ECLI:NL:RBROT:2026:11974

ECLI:NL:RBROT:2026:11974

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer ROT 25/10443
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Varia, schadefonds. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Commissie op goede gronden heeft besloten om aan eiseres een uitkering van € 2.500,- toe te kennen

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, de Commissie

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/10443

(gemachtigde: mr. P. van Baaren),

en

(gemachtigde: [naam]).

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor de dochter van eiseres (de dochter) op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). De Commissie heeft aan de dochter een uitkering toegekend van € 2.500,-. Eiseres is het niet eens met dit besluit omdat zij meent dat een hogere financiële tegemoetkoming passender is. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van de toegekende uitkering.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Commissie op goede gronden heeft besloten om aan eiseres een uitkering van € 2.500,- toe te kennen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 15 oktober 2025 heeft de Commissie de aanvraag van eiseres om een uitkering uit het schadefonds ter hoogte van € 2.500,- toegewezen aan de dochter. Met een besluit van 11 december 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de Commissie bij dat besluit gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Schadefonds heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft op 6 juni 2025 een aanvraag gedaan op grond van de Wsg voor haar minderjarige dochter, omdat zij in de periode van 2015 tot en met 2018 getuige is geweest van bedreiging met een mes en huiselijk geweld in zijn algemeenheid, bestaande uit schoppen en slaan. Zij is als minderjarige vaker en langdurig blootgesteld aan geweld en zij heeft door die blootstelling aan huiselijk geweld letsel opgelopen. De Commissie heeft de aanvraag toegewezen en heeft een uitkering van € 2.500,-, conform letselcategorie 2 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 juli 2024 (de Letsellijst), passend geacht. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat zij van mening is dat haar dochter in aanmerking komt voor een hogere uitkering. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 heeft de Commissie de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en is zij bij de beslissing gebleven.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

5. Bij het beoordelen van een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds hanteert de Commissie beleid, neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 juli 2024 (de Beleidsbundel). De Commissie gebruikt zes letselcategorieën, waaraan vaste, in hoogte oplopende bedragen zijn gekoppeld. Aan de hand van de Letsellijst bepaalt de Commissie in welke letselcategorie het opgelopen letsel past.

De Commissie heeft bij het nemen van een besluit over de hoogte van de uitkering beslissingsruimte. Het bestreden besluit dient daarom terughoudend te worden getoetst. De rechtbank moet dus toetsen of het besluit van de Commissie om een uitkering in categorie 2 toe te kennen, redelijk is. De rechtbank acht het beleid, zoals opgenomen in de Beleidsbundel en de Letsellijst, niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist. De Commissie mocht dus uitgaan van dat beleid. Daarbij komt dat de Letsellijst indicatief van aard is, de Commissie bepaalt de letselcategorie op basis van de omstandigheden van het geval.

Heeft de Commissie in redelijkheid letselcategorie 2 toegepast?

6. Eiseres voert aan dat de Commissie niet in redelijkheid een uitkering in categorie 2 heeft kunnen toekennen. De Commissie heeft erkend dat de dochter door het waarnemen van huiselijk geweld letsel heeft. Eiseres betoogt dat de Commissie zou moeten erkennen dat de dochter slachtoffer is van een rechtstreeks jegens haar gepleegd misdrijf. Mogelijk hebben de volwassenen niet de directe opzet gehad om de dochter te beschadigen, maar er is wel sprake van voorwaardelijk opzet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Commissie zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de dochter voor een uitkering van letselcategorie 2 in aanmerking komt. De Commissie heeft aannemelijk geacht dat sprake is geweest van stelselmatig huiselijk geweld. Uit de Beleidsbundel volgt dat de Commissie bij minderjarigen die huiselijk geweld stelselmatig waarnemen altijd ernstig psychisch letsel vooronderstelt. Een minderjarige die huiselijk geweld stelselmatig heeft waargenomen krijgt een uitkering voor psychisch letsel, dat past in letselcategorie 2. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om te oordelen dat een uitkering in letselcategorie 3 passender is.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Commissie in redelijkheid een uitkering van € 2.500,- heeft kunnen toekennen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J.R. Lautenbach

Griffier

  • mr. R. Blokhuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand