hij alle documenten, die hij in de Dropbox-omgeving had opgeslagen, inmiddels heeft verwijderd. Slechts ten aanzien van het productoverzicht van RCCL heeft [persoon A] ter zitting toegelicht dat dat document voor hem nog toegankelijk is via het e-mailaccount, waarmee hij de informatie met de heer [persoon E] heeft gedeeld. Gelet daarop ziet de kantonrechter aanleiding [persoon A] te veroordelen het van Schmidt afkomstige productoverzicht van RCCL alsnog aantoonbaar te verwijderen en verwijderd te houden, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.
Van een schending van het geheimhoudingsbeding door [persoon B] is niet gebleken
De eisen van Schmidt om ook [persoon B] te veroordelen het geheimhoudingsbeding onverkort na te komen en alle van Schmidt afkomstige vertrouwelijke informatie te verwijderen, worden afgewezen. Niet in geschil is dat het [persoon A] was die de documenten van Schmidt in een Dropbox-omgeving heeft opgeslagen en met de heer [persoon E] heeft gedeeld. [persoon B] betwist dat hij daarbij betrokken is geweest en Schmidt heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit kan worden afgeleid dat dat wel het geval is geweest. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat [persoon B] het beding heeft geschonden.
Schmidt heeft het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [persoon A] onvoldoende gemotiveerd
In de arbeidsovereenkomst van [persoon A] is verder het volgende concurrentie- en relatiebeding opgenomen:
“1. Het is verboden tijdens de arbeidsovereenkomst en gedurende 1 jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst op enigerlei wijze direct of indirect in dezelfde branche werkzaam te zijn voor een andere werkgever, dan wel voor eigen rekening of zakelijk gebruik te maken van relaties met klanten die zijn opgedaan in het kader van de arbeidsovereenkomst. Bij overtreding van dit verbod verbeurt de werknemer ten gunste van de werkgever een boete van EUR 5.000,= per overtreding alsmede een boete van EUR 250,= voor elke dog, dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever tot het vorderen van volledige schadevergoeding (inclusief kosten en rente).
2. Gelet op het feit dat werknemer uit hoofde van zijn functie ols Accountmanager Export kennis heeft van de prijzen en prijslijsten die werkgever hanteert, hij het assortiment van werkgever volledig kent en/of op de hoogte is van de namen en (bedrijfs)gegevens van alle leveranciers en klanten van werkgever, heeft werkgever een zwaarwegend bedrijfsbelang bij dit concurrentiebeding / relatiebeding en het daarop van toepassing zijnde boetebeding en ziet werkgever zich genoodzaakt dit concurrentiebeding / relatiebeding met werknemer overeen te komen. Als werknemer bij werkgever uit dienst treedt en dit concurrentiebeding / relatiebeding niet zou zijn overeengekomen, kan werknemer de informatie zoals bedoeld in de eerste zin van dit artikellid gebruiken ten gunste van een andere werkgever binnen dezelfde branche en werkgever wenst zich hiertegen te beschermen.”
Vast staat dat [persoon A] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had. Het uitgangspunt is dat een concurrentie- en relatiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet rechtsgeldig is, omdat een werknemer dan ‘dubbel nadeel’ ondervindt. Immers, aan de ene kant werkt een dergelijk beding belemmerend bij een overstap naar een andere baan of het starten van een eigen onderneming, terwijl aan de andere kant bij aanvang van de arbeidsovereenkomst vaststaat dat de arbeidsrelatie van korte duur is. Deze hoofdregel lijdt slechts uitzondering als uit de bij het beding opgenomen schriftelijke motivering blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (artikel 7:653 lid 1 aanhef en ander a BW). Deze afweging moet voor de werknemer kenbaar zijn. De zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen moeten duidelijk omschreven zijn, zodat het de werknemer duidelijk is waarom deze belangen de werkgever tot een uitzondering op de hoofdregel dwingen. De schriftelijke motivering bij het beding is hetgeen beoordeeld moet worden. Dat betekent dat de schriftelijke bij het concurrentie- en relatiebeding opgenomen motivering het door de rechter te beoordelen kader fixeert.
In het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [persoon A] is een motivering opgenomen. Zoals hiervoor overwogen moet de kantonrechter die motivering inhoudelijk toetsen. Beoordeeld moet worden of het beding noodzakelijk is ‘wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen’. In vaste jurisprudentie wordt aangenomen dat dit een zware toets is, omdat het uitgangspunt is dat een beding in een tijdelijke arbeidsovereenkomst ‘niet geldig’ is. In de parlementaire geschiedenis wordt verder aangegeven dat sprake moet zijn van een werknemer die specifieke werkzaamheden verricht of in een specifieke functie werkzaam is en dat dit per geval om een specifieke afweging en motivering vraagt. Een algemene opsomming van belangen volstaat daarmee in het algemeen niet, omdat dit niet duidelijk maakt waarom juist de betrokken werkgever bescherming nodig heeft.
De kantonrechter is van oordeel dat Schmidt het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst onvoldoende specifiek heeft gemotiveerd. Weliswaar is in het beding opgenomen dat de werknemer ( [persoon A] dus) ‘kennis heeft van de prijzen en prijslijsten die werkgever hanteert, het assortiment van werkgever volledig kent en/of op de hoogte is van de namen en (bedrijfs)gegevens van alle leveranciers en klanten van werkgever’, maar deze motivering is zodanig ruim geformuleerd dat deze voor veel werkgevers relevant is. Bovendien is de motivering niet toegespitst op de specifieke functie van [persoon A] . Gebleken is namelijk dat in de arbeidsovereenkomst van [persoon B] , die in de functie van chauffeur in dienst trad bij Schmidt, (de motivering van) het concurrentie- en relatiebeding op exact dezelfde wijze geformuleerd is. Schmidt heeft ter zitting bovendien bevestigd dat in alle arbeidsovereenkomsten binnen Schmidt het beding standaard op dezelfde wijze geformuleerd is.
Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat Schmidt niet heeft voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht die geldt voor een concurrentie- en relatiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de kantonrechter in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat het beding in de arbeidsovereenkomst van [persoon A] nietig is. Gelet daarop worden de met het concurrentie- en relatiebeding verband houdende vorderingen van Schmidt jegens [persoon A] in dit kort geding afgewezen.
Het is onvoldoende aannemelijk dat [persoon B] het concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden
Het staat vast dat [persoon B] bij Schmidt werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met daarin een concurrentie- en relatiebeding, dat op dezelfde wijze is geformuleerd als in de arbeidsovereenkomst van [persoon A] . Omdat er, anders dan bij [persoon A] , sprake is van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd gelden de hiervoor bij r.o. 2.14 genoemde eisen voor een dergelijk beding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dit geval niet. Dat betekent dat inhoudelijk beoordeeld moet worden of [persoon B] het concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden.
Het beding betreft een combinatie van een concurrentiebeding en een relatiebeding. Voor wat betreft het deel dat ziet op het concurrentiebeding is bepaald dat het [persoon B] verboden is tijdens en gedurende één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst ‘op enigerlei wijze direct of indirect in dezelfde branche werkzaam te zijn voor een andere werkgever’. Vast staat dat [persoon B] na zijn dienstverband bij Schmidt in dienst is getreden bij FN Global Meat. Hoewel er volgens Schmidt aanwijzingen bestaan waaruit afgeleid kan worden dat FN Global Meat zich (in de toekomst) mogelijk ook op de visbranche wil of wilde richten, heeft Schmidt ter zitting toegelicht dat zij niet kan bewijzen dat [persoon B] op dit moment werkzaam is bij een andere werkgever binnen dezelfde branche als Schmidt en dat zij om die reden geen beroep doet op overtreding van het concurrentiebeding door [persoon B] .
Schmidt heeft tijdens de zitting verder uiteengezet dat zij haar vordering jegens [persoon B] baseert op overtreding van het relatiebeding. Ten aanzien daarvan is in het beding opgenomen dat het [persoon B] tijdens en gedurende één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst verboden is ‘voor eigen rekening of zakelijk gebruik te maken van relaties met klanten die zijn opgedaan in het kader van de arbeidsovereenkomst’. Om te kunnen beoordelen of [persoon B] het relatiebeding heeft overtreden, is het eerst van belang vast te stellen wat de reikwijdte van dat beding is. Bij de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het betreffende beding mochten toekennen en op wat zij te aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een redelijke uitleg van het beding brengt met zich mee dat daarmee in de kern wordt beoogd te voorkomen dat een vertrekkende werknemer klanten of relaties van de ex-werkgever ‘afpakt’. Dit ziet in het algemeen vooral op de situatie waarin een werknemer bij een ander bedrijf in dienst treedt of zelf een onderneming start en vervolgens een zakelijke relatie gaat onderhouden met een klant of relatie van de ex-werkgever.
Volgens Schmidt bestaat de overtreding van het beding er in dit geval uit dat er informatie over een klant van Schmidt (namelijk RCCL) met derden (de heer [persoon E] van FN Global Meat) is gedeeld. Nog los van het feit dat hiervoor al is overwogen dat niet gebleken is dat [persoon B] bij het delen van de informatie over RCCL met FN Global Meat betrokken is geweest, valt die situatie naar het oordeel van de kantonrechter niet binnen de hiervoor genoemde reikwijdte van het beding. Het verstrekken van informatie óver klanten kan niet worden gelijkgesteld met het gebruikmaken van relaties met die klanten, zoals genoemd in het beding. Niet gesteld of gebleken is dat de betreffende klant (RCCL) ook daadwerkelijk benaderd is voor eigen gewin of ten gunste van FN Global Meat. Het delen van informatie over een klant met een derde is daarentegen juist hetgeen beoogd wordt te voorkomen door middel van het geheimhoudingsbeding, en níet door middel van het relatiebeding.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [persoon B] het concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden. Dat betekent dat ook alle met dat beding verband houdende vorderingen van Schmidt jegens [persoon B] worden afgewezen.
Schmidt moet aan zowel [persoon A] als [persoon B] een bedrag van € 5.500,- netto betalen
Het staat vast dat Schmidt zowel bij [persoon A] als bij [persoon B] bij hun uitdiensttreding een bedrag van € 5.500,- netto heeft ingehouden op het bedrag van de eindafrekening. Dat heeft Schmidt gedaan omdat [persoon A] en [persoon B] in haar visie het concurrentie- en relatiebeding hadden geschonden. Hiervoor is al geoordeeld dat de met dat beding verband houdende vorderingen van Schmidt alle worden afgewezen. Dat leidt er toe dat Schmidt ten onrechte een boete voor schending van het beding heeft opgelegd en heeft ingehouden op het loon van [persoon A] en [persoon B] . Schmidt wordt daarom veroordeeld aan zowel [persoon A] als [persoon B] een bedrag van € 5.500,- te betalen.
Schmidt heeft door de onterechte inhouding een deel van het loon van [persoon A] en [persoon B] niet betaald. Omdat Schmidt te laat is met het betalen van het loon moet zij de wettelijke verhoging daarover betalen (artikel 7:625 BW). Voor wat betreft het te laat betaalde loon van [persoon B] wordt de maximale wettelijke verhoging van 50% wordt toegewezen. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter ten aanzien van dat loon geen reden de wettelijke verhoging te matigen. Ten aanzien van het te laat betaalde loon van [persoon A] ziet de kantonrechter wel aanleiding tot matiging van de wettelijke verhoging over te gaan en wel tot 30%. Daarbij heeft de kantonrechter de omstandigheid meegewogen dat [persoon A] in strijd met zijn arbeidsovereenkomst heeft gehandeld.
De vordering van [persoon A] ten aanzien van het bedrag van € 1.500,- bruto wordt afgewezen
[persoon A] maakt aanspraak op betaling door Schmidt van een bedrag van € 1.500,- bruto. [persoon A] stelt dat hij met Schmidt was overeengekomen dat hij maandelijks een vergoeding van € 1.500,- bruto, bovenop zijn loon, zou ontvangen. Volgens [persoon A] heeft Schmidt die vergoeding over de maand februari 2026 niet aan hem betaald. Schmidt heeft betwist dat zij dat bedrag aan [persoon A] moet betalen en voert aan dat er geen sprake was van een structurele vergoeding maar een tijdelijke uit coulance toegekende toeslag, die zij op elk moment kon beëindigen.
De kantonrechter kan op basis van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken niet vaststellen wie er op dit punt gelijk heeft. Daarvoor is nadere bewijslevering noodzakelijk, maar daar leent een kort geding zich niet voor. Om die reden wordt deze vordering van [persoon A] afgewezen.
De proceskosten
Omdat Schmidt in deze procedure ten aanzien van zowel haar vordering tegen [persoon B] als ten aanzien van de tegenvordering van [persoon B] ongelijk krijgt, komen de proceskosten van [persoon B] in conventie en in reconventie voor rekening van Schmidt (artikel 237 Rv). Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden de kosten die Schmidt aan [persoon B] moet betalen begroot op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-.
Omdat Schmidt en [persoon A] , voor wat betreft de vorderingen die zij jegens elkaar hebben ingesteld, over en weer gedeeltelijk (on)gelijk krijgen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen Schmidt en [persoon A] , zowel in conventie als in reconventie, te compenseren. Dit betekent dat Schmidt en [persoon A] ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt, zowel in conventie als in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
veroordeelt [persoon A] om het geheimhoudingsbeding onverkort na te komen, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding, met een maximum van € 50.000,-;
beveelt [persoon A] om binnen 24 uur na betekening van het vonnis alle kopieën van het van Schmidt afkomstige bestand met betrekking tot het productoverzicht van RCCL die in zijn bezit zijn, aantoonbaar te verwijderen en verwijderd te houden;
in reconventie
veroordeelt Schmidt om aan [persoon A] te betalen € 5.500,- netto, met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW van 30% over dat bedrag;
veroordeelt Schmidt om aan [persoon B] te betalen € 5.500,- netto, met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW van 50% over dat bedrag;
in conventie en in reconventie
veroordeelt Schmidt in de proceskosten aan de kant van [persoon B] , die worden begroot op € 1.009,-;
bepaalt dat Schmidt en [persoon A] ieder de eigen kosten dragen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487