RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/723223 / JE RK 26-1391
Datum uitspraak: 17 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. V.T.E. Kuijpers, kantoorhoudende in Capelle aan den IJssel,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd in Dordrecht, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 14 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. De kinderen zijn afgemeld voor het kindgesprek en hebben hun mening ook niet op een andere wijze gegeven.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De kinderen zijn langdurig blootgesteld aan spanningen, onveiligheid en onzekerheid. De grootste zorg is dat de kinderen zich verantwoordelijk voelen over hun ouders. Daarnaast maakt [minderjarige 1] zich zorgen over hoe het met [minderjarige 2] gaat. Hierdoor worden de kinderen belast en krijgen zij onvoldoende ruimte om vrij en onbekommerd op te groeien. Het is van belang dat wordt gewerkt aan het herstel van het vertrouwen tussen de ouders en dat hun onderlinge communicatie en samenwerking verbeteren. Daarnaast moet zicht worden verkregen op de opvoedsituatie bij moeder en moeten duidelijke veiligheidsafspraken worden gemaakt. Dit alles kan onvoldoende binnen het vrijwillige kader worden gerealiseerd.
4. Het standpunt van de GI
De GI brengt naar voren dat gelet op de zorgen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Tegelijkertijd is in deze zaak nog geen hulpverlening binnen het vrijwillige kader ingezet. De aanbevelingen van de Raad, waaronder behandeling, monitoring en vervolgbehandeling van de moeder, toezicht op de omgang met de moeder, emotionele ondersteuning van de kinderen en ouderschapsbemiddeling, kunnen binnen het vrijwillige kader door het jeugdteam worden opgepakt. Op dit moment is nog geen jeugdbeschermer beschikbaar. Ook indien op termijn een jeugdbeschermer wordt ingezet, zal voor de uitvoering van de hulpverlening worden teruggevallen op het jeugdteam. Daar ligt ook de benodigde expertise ten aanzien van onder andere ouderschapsbemiddeling. Pas wanneer blijkt dat de hulpverlening binnen het vrijwillige kader onvoldoende is, is de inzet van een jeugdbeschermer aan de orde.
5. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder ziet dat de kinderen last hebben van de strijd tussen de ouders en dat hun gedrag richting de moeder en grootouders is veranderd. De zorgen hebben vooral betrekking op de moeder, terwijl deze zorgen (vooral) worden gebaseerd op informatie die door de vader verstrekt. Het is daarom van belang dat de situatie bij de moeder daadwerkelijk in kaart wordt gebracht. De ouders staan dusdanig ver uit elkaar dat het vrijwillige kader ontoereikend is om de situatie te verbeteren. Daarnaast moet de omgangsregeling worden uitgebreid, omdat de huidige omgangsmomenten te beperkt zijn en de kinderen hiervan last hebben.
6. Het standpunt van de vader
Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. De zorgen hebben met name betrekking op de problematiek van de moeder, waaronder haar alcoholgebruik, medische toestand en het ontbreken van transparantie hierover. Er is sprake van structurele problematiek die sinds de scheiding bestaat en waarbij de incidenten toenemen. De vader maakt zich zorgen over de situatie van de kinderen bij de moeder. Daarom is op 9 juli 2026 een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling ingediend. Dit verzoek is afgewezen in afwachting van het onderzoek van de Raad. In de tussentijd is geadviseerd om geen omgang tussen de moeder en de kinderen te laten plaatsvinden. Ook omgang onder het
vier-ogenprincipe werd niet voldoende geacht. De zorgen zijn dusdanig ernstig dat deze het vrijwillige kader overstijgen. Ouderschapsbemiddeling en gesprekken met de kinderen, die zij als belastend ervaren, hebben op dit moment geen meerwaarde. Eerst moet sprake zijn van een stabiele en veilige situatie bij de moeder.
7. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De kinderen hebben al langere tijd te maken met spanningen tussen hun ouders en onzekerheid over hun situatie. Ook bestaan zorgen over de situatie bij de moeder, onder meer vanwege haar alcoholgebruik, haar medische problematiek en de onrust binnen haar netwerk. De kinderen hebben ook zorgen over de moeder en zijn bang dat er iets met haar gebeurt. Daarnaast lijken de kinderen zich verantwoordelijk te voelen voor de gevoelens van beide ouders. Deze voortdurende spanningen en zorgen leggen een te grote emotionele belasting op kinderen en belemmert hun ontwikkeling.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zijn onvoldoende in staat om de bestaande zorgen en spanningen gezamenlijk weg te nemen. Hoewel de ouders bereid zijn mee te werken aan hulpverlening, is de relatie tussen hen de afgelopen jaren dusdanig onder druk komen te staan, dat de betrokkenheid van een neutrale derde noodzakelijk is.
De kinderrechter acht van belang dat de ondertoezichtstelling gebruikt wordt om meer zicht te krijgen op de situatie bij de moeder en of, en onder welke voorwaarden, de omgang tussen de moeder en de kinderen veilig kan plaatsvinden. Daarbij is het van belang dat de spanningen en conflicten binnen het netwerk van moeder, waaronder de situatie met opa en oma van moederszijde, verminderen, zodat de kinderen niet langer worden blootgesteld aan ruzies, onduidelijkheden en escalaties. Verder acht de kinderrechter het nodig dat moeder nazorg en vervolgbehandeling in het kader van haar verslavingsproblematiek accepteert en hieraan meewerkt. Daarbij moeten de ouders worden ondersteund in hun communicatie en samenwerking. Ook hebben de kinderen ondersteuning nodig bij het verwerken van wat zij hebben meegemaakt. Het is van belang dat er voor de kinderen wordt gewerkt aan het herstellen van rust, veiligheid en duidelijkheid. Zij moeten ontlast worden van zorgen en verantwoordelijkheden rondom hun moeder, zodat zij zich weer passend bij hun leeftijd kunnen ontwikkelen. Op langere termijn kan, indien passend en wanneer er voldoende rust is in de thuissituatie, eventueel worden gekeken naar (trauma)behandeling.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden. De kinderrechter vindt deze termijn nodig, omdat het tijd vraagt om het vertrouwen tussen ouders te herstellen, de onderlinge communicatie en samenwerking te verbeteren en blijvende stabiliteit en veiligheid voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te realiseren.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, regio Zuid-Holland Zuid, met ingang van 17 augustus 2026 tot 17 augustus 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 21 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.