Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/721048 / FA RK 26-4580
Beschikking van 17 augustus 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[de vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam,
t e g e n
[de man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. G.F. van den Ende te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 5 juni 2026;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 19 juni 2026;
het verweerschrift, ingekomen op 9 juli 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
De rechtbank heeft partijen op 21 juli 2026 bericht voornemens te zijn ambtshalve een bijzondere curator te benoemen en partijen verzocht om een reactie. De vrouw heeft op 23 juli 2026 een bericht gestuurd. De man heeft op 29 juli 2026 een bericht gestuurd.
[minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hier gebruik van gemaakt. Hij heeft op 13 juli 2026 met de kinderrechter gesproken.
[minderjarige 2] heeft ook zijn mening (schriftelijk) kenbaar gemaakt, maar deze procedure heeft geen betrekking op hem. De kinderrechter heeft de brief van [minderjarige 2] wel gelezen.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] .
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats 1] .
Deze procedure heeft alleen betrekking op de oudste minderjarige, [minderjarige 1] .
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Het huwelijk van partijen is op [datum 1] 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
In de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2024 is het door partijen op 7 oktober 2024 ondertekende ouderschapsplan opgenomen. Partijen hebben over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling), voor zover relevant, het volgende afgesproken:
“8. Zorgverdeling in tijd en plaats
(…) De ouders zijn de volgende zorgverdeling overeengekomen:
Vanwege het werk van vader is een vast schema niet mogelijk. Ouders zijn overeengekomen dat de kinderen elke week 2 dagen bij vader zullen zijn. Dit is op vader zijn vrije dagen, deze dagen verspringen per week, maar zijn wel altijd 2 dagen achter elkaar.
10. Vakanties
Tijdens schoolvakanties kan de zorgverdeling afwijken van bovenstaand schema. Dit zal in onderling overleg met elkaar worden gepland en zal zoveel mogelijk op basis van 50/50 zijn.”
Partijen hebben afspraken gemaakt over de kinderalimentatie, opgenomen in de overeenkomst “Vaststelling kinderalimentatie”, door hen ondertekend op 11 oktober 2025. In die vaststellingsovereenkomst is onder het kopje ‘evaluatie ouderschapsplan’ opgenomen: ‘Ouders nog eens hebben benadrukt dat het belangrijk is dat beiden de afspraken die zij hebben gemaakt over de zorgregeling (…) nakomen. Een afspraak die voor de minderjarigen daarbij erg belangrijk is, is dat zij wekelijks een nachtje bij de man zijn en dat hij hen dan haalt en brengt naar sport en hobby. Ook vinden beide ouders het erg belangríjk dat niet negatief wordt gesproken over de andere ouder, dat de band met de andere ouder wordt gestimuleerd en dat de minderjarigen geen getuige zijn van spanningen tussen ouders, Ouders gaan hier nóg beter op letten.’
3. De beoordeling
Zorgregeling
De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, wijziging van de beschikking van de rechtbank Overijssel van [datum 2] 2024 en de daarin opgenomen zorgregeling van
7 oktober 2024 in die zin dat het de man tijdelijk wordt verboden contact te hebben met [minderjarige 1] voor de duur van een jaar.
De man voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw voorlopig toewijzen, met dien verstande dat contact mag plaatsvinden zoals hierna beschreven in rechtsoverweging 3.1.13. De rechtbank zal namelijk ambtshalve een bijzondere curator voor [minderjarige 1] benoemen. De zaak wordt voor het overige aanhouden. De rechtbank legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
(i) voorlopig: contactverbod tijdens traject bijzondere curator
Op grond van artikel 1:253a BW in verbinding met artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW kan de rechtbank een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de totstandkoming van de zorgregeling in het ouderschapsplan, omdat de man sinds het weekend van 28 en 29 maart 2026 geen contact meer heeft met [minderjarige 1] . De zorgregeling tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vindt nog wel doorgang.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van ernstige bezwaren van [minderjarige 1] tegen contact met de man in de zin van artikel 1:377a lid 3 onder c BW, in samenhang met de gronden zoals genoemd in artikel 1:377a lid 3 onder a en b BW.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat er contact moet zijn tussen een ouder en een kind. De rechtbank is echter van oordeel dat het op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige 1] om contact te hebben met de man, in de zin van artikel 1:377a lid 3 onder a en b BW. De rechtbank weegt daarbij mee dat [minderjarige 1] ernstige bezwaren heeft doen blijken in het gesprek met de kinderrechter, in de zin van artikel 1:377a lid 3 onder c BW.
Gebleken is dat er sinds de echtscheiding van partijen steeds vaker spanningen zijn tussen de man en [minderjarige 1] , waarbij de man ook fysiek geweld heeft gebruikt richting [minderjarige 1] .
In het weekend van 28 en 29 maart 2026 heeft een escalatie plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige 1] . De man heeft toen een tafel tegen [minderjarige 1] aan geduwd, waardoor [minderjarige 1] klem kwam te zitten. [minderjarige 1] is daarbij ook op de grond gevallen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat [minderjarige 1] vervolgens door de man nog over de grond naar zijn kamer is gesleurd, dat de man zich bovenop [minderjarige 1] heeft geworpen en hem bij zijn armen heeft vastgegrepen. Ook is gebleken dat de man kwetsende uitspraken richting [minderjarige 1] heeft gedaan, zoals dat hij hem nooit meer wil zien.
Uit het gesprek met [minderjarige 1] en de toelichting van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] sinds de escalatie in maart 2026 somatische klachten ervaart op momenten dat hij de man ziet, bijvoorbeeld bij het wegbrengen van zijn broertjes. De rechtbank heeft de indruk dat [minderjarige 1] heel bang is geworden voor de man en dat hij tijd nodig heeft om zich weer veilig te kunnen voelen. [minderjarige 1] is boos op de man en heeft een duidelijke grens aangegeven richting zijn vader. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat [minderjarige 1] daar goed over nagedacht heeft en vindt het van belang dat [minderjarige 1] zijn keuze ook heeft besproken met een psycholoog. [minderjarige 1] heeft ook tegen de man gezegd dat hij geen contact wil, maar de man is desondanks toch verschenen bij de sportles van [minderjarige 1] en heeft hem ook berichten gestuurd over zijn nieuwe schooladvies. [minderjarige 1] heeft daar veel last van. De rechtbank vindt het van belang dat er voorlopig rust wordt gecreëerd voor [minderjarige 1] , zodat hij zich weer veilig kan voelen. Met een tijdelijk contactverbod voor de man kan [minderjarige 1] erop rekenen dat er pas weer contact plaatsvindt in het kader van het onderzoek van de bijzondere curator, waarbij de bijzondere curator rekening houdt met het tempo en de wensen van [minderjarige 1] . Op die wijze kan volgens de rechtbank ruimte ontstaan bij [minderjarige 1] voor duurzaam contactherstel.
Uit het verweer van de man en zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zelfinzicht bij de man gebleken. De man geeft allerlei verklaringen voor het fysieke geweld en wijst daarbij vooral naar [minderjarige 1] , zoals dat [minderjarige 1] hém uitdaagt en dat [minderjarige 1] moeilijk te corrigeren is. Tegelijkertijd laat hij zijn eigen aandeel in de situatie onderbelicht en bagatelliseert hij met zijn woordkeuzes het fysieke geweld: zo zegt hij dat hij de tafel ‘een zetje’ heeft gegeven en dat hij [minderjarige 1] ‘even met de tafel heeft aangetikt’. Ook heeft hij het over ‘stevige gesprekken’, terwijl gebleken is dat hij tegen [minderjarige 1] heeft gezegd dat hij hem nooit meer wil zien.
De man heeft ook te weinig rekenschap gegeven van zijn verantwoordelijkheid als ouder ten opzichte van [minderjarige 1] . De man heeft het tijdens de mondelinge behandeling bijvoorbeeld over ‘hard tegen hard’, maar miskent daarmee dat [minderjarige 1] pas een jongen van 12 jaar is. Volgens de rechtbank is de man zich onvoldoende bewust van de rol die hij als vader heeft en van de impact die het handelen van een vader heeft op een kind, zowel ten aanzien van het fysieke geweld als ten aanzien van de kwetsende opmerkingen.
De man heeft tot nu toe geen individuele hulpverlening gehad om te werken aan zijn benadering van [minderjarige 1] . Hij heeft zelf aangegeven dat hij door omstandigheden tijdens de jeugd van [minderjarige 1] al minder contact met hem had, waardoor hij sowieso minder voeling heeft met [minderjarige 1] dan met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De man vindt dat ook heel verdrietig. De rechtbank begrijpt dat het sinds de echtscheiding van partijen steeds moeilijker is geworden voor de man om aansluiting te vinden bij [minderjarige 1] . Volgens de man vraagt [minderjarige 1] veel negatieve aandacht en zoekt hij geregeld de confrontatie met hem op.
De raad geeft tijdens de mondelinge behandeling de man de erkenning dat het ouderschap bij een 12-jarige puber niet altijd leuk of makkelijk is, maar is tegelijkertijd heel duidelijk dat er bij vader iets fundamenteels moet gebeuren om weer contact met [minderjarige 1] te kunnen krijgen. De raad gaat daarbij in op de toelichting van partijen dat ouders onderling een andere opvoedstijl hanteren. De man is streng in zijn opvoeding en vindt duidelijke begrenzing van de minderjarigen belangrijk. De vrouw heeft daarentegen een zachte, meer geduldige opvoedstijl en probeert de minderjarigen veel autonomie te geven. Volgens de raad is er voor de man veel te winnen in de ‘zachte kant’ van het opvoeden. De raad adviseert de man om aan de slag te gaan met psycho-educatie. Wat de raad betreft is een individueel hulptraject bij de man ook echt een voorwaarde voor het contactherstel met [minderjarige 1] , omdat niet van [minderjarige 1] verwacht kan worden dat hij het alleen doet.
De rechtbank kan aan de man geen individuele hulpverlening opleggen of hem daarnaar doorverwijzen. De rechtbank drukt de man daarom op het hart om aan de slag te gaan met individuele hulpverlening. De man kan zich wenden tot het wijkteam of tot de huisarts voor een aantal gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts en een eventuele verdere doorverwijzing. Volgens de rechtbank is het een cruciale boodschap richting [minderjarige 1] als de man met eigen hulpverlening aan de slag gaat. De man laat daarmee zien dat hij de ontstane situatie ontzettend serieus neemt en ook bereid is om naar zichzelf te kijken met als doel contact met zijn oudste zoon. De rechtbank hoopt dat de man in een dergelijk traject ook meer zelfinzicht zal verkrijgen, zodat hij ook daadwerkelijk in staat is om vanuit zijn rol als vader te werken aan duurzaam contactherstel.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat het niet haar bedoeling is om de minderjarige bij de man weg te houden. De rechtbank geeft aan de vrouw mee dat uit haar WhatsApp-gesprekken met [minderjarige 1] naar voren komt dat zij sterk aansluit bij de beleving van [minderjarige 1] , ook wanneer [minderjarige 1] zich negatief over zijn vader uitlaat. Het is belangrijk dat de vrouw zich bewust is van de invloed die haar woordkeuze en manier van communiceren kunnen hebben op het beeld dat [minderjarige 1] van zijn vader vormt. Zij draagt als ouder de verantwoordelijkheid om de ontwikkeling van de band van [minderjarige 1] met zijn vader te bevorderen. Juist omdat de vrouw heeft aangegeven dat zij hoopt dat het contact tussen de man en [minderjarige 1] uiteindelijk kan worden hersteld, is er ook voor haar een rol in het ondersteunen van een meer positief beeld.
Met inachtneming van het bovenstaande, bepaalt de rechtbank dat het de man tijdelijk wordt verboden contact te hebben met [minderjarige 1] . Er wordt rust gecreëerd voor [minderjarige 1] en [minderjarige 1] kan zich voorlopig veilig voelen en niet bang zijn dat de man toch ineens contact opneemt. De man kan aan de slag met individuele hulpverlening, voor meer zelfinzicht en om te werken aan de ‘zachte’ kant van de opvoeding. Zoals hierna zal worden toegelicht, zal de rechtbank tegelijkertijd ambtshalve een bijzondere curator benoemen om het contactherstel te onderzoeken en zo mogelijk te begeleiden. De rechtbank benadrukt dat het tijdelijk contactverbod voor de man niet geldt voor contact dat onder begeleiding van de bijzondere curator of een andere professional plaatsvindt of nadien met instemming van [minderjarige 1] tot stand komt.
(ii) benoeming van de bijzondere curator
Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.
Gebleken is dat zich een belangenstrijd in de zin van het hiervoor genoemde artikel voordoet. De belangen van één van de ouders, namelijk van de man, zijn in strijd met de belangen van [minderjarige 1] . De man wil graag het contact met [minderjarige 1] herstellen en behouden. [minderjarige 1] heeft daarentegen aangegeven dat hij geen contact meer wil met zijn vader. Gelet op de aard van de belangenstrijd acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat een onafhankelijke persoon het belang van [minderjarige 1] zowel in als buiten rechte gaat vertegenwoordigen.
De ouders hebben beiden schriftelijk ingestemd met het benoemen van een bijzondere curator.
Mr. D.S. Lösing , advocaat, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe ambtshalve door de rechtbank worden benoemd.
De rechtbank zal de bijzondere curator ambtshalve benoemen met als opdracht de belangen van [minderjarige 1] te behartigen en:
- te onderzoeken wat de mogelijkheden voor contact tussen de minderjarige en de man zijn; en
- te onderzoeken hoe de communicatie tussen de ouders verloopt en, als deze voor verbetering vatbaar is, op welke manier dit kan worden bewerkstelligd;
dan wel:- te onderzoeken of het belang van de minderjarige gediend is met het in stand houden van een tijdelijk verbod aan de man om met de minderjarige contact te hebben, zoals in deze procedure verzocht door de vrouw.
De bijzondere curator wordt daarbij verzocht gesprekken te voeren met
de minderjarige, de vrouw en de man individueel en bij voorkeur ook met de ouders gezamenlijk. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met anderen die informatie over de minderjarige kunnen verstrekken.
Indien de bijzondere curator daar, met inachtneming van het tempo en de veiligheid van de minderjarige, mogelijkheden voor ziet, wordt zij verzocht te begeleiden dat er gedurende haar onderzoek contact plaatsvindt tussen de man en de minderjarige. De rechtbank acht daarbij van belang dat de bijzondere curator dan bepaalt op welke wijze dit contact vorm krijgt, bijvoorbeeld dat de man een kaartje stuurt naar de minderjarige. Indien de bijzondere curator daar mogelijkheden toe ziet, wordt zij ook verzocht een gesprek te begeleiden tussen de man en de minderjarige.
Verder verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen.
Het staat de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van de minderjarige lijkt. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat de ouders meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. Als de ouders niet meewerken, kan het gebeuren dat de rechtbank daaruit conclusies trekt die ongunstiger zijn dan wanneer de ouders wel hadden meegewerkt.
(iii) aanhouding verzoek
De behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de hieronder te noemen mondelinge behandeling.
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator uiterlijk twee weken vóór de datum van de mondelinge behandeling een advies aan de rechtbank uit te brengen in de vorm van een verslag van bevindingen. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om een standpunt in te nemen over het verzoek van de vrouw. Wanneer de bijzondere curator het nodig vindt kan zij als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.
De rechtbank verzoekt de man uiterlijk twee weken vóór de datum van de mondelinge behandeling schriftelijk de resultaten/vorderingen van zijn individuele hulpverlening aan de rechtbank, de wederpartij en aan de raad te doen toekomen.
(iv) kindbrief [minderjarige 1]
De kinderrechter heeft op 13 juli 2026 met [minderjarige 1] afgesproken hem een brief te sturen over wat er is beslist en waarom. Onderstaande tekst wordt per post naar [minderjarige 1] verstuurd, naar het adres van de vrouw.
“Beste [minderjarige 1] ,
Wij hebben elkaar op 13 juli 2026 gesproken. Na ons gesprek heb ik ook met jouw vader en moeder gesproken. Daarnaast heb ik geluisterd naar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. In deze brief vertel ik je wat ik heb beslist en waarom ik dat heb gedaan.
Ik heb beslist dat jouw vader voorlopig geen contact met jou mag opnemen. Dat is omdat ik wil dat jij je de komende tijd veilig voelt en de rust kunt behouden die je nu hebt. Ik vind het belangrijk dat jouw vader niet ineens bij school of bij judo verschijnt. Ik heb een nieuwe zitting gepland op 24 november 2026 en dan komen jouw ouders weer naar de rechtbank om het te hebben over het contact tussen jou en je vader. Jij mag dan ook weer op gesprek komen en dan bespreken we hoe jij er dan in staat. Na die zitting zal ik waarschijnlijk een definitieve beslissing nemen.
Ik heb ook beslist om een ‘bijzondere curator’ voor jou te benoemen. Zowel jouw moeder als je vader zijn het daarmee eens. Dat is een advocaat, in dit geval een vrouw, die speciaal kijkt naar wat voor jóu het beste is. Die persoon kiest geen partij voor jouw vader of moeder, maar kijkt alleen naar jouw belangen.
De bijzondere curator gaat met jou praten en samen met jou kijken of het weer mogelijk kan worden om contact met je vader te hebben. Ik vind het namelijk wel belangrijk dat een jongen van jouw leeftijd uiteindelijk een band met zijn vader kan hebben. Daarom hoop ik dat er ooit weer fijn contact kan komen tussen jou en je vader. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gaan nu ook elke week naar hem toe. Voor de duidelijkheid: als de bijzondere curator een mogelijkheid ziet om het contact tussen jou en je vader te herstellen, dan ga ik ervan uit dat ze dat goed met jou bespreekt. Dan mag het vervolgens ook plaatsvinden, op een voor jou veilige manier, ook al heb ik beslist dat je vader geen contact met jou mag hebben. Dus: voorlopig geen contact tussen jou en je vader, tenzij de bijzondere curator vindt dat het veilig kan.
Uit ons gesprek op de rechtbank weet ik dat jij heel rustig en duidelijk kan vertellen wat je belangrijk vindt. Ik vond het namelijk heel knap hoe open en eerlijk je was over hoe je je voelt. Ik vertrouw erop dat je bij bijzondere curator ook zal zeggen wat je wel en niet wil. Ik vraag je wel om de curator een kans te geven om te situatie beter te maken. Vertrouw jij er maar op dat zij het allerbeste met je voor heeft, net als ik.
[minderjarige 1] , ik wil je nog één ding meegeven. Jij bent het kind in deze situatie. Het is niet jouw taak om het op te lossen. Dat is de verantwoordelijkheid van de volwassenen. Ik hoop daarom dat jouw vader zijn stinkende best gaat doen om dit weer goed te maken, zodat het dan ook voor jou goed genoeg voelt om weer contact met hem te hebben. Ik heb namelijk wel een vader gezien die veel van je houdt en jou heel graag weer wil zien. En ik heb ook aan je moeder een opdracht gegeven, namelijk om jou positief te stimuleren om weer contact te hebben met je vader.
Ik hoop dat je later, als je volwassen bent, kunt terugkijken en kunt zeggen dat je goed voor jezelf bent opgekomen. Tegelijk hoop ik dat je ook kan terugkijken op een mooi traject samen met je vader, om elkaar niet te verliezen in het leven. Volgens mij is het daar nog niet te laat voor.
Ik wens je heel veel geluk. Ik hoop dat het goed blijft gaan op school en dat je veel plezier blijft houden in judo en MMA. Ik vind het allemaal maar indrukwekkend, je bent volgens mij een harde werker en het lukt je volgens mij ook om je doelen te bereiken. Wie weet zie ik je ooit nog terug op de Olympische Spelen. Dan zit ik voor de televisie voor je te juichen.
Heel veel succes met alles. Je mag trots zijn op jezelf.
Groeten,
De kinderrechter”
Proceskosten
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2024 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 7 oktober 2024 in die zin dat het de man met ingang van de datum van deze beschikking tot 24 november 2026 wordt verboden contact te hebben met [minderjarige 1] , met dien verstande dat contact mag plaatsvinden zoals hiervoor beschreven in rechtsoverweging 3.1.13;
benoemt tot bijzondere curator teneinde de minderjarigen te vertegenwoordigen:
mr. D.S. Lösing , kantoorhoudende te Rotterdam;
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk op 10 november 2026 schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt inneemt over het verzoek;
bepaalt dat de man uiterlijk op 10 november 2026 schriftelijk de resultaten/vorderingen van zijn individuele hulpverlening aan de rechtbank, de wederpartij en aan de raad te doen toekomen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van 24 november 2026 te 11:30 uur;
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. L.C.I. Aerden, rechter tevens kinderrechter;
bepaalt dat een kopie van deze beschikking zal gelden als oproep voor partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam.
Deze beschikking is gegeven door L.C.I. Aerden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.M. Brito, griffier, op 17 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.