RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724838 / KG ZA 26-870
Vonnis in kort geding van 8 september 2026
in de zaak van
STICHTING HEF WONEN,
gevestigd in Rotterdam,
eiseres,
advocaat: mr. P.J. Remmelts,
tegen
[persoon A] , handelend onder de naam [bedrijf A] ,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon B] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna Hef Wonen en [persoon A] genoemd.
De zaak in het kort
[persoon A] is de bewindvoerder van [persoon B] . [persoon B] huurt een woning van Hef Wonen, die onderdeel uitmaakt van een wooncomplex. De kozijnen van het wooncomplex zijn begin dit jaar door Hef Wonen vervangen. De vervanging van de kozijnen van de woning van [persoon B] is op haar verzoek uitgesteld tot juli 2026. Toen Hef Wonen op 13 juli 2026 wilde starten met de werkzaamheden, heeft [persoon B] Hef Wonen geen toegang tot de woning gegeven. In dit kort geding vordert Hef Wonen dat zij de gelegenheid krijgt om de kozijnen alsnog te vervangen, eventueel door middel van een tijdelijke ontruiming. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 17 augustus 2026, met producties 0 tot en met 6,
de e-mail van [persoon B] aan [persoon A] van 24 augustus 2026, die [persoon A] tijdens de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026.
2. De feiten
Sinds 14 september 2006 huurt [persoon B] van Hef Wonen de woning aan de [straatnaam] , [postcode] in [locatie] (hierna: de woning). Het betreft een maisonnette, gelegen op de begane grond en de eerste verdieping van een wooncomplex.
Op 28 november 2023 is [persoon A] benoemd tot bewindvoerder over de goederen van [persoon B] . Het bewind was al eerder, in ieder geval in 2016, ingesteld.
Op 28 juli 2025 heeft Hef Wonen aan [persoon B] laten weten dat in het kader van een groot onderhoudsproject werkzaamheden aan en in de woning moesten worden uitgevoerd. De werkzaamheden betroffen 1) de renovatie van de badkamer, keuken en het toilet en 2) het plaatsen van nieuwe kozijnen.
Begin 2026 zijn in alle woningen in het complex de badkamer, keuken en het toilet gerenoveerd. Daarna zijn de kozijnen van de woningen vervangen, behalve die van de woning. Die werkzaamheden zijn op verzoek van [persoon B] uitgesteld. Bij brieven van 8 mei 2026 heeft Hef Wonen aan [persoon B] en [persoon A] laten weten dat het plaatsen van de nieuwe kozijnen was gepland op 13, 14, 15 en 16 juli 2026.
In aanloop naar de werkzaamheden hebben de aannemer en de bewonersbegeleider van Hef Wonen geprobeerd om in contact te komen met [persoon B] . Daarin zijn zij niet geslaagd. Op 13 juli 2026 bleek [persoon B] niet thuis te zijn, waardoor niet met de werkzaamheden kon worden begonnen. Bij e-mail van 13 juli 2026 heeft Hef Wonen aan [persoon B] laten weten dat zij een juridische procedure ging starten om toegang tot de woning te krijgen, zodat de werkzaamheden alsnog konden worden uitgevoerd.
Bij brief van 20 juli 2026 heeft Hef Wonen [persoon B] gesommeerd om binnen een week schriftelijk te bevestigen dat zij haar volledige medewerking verleent aan de geplande werkzaamheden. Bij de brief is de volgende planning gevoegd:
[afbeelding met hierin straatnaam van persoon B]
Bij brief van 7 augustus 2026 heeft mr. Remmelts aan [persoon A] laten weten dat Hef Wonen geen reactie van [persoon B] had ontvangen. Verder heeft hij aangekondigd dat Hef Wonen een kort geding ging starten om af te dwingen dat Hef Wonen de werkzaamheden op 21, 22 en 23 september 2026 kan uitvoeren. Daarbij heeft hij opgemerkt dat [persoon A] als bewindvoerder van [persoon B] de formele procespartij is en haar gevraagd om haar verhinderdata door te geven. Een kopie van de brief is aan [persoon B] gezonden.
3. Het geschil
Hef Wonen vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[persoon A] veroordeelt om Hef Wonen dan wel een door Hef Wonen in te schakelen derde gelegenheid te geven tot het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: het vervangen en afwerken van de kozijnen en het afkoppelen en terugplaatsen van de radiatoren,
[persoon A] , als zij niet voldoet aan het gevorderde onder 1, veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van Hef Wonen zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Hef Wonen te stellen voor zover en zo lang als dat noodzakelijk is om de onder 1 genoemde werkzaamheden uit te voeren,
[persoon A] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
4. De beoordeling
Hef Wonen heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, aangezien zij stelt dat de kozijnen van de woning aan hun einde zijn en daarom op korte termijn moeten worden vervangen. Daarnaast wil Hef Wonen met haar ontruimingsvordering voorkomen dat zij onnodig kosten maakt voor de op- en afbouw van steigers. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Remmelts laten weten dat in geval van een gedwongen ontruiming de hulpofficier van justitie pas op 12 oktober 2026 beschikbaar is. Om die reden zijn de werkzaamheden inmiddels gepland op 12 tot en met 14 oktober 2026.
Hef Wonen heeft de bewindvoerder van [persoon B] en niet [persoon B] zelf in rechte betrokken. Dat is overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525), waarin de Hoge Raad in antwoord op een prejudiciële vraag heeft beslist dat indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen een vordering tot ontruiming van het gehuurde tegen de bewindvoerder moet worden ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aan Hef Wonen en [persoon A] gevraagd of zij [persoon B] als materiële procespartij hadden geïnformeerd over de datum en het tijdstip van de zitting. Hef Wonen heeft daarop laten weten dat zij dat niet had gedaan. [persoon A] heeft te kennen gegeven dat zij veel moeite heeft gedaan om met [persoon B] in contact te komen, maar dat [persoon B] zorg mijdt. Uiteindelijk heeft [persoon A] bij e-mail van 20 augustus 2026 aan [persoon B] bericht dat de mondelinge behandeling op 25 augustus 2026 plaatsvond. Een dag voor de mondelinge behandeling heeft [persoon B] alsnog een schriftelijke reactie aan [persoon A] gezonden en gevraagd hoe laat de zitting was. [persoon A] heeft het tijdstip nog dezelfde dag doorgegeven. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat [persoon B] in de gelegenheid is gesteld om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
Als gedurende de huurtijd dringende werkzaamheden aan het gehuurde moeten worden uitgevoerd, moet de huurder dit op grond van artikel 7:220 lid 1 BW gedogen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Hef Wonen toegelicht dat in dit geval sprake is van dringende werkzaamheden, omdat de kozijnen aan hun einde zijn en moeten worden vervangen om gebreken te voorkomen. Nu de werkzaamheden daarmee niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld, dient [persoon B] naar het oordeel van de voorzieningenrechter de vervanging van de kozijnen te gedogen. De vordering om [persoon A] als bewindvoerder van [persoon B] te veroordelen om Hef Wonen in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden uit te voeren, wordt dan ook toegewezen.
De ontruimingsvordering wordt eveneens toegewezen, met dien verstande dat de woning niet hoeft te worden ontruimd met alle daarin aanwezige zaken. Uit de in 2.6. weergegeven planning en de door Hef Wonen gegeven toelichting volgt namelijk dat voor het kunnen uitvoeren van de werkzaamheden slechts de ruimte voor de kozijnen vrij moet worden gemaakt. Dit betekent dat de vensterbanken leeg moeten worden gehaald, de gordijnen moeten worden verwijderd en meubels/spullen die binnen 1,5 meter van de radiatoren staan moeten worden verplaatst. Als hieraan geen medewerking wordt verleend, staat het Hef Wonen dan wel de door Hef Wonen in te schakelen derde vrij om de ruimte voor de kozijnen vrij te maken.
[persoon A] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van Hef Wonen worden begroot op:
kosten dagvaarding: € 169,58
griffierecht: € 735,00
salaris advocaat: € 760,00
nakosten: € 189,00
totaal: € 1.853,58
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [persoon A] om Hef Wonen dan wel een door Hef Wonen in te schakelen derde gelegenheid te geven tot het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: het vervangen en afwerken van de kozijnen en het afkoppelen en terugplaatsen van de radiatoren,
veroordeelt [persoon A] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [straatnaam] , [postcode] in [locatie] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Hef Wonen te stellen voor zover en zo lang als dat noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren,
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van € 1.853,58, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
veroordeelt [persoon A] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026. [2971/1694]