ECLI:NL:RBZWB:2025:4572

ECLI:NL:RBZWB:2025:4572, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 08-07-2025, BRE 24/7895

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-07-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BRE 24/7895
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

NTB KINDER - bezwaar tegen afwijzing ingebrekestelling

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 16 juli 2024.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep kennelijk gegrond?

3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 16 juli 2024. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.Als verweerder een adviescommissie laat adviseren over het bezwaar, geldt een termijn van twaalf weken. Uit de processtukken en het verweerschrift blijkt niet dat verweerder een adviescommissie heeft ingeschakeld. De rechtbank gaat daarom uit van een beslistermijn van zes weken. Uit de stukken blijkt niet dat verweerder die termijn tijdig heeft verlengd met zes weken. De ontvangstbevestiging van 5 augustus 2024 die verweerder heeft overgelegd ziet namelijk op de ontvangst van een bezwaar gericht tegen een beschikking met kenmerk UHT-IGS P CWS en niet op de ontvangst van een bezwaar gericht tegen een beschikking met kenmerk UHT-IGS AH IH. Verweerder had dus uiterlijk op 26 september 2024 moeten beslissen. Met de ontvangstbevestiging van 27 november 2024, die door eiser is overgelegd, is de beslistermijn niet rechtsgeldig verlengd omdat de termijn al voorbij was. Eiser heeft verweerder op 27 september 2024, daags na het einde van de beslistermijn, in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling is op 30 september 2024 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.

4. Verweerder stelt in het verweerschrift van 14 mei 2025 dat eiser geen gelijk heeft. De beschikking ter vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom dient een bestuursorgaan eigener beweging vast te stellen. De ingebrekestelling is geen aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, Awb. Hieruit vloeit voort dat het uitblijven van een dwangsombesluit dan wel een bezwaar tegen een dwangsombesluit geen voorwerp kan zijn van het verbeuren van een dwangsom.

De rechtbank stelt vast dat het bezwaar van 16 juli 2024 is ingediend tegen de beslissing van verweerder van 4 juli 2024, waarin verweerder oordeelt dat eisers ingebrekestelling van 14 mei 2024 ter zake van de herbeoordeling van eisers kinderopvangtoeslag na zake van het niet toekennen van een volgens eiser verschuldigde bestuurlijke dwangsom. Op dat bezwaar is nog niet beslist.

Dat verweerder – conform vaste rechtspraak terecht – stelt dat geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is voor het niet op tijd nemen van een besluit op het bezwaar van eiser van 16 juli 2025 neemt niet weg dat verweerder wel op tijd op dit bezwaar had moeten beslissen.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen, maar gelet op het bovenstaande is verweerder geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd bij het niet op tijd nemen van een beslissing op een bezwaar tegen de afwijzing van een ingebrekestelling. De rechtbank stelt dan ook geen bestuurlijke dwangsom vast.

Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?

5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere termijn op te leggen, omdat het gaat om een bezwaar in het kader van de Awb, tegen de afwijzing van een ingebrekestelling/afwijzende dwangsombeschikking, en niet om een bezwaar tegen een besluit in het kader van de hersteloperatie toeslagen.

Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?

6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.

8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 8 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid

Deze uitspraak mede te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.P. Broeders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand