ECLI:NL:RBROT:2026:11980

ECLI:NL:RBROT:2026:11980

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer ROT 25/9315
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Varia, proceskosten in bezwaar en de bestuurlijke dwangsom. De matiging van de boete in het bestreden is niet te wijten aan een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en de minister heeft het verzoek om proceskosten terecht afgewezen. De minister heeft binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling aan eiser een kopie van het bestreden besluit toegezonden. De minister is aan eiser daarom geen dwangsom verschuldigd. Het nemen van een dwangsombesluit is ook geen beschikking in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb en de minister kan daarom niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.

Uitspraak

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam 1]),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigde: [naam 2]).

Samenvatting

1. De minister heeft met een besluit van 23 juni 2025 (het primaire besluit) aan eiser een boete ter hoogte van € 36,51 opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde toltarief. Met een besluit van 17 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de boete gematigd tot € 1,51.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 5 december 2025 heeft de minister een besluit genomen (het dwangsombesluit) op het verzoek van eiser om een bestuurlijke dwangsom toe te kennen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van rechtswege ook op het dwangsombesluit nu dit een wijziging van het bestreden besluit betreft. De minister heeft op 11 augustus 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 17 augustus 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en via een digitale verbinding de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Voor gebruik van de A24/Blankenburgverbinding moet een tolheffing worden betaald. Betaling van de tolheffing kan vanaf 7 dagen vooraf tot 3 dagen (72 uur) achteraf plaatsvinden. Het toltarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt in dit geval € 1,51 per rit. Als te laat wordt betaald volgt een betalingsherinnering. Als betaling dan nog steeds uitblijft wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Het boetebedrag is in de wet vastgesteld op een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief. De tolheffing en de handhaving hiervan worden geregeld in de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15.

3. Eiser heeft op 25 april 2025 om 16:57 uur gebruik gemaakt van de Blankenburgverbinding. Omdat de tol niet binnen 72 uur is betaald, is aan eiser een betalingsherinnering verstuurd. Vanwege uitblijven van een betaling is het primaire besluit genomen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt op 15 juli 2025.

4. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser gebruik heeft gemaakt van de Blankenburgverbinding en dat hij hiervoor het toltarief niet heeft betaald. De betaling die eiser heeft verricht bevat geen tolnummer, zoals genoemd op de betalingsherinnering, waardoor de betaling niet is gekoppeld aan de betalingsherinnering of de tolrit van 25 april 2025. Eiser heeft dus niet voor de tolrit betaald en ook niet voor de betalingsherinnering. Eiser heeft op 8 mei 2025 wel betaald voor een normale tolrit. Dit bedrag is echter weer teruggestort omdat eiser na die datum geen tolrit meer heeft gereden. De minister heeft, gelet op de omstandigheid dat hij ziet dat eiser beoogde te betalen voor de tolrit van 25 april 2025, de boete wel gematigd naar het tolbedrag van € 1,51. De minister heeft geen vergoeding toegekend voor de proceskosten van eiser in bezwaar.

5. Omdat eiser niet tijdig een beslissing op zijn bezwaar ontving heeft hij heeft op 13 oktober 2025 de minister in gebreke gesteld. De minister heeft hierop het bestreden besluit aan eiser toegezonden op 17 oktober 2025. De minister heeft op de ingebrekestelling gereageerd met het dwangsombesluit.

Heeft de minister terecht geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar toegekend?

6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten heeft toegekend ondanks dat de boete is gematigd. Eiser stelt dat hij gebruik heeft gemaakt van de QR-code op de betalingsherinnering en dat het daarom niet aan hem te wijten is dat de betaling het onjuiste betalingskenmerk bevatte.

De rechtbank stelt vast dat eiser in het bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarprocedure. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de proceskosten in bezwaar uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dit geval is het bestreden besluit niet herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, maar vanwege coulance van de minister. Vast staat dat eiser op 25 april 2025 om 16:57 uur gebruik heeft gemaakt van de toltunnel. Eiser heeft het toltarief niet binnen 72 uur betaald, maar hij stelt dat hij de betalingsherinnering wel heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft aangetoond dat eiser een overtreding heeft begaan. Uit het door eiser overgelegde betalingsbewijs blijkt dat het betalingskenmerk niet overeenkomt met het betalingskenmerk van de betalingsherinnering. De betalingsherinnering voor het niet tijdig betalen van het toltarief voor de tolrit van 25 april 2025 heeft het kenmerk “[kenmerk 1]”. De betaling van eiser van 8 mei 2025 heeft als betalingskenmerk “[kenmerk 2]”. Het is aan eiser om na betaling te controleren of de gegevens van zijn betaling kloppen. De kenmerken zijn zo verschillend dat eiser dit bij controle van zijn betaling had moeten opmerken. De minister heeft daarom voldoende aangetoond dat de tolrit van 25 april 2025 onbetaald is gebleven. De matiging van de boete in het bestreden is daarom niet te wijten aan een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en de minister heeft het verzoek om proceskosten terecht afgewezen.

Heeft de minister de bestuurlijke dwangsom verbeurd?

7. Ook voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen beslissing heeft genomen om de ingebrekestelling en dat, door pas op 5 december 2025 het dwangsombesluit te nemen, de minister de bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd.

De minister heeft binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling aan eiser een kopie van het bestreden besluit toegezonden. De minister is aan eiser daarom geen dwangsom verschuldigd. Gelet op de tekst van artikel 4:18 van de Awb is de minister niet verplicht om een dwangsombesluit te nemen in het geval geen dwangsom is verschuldigd. De minister hoefde daarom in dit geval geen dwangsombesluit te nemen. Het nemen van een dwangsombesluit is ook geen beschikking in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb en de minister kan daarom niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. Kleijn

Griffier

  • mr. R. Blokhuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand