RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9839
en
Procesverloop
1. De minister heeft met het primaire besluit van 6 juni 2025 een boete ter hoogte van € 36,51 aan eiser opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde toltarief. Met een besluit van 29 juli 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser tegen de boete ongegrond verklaard.
2. De minister heeft met de besluiten van 14 juli 2025 in totaal twee boetes ter hoogte van € 36,51 aan eiser opgelegd wegens het niet betalen van verschuldigde toltarieven. Met een besluit van 19 september 2025 (ROT 25/8509) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen één van de boetes niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. Met een besluit van 13 november 2025 (ROT 25/10256) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen de andere boete ongegrond verklaard. Deze twee zaken zijn door de rechtbank op 28 mei 2026 op een zitting met eiser besproken. Met een uitspraak van 8 juli 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:8303) heeft de rechtbank het beroep in de zaak 25/10256 ongegrond verklaard en het beroep in de zaak 25/8509 gegrond verklaard en de boete vernietigd. Op de zitting van 28 mei 2026 heeft eiser aangegeven dat hij ervan was uitgegaan dat ook de onderhavige boete op die zitting aan de orde zou zijn. De rechtbank heeft toen meegedeeld dat deze zaak niet op die zitting was gepland en daarom niet op die zitting behandeld kon worden.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij mede gelet op de eerdere zitting waarop vergelijkbare zaken van eiser zijn besproken, een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 7 december 2024 is de A24/Blankenburgverbinding geopend. De A24 verbindt de A20 bij Vlaardingen met de A15 bij Rozenburg. Om de aanleg van de A24 te kunnen financieren wordt tol geheven. Tolheffing gaat via E-tol, elektronisch betalen. Dat betekent dat betalen automatisch geschiedt via een aanbieder of via een betaling online. Er zijn geen tolpoortjes. Betaling van een tolrit kan vanaf 7 dagen vooraf tot 3 dagen (72 uur) achteraf plaatsvinden. Het toltarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt in dit geval € 1,51 per rit. Als te laat wordt betaald volgt een betalingsherinnering. Deze betalingsherinnering is het eerste jaar na opening nog kosteloos. Daarna wordt hiervoor een bedrag van € 9,- in rekening gebracht. Als betaling dan nog steeds uitblijft wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Het boetebedrag is in de wet vastgesteld op een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief. De tolheffing en de handhaving hiervan worden geregeld in de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet tolheffing).
4. Eiser heeft op 9 april 2025 om 17:26 uur gebruik gemaakt van de Blankenburgverbinding. Omdat de tol niet binnen 72 uur is betaald, is aan eiser een betalingsherinnering verstuurd. Vanwege uitblijven van betalingen is het primaire besluit genomen. Eiser heeft tegen de boete op 8 juni 2025 bezwaar gemaakt.
5. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser gebruik heeft gemaakt van de Blankenburgverbinding en dat hij hiervoor het toltarief niet heeft betaald. De door eiser gedane betalingen zijn gebruikt voor een vooraf betaling van de op dat moment oudste nog openstaande rit die nog niet was betaald.
De opgelegde boetes
6. Eiser voert aan dat de minister de boetes ten onrechte heeft opgelegd. Eiser stelt de toltarieven wel degelijk te hebben betaald op 10 april 2025 en verwijst naar de door hem overgelegde betalingsbewijzen en een overzicht van zijn ritten via de Blankenburgverbinding. De minister heeft de betaling van 10 april 2025 volgens eiser niet mogen gebruiken voor andere ritten.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van de hierboven weergegeven beroepsgronden of de boetes terecht zijn opgelegd. Daarbij is van belang dat eiser niet betwist dat hij op de genoemde data en tijdstippen van de Blankenburgverbinding gebruik heeft gemaakt.
Is sprake van een overtreding?
7. Vast staat dat eiser op 9 april 2025 gebruik heeft gemaakt van de toltunnel. De minister heeft in het verweerschrift uitvoerig beschreven welke betaling is gekoppeld aan welke rit door de toltunnel. Hieruit volgt dat de rit van 9 april 2025 onbetaald is gebleven. Daarom is sprake van een overtreding.
Mocht de minister elke overtreding afzonderlijk beboeten?
Het opleggen van een bestuurlijke boete vanwege het niet of niet geheel betalen van het toltarief is een discretionaire bevoegdheid van de minister. Dat betekent dat de minister, als sprake is van meerdere overtredingen die elk afzonderlijk beboetbaar zijn, niet verplicht is voor elke afzonderlijke overtreding een boete op te leggen. De rechtbank overweegt hierbij dat de boete in de zaak 25/10256 in stand is gebleven en dat de rechtbank de boete in de zaak 25/8509 heeft vernietigd.
De rechtbank ziet aanleiding de boete voor deze overtreding te vernietigen. De rechtbank wijst erop dat ten tijde van de overtredingen de Blankenburgverbinding pas enkele maanden geopend was. Het betalen van het toltarief middels het E-tol systeem is bovendien met de Blankenburgverbinding voor het eerst in Nederland ingevoerd. Niet alleen voor de minister kan de invoering van een dergelijk nieuw systeem opstartproblemen met zich brengen, ook gebruikers zullen hun weg hierin moeten vinden. De onduidelijkheid voor eiser hoe dan zijn betaling van 10 april 2025 is verwerkt, is wat dat betreft exemplarisch. Van de minister mag verwacht worden in de beginfase van het E-tol systeem en bij het opleggen van de eerste boetes hier rekening mee te houden. In het specifieke geval van eiser geldt dat hij er van uit is gegaan dat hij heeft betaald voor de rit op 10 april 2025 en dat hij deze betaling niet teruggestort heeft gekregen. De betaling was op tijd, maar de minister heeft pas in beroep meer duidelijkheid kunnen geven voor welke rit de betaling van 10 april 2025 dan wel is gebruikt. In het geval van eiser is daarbij ook van belang dat hij reeds een boete heeft gekregen die door de rechtbank in stand is gelaten. De minister stelt weliswaar terecht dat de betalingen niet zijn teruggestort omdat deze zijn gebruikt voor andere ritten, dat betekent echter niet dat dit in het kader van de evenredigheid geen rol kan spelen. Alles tezamen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid had moeten volstaan met het opleggen van één boete. De minister heeft in redelijkheid een boete opgelegd ten aanzien van de overtreding van 15 april 2025 om 13:24 uur (zaak 25/8509). Omdat rondom de overtreding in deze zaak dezelfde verwarring met betrekking tot de betaling een grote rol heeft gespeeld had de minister, gelet op het hiervoor overwogene, ten aanzien van de overtreding op 9 april 2025 om 17:26 uur in redelijkheid moeten afzien van het opleggen van een boete.
Conclusie en gevolgen
8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat de rechtbank aanleiding ziet om het bestreden besluit te vernietigen en het primaire besluit te herroepen. Dat betekent dat de boete van de baan is. De rechtbank begrijpt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 dat bij vernietiging van de boete geen toltarief meer hoeft te worden betaald.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 juli 2025;
- herroept het besluit van 6 juni 2025;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 7:1a
1. In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
2. Het bestuursorgaan wijst het verzoek in ieder geval af, indien tegen het besluit een ander bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt, tenzij dat andere bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is.
3. Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.
4. Het bestuursorgaan beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek. Een beslissing tot instemming wordt genomen zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen nieuwe bezwaarschriften zullen worden ingediend. De artikelen 4:7 en 4:8 zijn niet van toepassing.
5. Indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek zendt het het bezwaarschrift, onder vermelding van de datum van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.
6. Een na de instemming ontvangen bezwaarschrift wordt eveneens onverwijld doorgezonden aan de bevoegde rechter. Indien dit bezwaarschrift geen verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat, wordt, in afwijking van artikel 8:41, eerste lid, geen griffierecht geheven.
Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15
Artikel 7b. (betalen toltarief aan Onze Minister)
1. Het verschuldigde toltarief wordt binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn betaald.
2. Artikel 4:94 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op het verschuldigde toltarief.
Artikel 12. (bestuurlijke boete bij betaling zonder overeenkomst)
1. Het niet of niet geheel betalen van het toltarief binnen de op grond van artikel 7b, eerste lid, gestelde termijn is een overtreding ter zake waarvan Onze Minister aan de houder, een bestuurlijke boete kan opleggen, die bestaat uit een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief en, indien paragraaf 2.2.1 van toepassing is, de aanmaningsvergoeding.
2. Als een aanmaning tot betaling van het toltarief is verzonden, wordt de bestuurlijke boete niet opgelegd dan nadat de termijn, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is verstreken.
3. De betaling van de bestuurlijke boete geschiedt binnen twee weken nadat de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.
4. Als de bestuurlijke boete niet tijdig geheel is betaald, zendt Onze Minister de houder, een eerste aanmaning en wordt de bestuurlijke boete van rechtswege met vijftig procent verhoogd. De betaling geschiedt binnen vier weken na verzending van de eerste aanmaning het verhoogde bedrag te betalen.
5. Als het verhoogde bedrag, bedoeld in het vierde lid, niet binnen de in dat lid gestelde termijn geheel betaald is, zendt Onze Minister de houder, een tweede aanmaning en wordt het verhoogde bedrag van rechtswege verder verhoogd met honderd procent van dat bedrag. De betaling geschiedt binnen vier weken na verzending van de tweede aanmaning het verder verhoogde bedrag te betalen.
6. Als het verder verhoogde bedrag, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen de in dat lid gestelde termijn geheel betaald is, is Onze Minister bevoegd tot uitvaardiging van een dwangbevel.
7. Artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de eerste en tweede aanmaning.
8. Artikel 5:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de eerste aanmaning.
Regeling tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15
Artikel 2c. (betalingstermijn toltarief zonder dienstverleningsovereenkomst)
Het verschuldigde toltarief, bedoeld in artikel 7b, eerste lid van de wet, wordt binnen 72 uur betaald.