RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9751
en
(gemachtigden: mr. Z. Abachi en mr. C.W. de Jong).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een urgentieverklaring op medische gronden. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Aan de hand van eisers beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van zijn aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser in redelijkheid heeft mogen afwijzen en dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘medische noodzaak’. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 28 juli 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met een besluit van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van het college deelgenomen. Eiser is zonder kennisgeving vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser stelt dat hij vanwege een faillissement noodgedwongen zijn woning in Rotterdam heeft verkocht waarna hij bij zijn dochter op de zolder van haar eengezinswoning in [locatie] is ingetrokken. Omdat hij gezondheidsklachten heeft en daarvoor regelmatig voor medische afspraken in Rotterdam moet zijn, meent hij dat het noodzakelijk is dat hij in een zelfstandige woonruimte in Rotterdam gaat wonen. Hij stelt dat het voor hem erg belastend is om regelmatig naar Rotterdam te reizen en om trappen te lopen naar zijn zolderverblijf in [locatie]. Eiser heeft op 18 juni 2025 een aanvraag gedaan voor urgentie op grond van de urgentiegrond ‘medische noodzaak’.
Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen omdat eiser niet beschikt over een zelfstandige woonruimte. Ook heeft het college geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
Het bezwaar van eiser tegen de afwijzing heeft het college ongegrond verklaard en het heeft de afwijzing van de urgentieverklaring gehandhaafd. Het college motiveert het bestreden besluit als volgt. Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring dient de situatie van eiser aan te sluiten bij één van de urgentiecategorieën. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor ‘ernstige en chronische medische problematiek’. Omdat eiser niet beschikt over een zelfstandige woonruimte in één van de urgentieregio’s voldoet eiser niet aan de voorwaarden van deze urgentiecategorie. Ook is niet gebleken dat eiser voor een andere categorie in aanmerking komt. De gedwongen verkoop van de woning van eiser, zijn financiële nood en de ernstige medische klachten zijn volgens het college geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de aanvraag van de urgentieverklaring terecht afgewezen?
5. Eiser voert aan dat de Verordening onvoldoende duidelijk maakt wat een ‘zelfstandige woonruimte’ is. Artikel 3.4.2., eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening bevat volgens eiser een vreemde formulering. Uit de bepaling valt op te maken dat als een zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing van het probleem van eiser vormt, hij dan kan worden ingedeeld in de betreffende urgentiecategorie. Eiser begrijpt niet waarom deze eis wordt gesteld. De hele bedoeling van een aanvraag voor een urgentieverklaring is nou juist dat eiser niet beschikt over huisvesting. Eiser vraagt de rechtbank om deze bepaling exceptief te toetsen. Daarnaast heeft het college onvoldoende toegelicht waarom eiser niet over een zelfstandige woonruimte beschikt.
De rechtbank oordeelt als volgt. Eén van de voorwaarden uit de Verordening om op basis van de urgentiegrond ‘ernstige en chronische medische problematiek’ voor een urgentieverklaring in aanmerking te komen, is dat de aanvrager rechtmatig zelfstandige woonruimte bewoont. De gedachte achter deze voorwaarde is dat urgentieverlening aan iemand met een zelfstandige woonruimte tot gevolg heeft dat er ook woonruimte vrijkomt, terwijl dit bij urgentieverlening aan iemand met een niet-zelfstandige woonruimte niet het geval is. Gelet op de schaarste aan sociale huurwoningen in de regio, is deze voorwaarde niet kennelijk onredelijk. Er is dan geen aanleiding om dit vereiste via exceptieve toetsing buiten toepassing te verklaren. Eiser woont bij zijn dochter in een eengezinswoning in [locatie]. Daargelaten dat deze woning niet in een van de urgentieregio’s van de Verordening ligt, is tussen partijen niet in geschil dat zijn dochter in de woning achterblijft wanneer eiser zou verhuizen. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aan de urgentiegrond ‘ernstige en chronische medische problematiek’ voldoet. Verder acht de rechtbank van belang dat iemand die geen zelfstandige woonruimte heeft op grond van de hardheidsclausule alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een urgentieverklaring.
Heeft het college in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule?
6. Eiser voert aan dat het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Eiser heeft daartoe gesteld dat het college hem heeft verplicht om zijn woning te verkopen, dat het college onevenredig handelt door hem vervolgens tegen te werpen dat hij niet over een zelfstandige woonruimte beschikt. Verder verwijt eiser het college dat het onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische situatie door hem tijdens de hoorzitting te hebben gezegd dat het aanleveren van medische stukken niet nodig was. Tot slot wijst eiser op zijn zware psychische en fysieke belasting door zijn woonsituatie op de zolderkamer.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat weigering van een urgentieverklaring in zijn geval leidt tot een schrijnende situatie. De rechtbank overweegt hierbij dat niet is gebleken dat het college eiser heeft verplicht om zijn woning te verkopen en dat eiser in beroep geen nadere medische stukken heeft overgelegd waar het college volgens hem ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Daarnaast had eiser ten tijde van het bestreden besluit onderdak bij zijn dochter; ten tijde van de behandeling in beroep had hij een adres in [woonplaats], zodat hij dus niet dakloos is.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser niet alsnog een urgentieverklaring krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden
1. Het college van burgemeester en wethouders weigert de aangevraagde urgentieverklaring indien:
[…]
b. de aanvrager gelet op deze verordening niet in aanmerking komt voor indeling in een urgentiecategorie.
[…]
Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule
1. Het college van burgemeester en wethouders is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
2. Het college van burgemeester en wethouders registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 4.2.2 van de verordening bedoelde overleg.
Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek
1. Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien:
a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst;
b. de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed;
c. een andere zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en
d. de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland.
2. Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende op grond van ernstige en chronische problematiek van psychische aard kan het college van burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt en dat deze zorg aantoonbaar verleend wordt of gaat worden. De voorwaarde wordt dan in de urgentieverklaring vermeld.
Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling voor aanvragen
Indien op het moment waarop deze verordening in werking treedt nog niet besloten is op een aanvraag om een huisvestingsvergunning of een aanvraag om een urgentieverklaring, wordt op die aanvraag beslist overeenkomstig het bepaalde in deze verordening.