RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11695232 CV EXPL 25-11306
datum uitspraak: 21 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. W.M. van Agt,
tegen
[gedaagde 1] en [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. V.C.C.M. Janssens.
De partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 1 mei 2025, met bijlagen;
het antwoord met een eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
het antwoord in reconventie, met bijlagen;
de brief van 5 juni 2026 van mr. T.A.M. van Alphen, met bijlagen 14 t/m 17;
de spreekaantekeningen van mr. Van Agt;
de spreekaantekeningen van mr. Van Alphen.
Op 16 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiseres] , mr. Van Agt, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en mr. Van Alphen als waarnemer voor mr. Janssens.
2. De zaak in het kort
[eiseres] woont naast [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Tussen de twee woningen ligt een oprit. Het grootste deel van die oprit ligt op het perceel van [eiseres] . Alleen een smalle strook langs de woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is van hun. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mogen wel gebruik maken van een deel van de oprit van [eiseres] vanwege een erfdienstbaarheid. Dat is vastgelegd door de notaris. De partijen hebben een meningsverschil over hoe die erfdienstbaarheid moet worden uitgelegd en uitgeoefend. Ook is er een meningsverschil over een erfgrens en speelt er iets met een videocamera die [eiseres] heeft geplaatst. De partijen leggen hun geschillen voor aan de kantonrechter (artikel 96 Rv). In dit vonnis worden een paar van de geschilpunten beoordeeld. De partijen krijgen daarna de ruimte om aan de hand van die beoordeling met elkaar een oplossing te vinden die voor iedereen werkbaar is.
3. Het geschil
in conventie
[eiseres] stelt in de dagvaarding een aantal eisen. Na het intrekken van een van die eisen tijdens de zitting, zijn haar eisen – kort samengevat – nog de volgende.
Over de erfdienstbaarheid
[eiseres] wil dat de kantonrechter vaststelt dat de erfdienstbaarheid in de akte van de notaris van 31 januari 2023 uitsluitend inhoudt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met (slechts) een personenauto over de oprit mogen rijden en dat zij één personenauto mogen parkeren op de oprit en alleen binnen het gearceerde gedeelte zoals in de situatietekening bij de akte is weergegeven. Zij wil ook dat de herstelakte van de notaris van 21 juli 2024 wordt vernietigd vanwege strijd met de Wet op het notarisambt.
Als die eisen niet toewijsbaar zijn, wil [eiseres] dat de kantonrechter de erfdienstbaarheid wijzigt zodat de erfdienstbaarheid aansluit bij de hiervoor weergegeven uitleg van [eiseres] .
In elk geval wil [eiseres] dat de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aantal gedragingen en handelingen die in de dagvaarding zijn opgesomd verbiedt en een dwangsom zet op het overtreden van dat verbod.
Ook vraagt [eiseres] om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (en hun bezoek) te verbieden om inbreuk te maken op haar eigendomsrecht, in het bijzonder het anders gebruiken van het erf dan op basis van de erfdienstbaarheid (conform de uitleg van [eiseres] ). Zij wil dat de kantonrechter een dwangsom zet op het overtreden van dat verbod.
Over de erfgrens
- [eiseres] wil dat de kantonrechter vaststelt dat de erfgrens ter hoogte van de achtertuinen en de erfgrens tussen de tuin van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de oprit van [eiseres] is zoals blijkt uit een rapportage die bij de dagvaarding is gevoegd.
Over de schutting
- [eiseres] eist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld de schutting in de hoek van de achtertuin te verwijderen en te verplaatsen naar hun eigen perceel en dat de kantonrechter een dwangsom verbindt aan het nakomen van die veroordeling.
Over de proceskosten
- [eiseres] eist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld in de proceskosten met rente.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het niet eens met de eisen van [eiseres] en willen dat die worden afgewezen.
in reconventie
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen tegeneisen in. Kort samengevat zijn dat de volgende.
Over de erfdienstbaarheid
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] willen dat de kantonrechter vaststelt dat de erfdienstbaarheid in de akte van de notaris van 31 januari 2023 en het proces-verbaal van verbetering van de notaris van 22 juli 2024 zo moet worden uitgelegd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook met een aanhangwagen, (sporadisch) met een caravan en te voet, eventueel met een fiets of een container aan de hand mogen komen en gaan over de oprit, of subsidiair dat de kantonrechter vaststelt dat deze erfdienstbaarheden zijn ontstaan door verjaring.
Ook eisen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [eiseres] wordt veroordeeld om binnen 48 uur mogelijk te maken dat zij de erfdienstbaarheid (conform hun uitleg) kunnen uitoefenen.
Over de videocamera
- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] willen dat [eiseres] wordt veroordeeld om binnen 48 uur de videocamera die zij heeft geplaatst te verwijderen of te verplaatsen zodat hun perceel en het deel van de oprit waarop de erfdienstbaarheid rust buiten beeld blijven.
Over de proceskosten
- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] eisen dat [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten met rente.
[eiseres] is het niet eens met de tegeneisen en wil dat die worden afgewezen.
4. De beoordeling
De erfdienstbaarheid
De kantonrechter oordeelt dat de erfdienstbaarheid inhoudt:
dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] twee auto’s mogen parkeren op de oprit binnen het in de situatietekening aangegeven vlak, waarbij openslaande autodeuren en uitstappen ook binnen dat vlak moeten blijven;
dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij het oprijden van de oprit aan de straatzijde de ruimte moeten hebben om daar met een personenauto op te kunnen, ook als dat betekent dat een stukje over de door [eiseres] getekende gele lijn moet worden gereden, maar niet meer dan nodig is;
dit alles op de minst bezwarende wijze voor het perceel van [eiseres] .
Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot deze uitkomst is gekomen.
Tussen de woningen van [eiseres] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ligt een oprit. Het grootste deel van die oprit ligt op het perceel van [eiseres] . Slechts een kleine strook van de oprit langs de woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is gelegen op hun perceel. Ten laste van het perceel van [eiseres] (het zogenoemde dienende erf) is ten gunste van het perceel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (het zogenoemde heersende erf) een erfdienstbaarheid van uitweg en parkeerplaats gevestigd. Dat is vastgelegd in de akte van de notaris van 31 januari 2023. Daar waren [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet bij, wel eerdere eigenaren van de twee percelen. In de akte staat het volgende (onderstreping door de kantonrechter):
“(…) wordt gevestigd en aanvaard:
de erfdienstbaarheid van parkeerplaats; en
de erfdienstbaarheid van uitweg, inhoudende om met een personenauto te komen en gaan van en naar de openbare weg […] en van en naar de op het heersend erf gelegen garage/schuur, over een strook grond (de oprit) liggende op het dienende erf, zulks op de thans bestaande en minst bezwarende wijze.
Gemelde strook grond is met schuine streeparcering aangegeven op de aan deze akte gehechte situatietekening.
Met betrekking tot deze erfdienstbaarheid gelden verder nog de navolgende bepalingen en bedingen:
1. Het is de eigenaar van het dienende erf toegestaan om op bedoelde strook grond (de oprit) maximaal twee personenauto te parkeren, zulks op de minst bezwarende wijze, waardoor de verdere uitoefening van gemelde erfdienstbaarheid en het gebruik door de eigenaar van het dienende erf niet wordt belemmerd. (…)”
Aan de akte is een situatietekening gehecht. De situatietekening is de kadastrale kaart van het Kadaster waarop een gearceerd vlak is ingetekend om aan te geven op welk deel van het perceel van [eiseres] de erfdienstbaarheid rust. Het vlak is zo ingetekend dat vanaf de tuinzijde gezien een lijn begint bij het punt van het perceel van [eiseres] dat een hoek maakt (bij de schuur), welke hoek het dichtste bij het deel van de oprit is gelegen dat is belast met de erfdienstbaarheid. De lijn waarmee het vlak wordt aangegeven loopt vervolgens parallel aan de woning van [eiseres] richting de straatzijde. De lijn eindigt aan de straatzijde en deelt daarmee het begin van de oprit in twee delen. Omdat de oprit aan de straatzijde smaller is en naar achteren toe wijder uitloopt, loopt het deel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanwege de erfdienstbaarheid mogen gebruiken ook wijder uit naar achteren toe.
Op 22 juli 2024 is een akte van verbetering opgemaakt door de notaris. De notaris vond dat in de akte van 31 januari 2023 kennelijke misslagen stonden die zich voor herstel leenden. In de herstelakte staat dat in de akte van 31 januari 2023 onder punt 1 de eerste vermelding van “het dienende erf” moet worden vervangen door “het heersend erf”. De tekst luidt dan volgens de herstelakte (onderstreping door de kantonrechter):
“1. Het is de eigenaar van het heersend erf toegestaan om op bedoelde strook grond (de oprit) maximaal twee personenauto te parkeren, zulks op de minst bezwarende wijze, waardoor de verdere uitoefening van gemelde erfdienstbaarheid en het gebruik door de eigenaar van het dienend erf niet wordt belemmerd.”
De partijen verschillen van mening over de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze waarop die mag worden uitgeoefend. De kantonrechter neemt bij de beoordeling van de geschilpunten het volgende beoordelingskader tot uitgangspunt. De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid wordt bepaald door de akte van vestiging en – voor zover hierover regels in de akte ontbreken – de plaatselijke gewoonte (artikel 5:73 BW). Bij uitleg van de akte gaat het om de partijbedoeling die tot uitdrukking is gebracht in die akte. Die partijbedoeling moet worden afgeleid uit de bewoordingen die zijn gebruikt in de akte uitgelegd naar objectieve maatstaven in het licht van de hele inhoud van de akte. Bij de uitleg van de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend spelen de beginselen van redelijkheid en billijkheid een rol.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] mogen maximaal twee personenauto’s parkeren
De kantonrechter volgt [eiseres] niet in de uitleg die zij voor ogen heeft van de erfdienstbaarheid wat betreft wie hoeveel personenauto’s mag parkeren.
[eiseres] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met één personenauto de oprit op mogen en ook maar één personenauto mogen parkeren. Zij wijst daarbij op de zinsnede “(…) de erfdienstbaarheid van uitweg, inhoudende om met een personenauto te komen en gaan van en naar de openbare weg (…)”. [eiseres] meent dat met “een personenauto” één (1) personenauto is bedoeld. Dit staat echter bij de erfdienstbaarheid van uitweg. Het is dan ook logisch, zoals ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terecht naar voren brengen, dat in deze zinsnede niet het telwoord één is bedoeld, maar het lidwoord “een” gevolgd door de soortnaam “personenauto”. De erfdienstbaarheid van parkeerplaats is nader uitgewerkt onder 1. En daar staat dat er maximaal twee auto’s mogen worden geparkeerd.
Hoewel in de akte van 31 januari 2023 onder punt 1 staat dat “de eigenaar van het dienende erf” maximaal twee auto’s mag parkeren, moet uit de bewoordingen van de akte worden afgeleid dat hier het heersend erf is bedoeld, zoals dat ook staat in de herstelakte van 22 juli 2024. In de tekst van de akte van 31 januari 2023 wordt telkens in ongeveer gelijke bewoordingen gerefereerd aan een strook grond, waarmee het gearceerde vlak op de situatietekening wordt bedoeld. Met de zinsnede “Het is de eigenaar van het dienende erf toegestaan om op bedoelde strook grond (de oprit) maximaal twee personenauto te parkeren (…)” kan daarom niets anders worden bedoeld dan dat de eigenaren van het heersend erf ( [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) met maximaal twee personenauto’s op het gearceerde stuk mogen parkeren. Als hier het dienende erf is bedoeld, is de erfdienstbaarheid zinloos. Dan zou de eigenaar van het dienende erf twee personenauto’s mogen parkeren op het gearceerde vlak waar de erfdienstbaarheid op rust, waardoor de erfdienstbaarheid van uitweg en parkeerplaats niet kan worden uitgeoefend door de eigenaar van het heersend erf. De uitleg dat de eerste vermelding van “het dienende erf” in de betreffende zin het heersend erf moet zijn, ligt wel voor de hand. Immers, juist ten gunste van het heersend erf is een erfdienstbaarheid van uitweg en parkeerplaats gevestigd en met de nadere uitwerking onder punt 1 wordt die erfdienstbaarheid van parkeerplaats beperkt tot maximaal twee personenauto’s. Ook zonder de herstelakte van 22 juli 2024 is dit hoe de erfdienstbaarheid uitgelegd moet worden.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten binnen het aangegeven vlak parkeren, maar hebben aan de straatzijde wel ruimte nodig om de oprit op te kunnen rijden
De kantonrechter is met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] eens dat [eiseres] hen niet mag belemmeren bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid van uitweg door obstakels te plaatsen aan de straatzijde van de oprit.
[eiseres] belemmert de buren door een plantenbak aan de straatzijde van de oprit te plaatsen direct naast een gele lijn. Die gele lijn is een lijn die [eiseres] heeft uitgetekend op de oprit van de straatzijde naar de tuinzijde op basis van de situatietekening. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wijzen er op dat zij bij het oprijden van de oprit met de auto een stukje over die lijn moeten rijden omdat het anders gewoonweg niet past. Hun personenauto’s – en volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alle personenauto’s – zijn breder dan het beginstuk van de oprit zoals dat nu is aangegeven met de gele lijn.
De kantonrechter oordeelt dat de op de situatietekening ingetekende lijn en het gearceerde vlak van de erfdienstbaarheid inderdaad een grens aangeven in die zin dat parkeren op het perceel van [eiseres] niet buiten dat vlak mag en dat ook openslaande autodeuren en het uitstappen binnen dat vlak moet(en) blijven. Het parkeren van maximaal twee auto’s moet gebeuren op de minst bezwarende wijze voor het dienende erf. Dat de situatietekening slechts indicatief is en niet een duidelijke grens aangeeft, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen, blijkt verder uit niets. Er is immers wel een duidelijke lijn en gearceerd vlak ingetekend (zie hiervoor beschreven in 4.3). De kantonrechter geeft de partijen mee dat het markeren van die lijn/dat vlak op de oprit – bijvoorbeeld met (een strook van) afwijkend gekleurde steentjes waar wel over kan worden gereden – mogelijk kan bijdragen aan het verminderen van of voorkomen van verdere onenigheid tussen de buren.
De kantonrechter is voorts van oordeel dat een redelijke uitleg van de uitoefening van de erfdienstbaarheid van uitweg inhoudt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij het oprijden van de oprit vanaf de straatzijde wel een stukje over de door [eiseres] getrokken gele lijn mogen rijden, maar alleen voor zover dat echt nodig is (de minst bezwarende wijze, artikel 5:74 BW). Het is namelijk evident dat het deel dat door [eiseres] is uitgemeten met de gele lijn te smal is om met een personenauto op eenvoudige wijze op de oprit te komen. Dat is ook zichtbaar op de bij dagvaarding overgelegde luchtfoto (blz. 4, foto 2). Maar er is wel een erfdienstbaarheid van uitweg voor een personenauto gevestigd en in de akte zijn ook geen beperkingen bepaald over het type of de maximale breedte van een personenauto. Dat geeft voldoende duidelijkheid over wat de breedte moet zijn van de strook grond waarover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de oprit vanaf de straatzijde mogen oprijden vanwege de erfdienstbaarheid: namelijk zo breed dat zij met hun personenauto’s over de oprit kunnen komen en gaan, maar wel op de minst bezwarende wijze voor het dienende erf.
De erfdienstbaarheid omvat niet het over de oprit komen en gaan met een aanhangwagen, (sporadisch) een caravan en te voet
De kantonrechter is met [eiseres] eens dat de erfdienstbaarheid niet omvat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met een aanhangwagen, (sporadisch) een caravan en te voet, eventueel met een fiets of een container aan de hand, mogen komen en gaan over de oprit.
De bewoordingen in de akte zijn duidelijk: er wordt een erfdienstbaarheid gevestigd van parkeerplaats en een erfdienstbaarheid van uitweg om met een personenauto te komen en gaan. Het hiervoor genoemde andere gebruik is daar niet onder te scharen. Een recht van overpad is niet vastgelegd. Van de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt wel gesteld dat in de akte staat “zulks op de thans bestaande wijze” en dat dit wijst op het andere gebruik dat volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al jaren gebeurt, maar de kantonrechter volgt hen daarin niet. De aangehaalde zinsnede wijst terug naar de erfdienstbaarheid van uitweg inhoudende om met een personenauto te komen en gaan. De zinsnede introduceert niet een ander gebruik dan als uitweg voor een personenauto. Omdat de bewoordingen van de akte duidelijk zijn en er geen twijfel over bestaat, wordt niet toegekomen aan uitleg op basis van de plaatselijke gewoonte. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ook nog aangevoerd dat het meerdere (uitweg van auto) ook het mindere (uitweg te voet) omvat. Die redenering gaat in dit geval niet op, gelet op de bewoordingen van de erfdienstbaarheid van uitweg in de akte. Er staat specifiek vermeld dat het gaat om het komen en gaan met een auto.
Er is geen erfdienstbaarheid ter zake het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor ogen staande gebruik ontstaan door verjaring. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarvoor te weinig gesteld.
Bij de beoordeling is uitgegaan van het volgende.
Een erfdienstbaarheid kan door verjaring worden verkregen door een bezitter te goeder trouw door een onafgebroken bezit van tien jaar (artikel 5:72 en 3:99 BW). Voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is bezit van een erfdienstbaarheid gedurende twintig jaar vereist (artikel 3:105 en 3:106 BW).
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gesteld en onderbouwd met schriftelijke verklaringen van hun directe rechtsvoorgangers ( [naam 1] en [naam 2] ) en de directe rechtsvoorganger van [eiseres] ( [naam 3] ), dat de oprit steeds door [naam 1] en [naam 2] is gebruikt om te voet eventueel met een fiets of een container aan de hand en indien nodig met een aanhangwagen achter de auto de achtertuin te bereiken. Maar de verklaringen laten in het midden of wordt bedoeld het deel van de oprit dat is belast met een erfdienstbaarheid van parkeerplaats en uitweg, het deel van de oprit dat in eigendom is van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , een ander deel van de oprit of de hele oprit. Bovendien staat in de schriftelijke verklaringen dat [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] het voormelde gebruik notarieel hebben willen vastleggen, maar in de notariële akte wordt alleen een erfdienstbaarheid van parkeerplaats en een erfdienstbaarheid van uitweg voor een personenauto gevestigd en met geen woord gerept over andere vormen van gebruik. Ook van belang is dat uit de stellingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de verklaringen van [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] niet noodzakelijkerwijs volgt dat [naam 1] en [naam 2] zich hebben gedragen als bezitters van een erfdienstbaarheid. [eiseres] voert ook aan dat het andere gebruik van de oprit als daad van goed nabuurschap is gedoogd door haar rechtsvoorganger en dat dit wordt ondersteund door de stellingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over het gebruik van de oprit “in goed overleg”. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat [naam 1] en [naam 2] zich als bezitter van een erfdienstbaarheid hebben gedragen. Tot slot is van belang dat [naam 1] en [naam 2] de oprit niet twintig jaar in gebruik hebben gehad, omdat zij minder dan twintig jaar eigenaars zijn geweest van de [adres 1] (namelijk van 2009 tot en met 2023). Ook als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het andere gebruik hebben voortgezet, is die termijn nog niet verstreken. Dit alles staat in de weg aan een geslaagd beroep op het ontstaan van een erfdienstbaarheid ter zake het andere gebruik door verjaring.
Tegen deze achtergrond behoeft het door [eiseres] opgeworpen punt over intensivering en/of wijziging van de erfdienstbaarheid geen bespreking.
Dat de erfdienstbaarheid het voornoemde andere gebruik niet omvat, betekent niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun achtertuin niet kunnen bereiken met een personenauto met een aanhanger voor tuinafval of sporadisch met een caravan. Als zo’n situatie zich aandient, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enerzijds en [eiseres] anderzijds het een en ander onderling hebben af te stemmen. Hun onderlinge verhoudingen worden immers beheerst door de redelijkheid en billijkheid. En uiteraard kunnen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun achtertuin bereiken te voet, eventueel met een fiets of container aan de hand, over de strook van de oprit die zij in eigendom hebben. Zij hebben zelf aangegeven dat die strook breed genoeg is om overheen te lopen. Als dat niet tegelijkertijd kan met het geparkeerd staan van één of twee van hun personenauto’s op de oprit conform de erfdienstbaarheid, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf een manier moeten zien te vinden om met de voor hun beschikbare maar beperkte ruimte om te gaan, afgestemd op hun eigen behoeften.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn eigenaar van het stuk grond door verkrijgende verjaring
Het beroep op verkrijgende verjaring slaagt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een stuk grond dat volgens de kadastrale tekeningen onderdeel is van het perceel van [eiseres] in eigendom. Het gaat om een stuk grond dat vanaf de straatzijde gezien is gelegen links van en schuin achter de schuur, dat door een schutting bij het perceel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is getrokken. Het stuk grond in kwestie is weergegeven op de luchtfoto van productie 12 bij de dagvaarding en is bij de partijen bekend.
Bij de beoordeling van het beroep op verkrijgende verjaring is uitgegaan van het volgende kader.
Degene die een registergoed gedurende tien jaar onafgebroken te goeder trouw in bezit heeft, verkrijgt de rechten op dat goed (artikel 3:99 BW). De verjaringstermijn begint de dag na aanvang van het bezit (artikel 3:101 BW). De bezitter te goeder trouw die een goed onder bijzondere titel verkrijgt, zet een lopende verjaring voort (artikel 3:102 lid 2 BW). Een bezitter is te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (artikel 3:118 lid 1 BW). Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn (artikel 3:118 lid 3 BW). Is de bezitter te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven (artikel 3:118 lid 2 BW).
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voldoende onderbouwd dat hun rechtsvoorgangers ( [naam 1] en [naam 2] ) zich als bezitter van het stuk grond hebben gedragen en dat de rechtsvoorganger van [eiseres] ( [naam 3] ) uit die gedragingen niets anders heeft kunnen afleiden dan dat eerstgenoemden pretendeerden eigenaar te zijn. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de schutting geplaatst door een van de eerdere bewoners van hun woning aan de [adres 1] . Uit de schriftelijke verklaringen van [naam 3] en van [naam 1] en [naam 2] komt naar voren dat de schutting is geplaatst vóórdat [naam 1] en [naam 2] van 2009 tot 2023 eigenaar waren van de [adres 1] en dat zij altijd dachten dat die schutting op de erfgrens stond. [naam 3] – die vanaf 1983 eigenaar was van de [adres 2] – verklaart dat ook en ook zij dacht dat de schutting op de erfgrens stond. Vast staat dat de schutting het stuk grond afsnijdt van het perceel van de [adres 2] en betrekt bij het perceel van de [adres 1] en daardoor uitsluitend bereikbaar is voor de bewoners van de [adres 1] . Als onbetwist staat ook vast dat de bewoners van de [adres 1] het stuk grond exclusief als onderdeel van de achtertuin hebben gebruikt. Het stuk grond is dus méér dan tien jaar onafgebroken en te goeder trouw in bezit geweest van [naam 1] en [naam 2] . Na verloop van tien jaar is het stuk grond door verkrijgende verjaring verworven door de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
De partijen gaan met elkaar in gesprek over een werkbare oplossing
De kantonrechter houdt de zaak aan en neemt nog geen andere beslissingen. Zo hebben [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ruimte om met dit vonnis in de hand samen een oplossing te vinden die voor iedereen werkbaar is, eventueel met een mediator. Als dat niet lukt, laten de partijen dat aan de kantonrechter weten. Deze insteek is met de partijen besproken tijdens de zitting.
Aan beide partijen wordt gevraagd om uiterlijk op dinsdag 1 december 2026 een update te geven over de stand van zaken. De kantonrechter zal als het nodig is daarna beslissen hoe de procedure verder gaat.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 1 december 2026 om 11:30 uur, voor een update van beide partijen over de stand van zaken;
neemt op dit moment geen andere beslissingen.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
34286