RECHTBANK ROTTERDAM
proces-verbaal
Wrakingkamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/725669 / HA RK 26-861
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 8 september 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
woonplaats: [plaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. F. Aukema-Hartog,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Aanwezig zijn mr. drs. J. van den Bos, voorzitter, mr. K.A. Baggerman en mr. W.J. de Veld, rechters, en mr. R.W.H. van Rijkom, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen verzoeker en de rechter.
In deze zaak heeft een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. Aansluitend op de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer – na een onderbreking voor beraad – mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.
1. Beoordeling
Verzoeker heeft op 31 augustus 2026 een verzoek tot wraking gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de civielrechtelijke zaak met zaaknummer 12241078 VV EXPL 26-296 (de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een geschil tussen Stichting De Leeuw van Putten en verzoeker. De wrakingskamer heeft inzage gekregen in het dossier van de hoofdzaak.
Allereerst moet de vraag worden beantwoord waarover de wrakingskamer moet beslissen. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de wrakingsgronden doorgenomen. De wrakingskamer ziet als wrakingsgronden – kort gezegd:
i) dat verzoeker van de rechter geen gelegenheid meer kreeg om stukken in te dienen;
ii) dat verzoeker geen gelegenheid meer kreeg om een conclusie van antwoord met een tegenvordering in te dienen;
iii) dat de rechter niet of onvoldoende is ingegaan op het geschil en met name de vraag of sprake is van renovatie of van dringende werkzaamheden; en
iv) dat de rechter tijdens de zitting vroeg waarom verzoeker de werkzaamheden niet heeft toegelaten in plaats van ‘waarom hij de aannemer niet heeft binnengelaten’ zoals in het proces-verbaal van de zitting is opgenomen.
De wrakingskamer constateert verder dat verzoeker in zijn brief van 8 september 2026 schrijft dat de afwijzing van zijn verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak geen wrakingsgrond is, terwijl verzoeker daar aan het einde van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek toch op in is gegaan en deze grond wel is opgenomen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak. Daarnaast is een aantal van de andere wrakingsgronden het gevolg van de volgens verzoeker onterechte afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Dit is voor de wrakingskamer aanleiding om ook de afwijzing van het aanhoudingsverzoek als wrakingsgrond aan te merken en daar een beslissing op te nemen, zodat de argumenten van verzoeker in zijn geheel zijn beoordeeld en niets buiten beschouwing is gelaten. De wrakingskamer beschouwt daarom dan ook als laatste wrakingsgrond:
( v) dat de rechter het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of – kort gezegd – de rechter tijdens de mondelinge behandeling op 31 augustus 2026 partijdig was of de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake was van (objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid en licht dat als volgt toe.
De afwijzing van het aanhoudingsverzoek (grond v) en het niet meer in de gelegenheid stellen om stukken (grond i) en/of een conclusie van antwoord met een tegenvordering in te dienen (grond ii), zijn procesbeslissingen van de rechter. Dat soort beslissingen kan in principe niet tot toewijzing van een wrakingsverzoek leiden. Dit is alleen anders als de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de procesbeslissing heeft genomen. Die lat ligt heel hoog en wordt in dit geval niet gehaald.
Over de wrakingsgrond dat de rechter onvoldoende is ingegaan op het geschil tussen partijen (grond iii), meer in het bijzonder de vraag of sprake is van renovatie of dringende werkzaamheden, oordeelt de wrakingskamer als volgt.
De aard van de werkzaamheden is een springend punt in de hoofdzaak.
De rechter heeft de regie over de zitting. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid om te bepalen hoe de zitting verloopt. De rechter kan vragen stellen aan partijen, waarbij het kan voorkomen dat meer vragen aan de ene dan aan de andere partij worden gesteld, en die vragen kunnen ook kritisch zijn. Dat valt allemaal binnen de vrijheid van de rechter om de zitting in te delen zoals hij dat wil.
De wrakingskamer constateert dat de mondelinge behandeling van de hoofdzaak nog niet voorbij was en dat de inhoud van het geschil nog (verder) had kunnen worden besproken. De rechter heeft in haar reactie op het wrakingsverzoek ook laten weten dat het haar bedoeling was om het geschil nog verder te bespreken op de zitting. Doordat verzoeker de rechter wraakte, was dat echter niet meer mogelijk. De handelwijze van de rechter geeft naar het oordeel van de wrakingskamer geen blijk van vooringenomenheid en de vrees daarvoor is ook niet – objectief – gerechtvaardigd.
Voor wat betreft de wrakingsgrond dat de rechter zou hebben gevraagd waarom verzoeker de werkzaamheden niet heeft toegelaten, terwijl in het proces-verbaal van de zitting is opgenomen dat de rechter heeft gevraagd waarom verzoeker de aannemer niet heeft binnengelaten (grond iv), oordeelt de wrakingskamer tot slot als volgt. De weergave van wat is besproken op een zitting, is een zakelijke weergave en geeft misschien niet altijd de exacte bewoordingen weer. Welke woorden ook zijn gebruikt, ‘toelaten’ of ‘binnenlaten’, de wrakingskamer is van oordeel dat uit geen van deze bewoordingen kan worden afgeleid dat de rechter al een beslissing had genomen. Ook dit levert dus geen grond voor toewijzing van het wrakingsverzoek op.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
2. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af.
Waarvan proces-verbaal,
de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.